Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Topvakantie

  • Dorothea Virginia Russel

Topvakantie

Gewillig laat ik mij onder het zand begraven. Mijn twee kinderen worden aangemoedigd door mijn vrouw Heleen. Onze Jasper van vijf stampt het zand aan met zijn voeten, terwijl Marleentje van drie het op mijn buik gooit. Ze zijn al aardig gevorderd. Mijn tenen wiebelen nog boven het zand uit en uiteraard zijn mijn hoofd en schouders niet bedekt, maar mijn benen kan ik al niet meer bewegen. ‘Meer, meer,’ moedigt Heleen onze kinderen aan en helpt zelf fanatiek mee met het begraven van haar man. Het is middag en sommige strandbezoekers beginnen al hun spullen te verzamelen. Terug naar huis, of naar de camping hier vlak achter de duinen. Die laatste; daar zitten wij ook. Voor het eerst met een caravan. Die stond er al, dus wij doen aan een soort glamping, heb ik begrepen. ‘Toe nou,’ had Heleen gezegd in april dit jaar. ‘Laten we nou eindelijk weer eens naar Zoutelande gaan.’ Het is het dorpje waar wij elkaar negen jaar geleden hebben ontmoet.

Het is maar goed dat ik een aardig ‘wasbordje’ heb, want Jasper dendert de hele tijd over mijn buik heen, het zand plat trappend dat Marleentje zo blij de lucht in gooit. Ik knijp iedere keer mijn ogen dicht, want richting bepalen is er voor haar nog niet bij.
Heleen heeft een soort ‘hoofdsteuntje’ van zand gemaakt, zodat ik relaxed lig en de vorderingen kan aanschouwen.
Op mijn: ‘Schat, ik heb dorst,’ komt mijn vrouw naast mij zitten, geeft mij een kus en duwt een rietje in mijn mond, dat in een blikje sinas hangt. Lekker! Sowieso een heerlijke dag op het strand.

Alles klopt. Het is net niet te warm, we voelen ons thuis op de camping, ik heb twee dotten van kinderen en een vrouw, waar menig man jaloers op is. Ik ben een gelukkig mens. Nog twee hele weken te gaan! Op de camping hebben we al een paar andere stellen met kinderen ontmoet. Zoals dat gaat zomers, klikt het met de meesten en zijn er al aardig wat gezamenlijke bbq ‘s geweest, waarbij de kinderen meer spelen dan eten en de ouders meer drinken dan gewoonlijk. Wat een zaligheid. Jasper heeft een nieuw ‘beste’ vriendje gevonden. Toutie. Uit Frankrijk. Hoe wonderbaarlijk, zoals kinderen kennelijk geen taalbarrière ondervinden, maar gewoon met elkaar schijnen te kunnen praten.

Om het zo echt mogelijk te maken, (ze zal er zometeen een paar mooie vakantiefoto's van maken voor thuis) legt Heleen een hemdje over mijn gezicht en stopt het uiteinde van de fluorescerende oranje snorkel in mijn mond. De duikbril, die ze heeft losgemaakt van de snorkel, legt ze op mijn buik. Ze strooit een laag zand over het hemdje. Als het goed is, kun je mij nu niet meer zien. Als ik mij ineens in het pikkedonker bevind, voelt dat wel even eng, maar ik kan gewoon ademhalen door de snorkel en dat stelt weer gerust. Ze gooit nu meer zand over mijn hoofd en schouders; ik neem aan dat ik nu slechts nog een langwerpige heuvel in het zand ben, een ‘onderzeeboot’ met een ‘periscoop’. ‘Wij gaan even een ijsje halen,’ hoor ik Heleen zeggen. ‘We zijn zo terug.’
Ik tracht de snorkel op en neer te bewegen als een soort oké. ‘Je kunt in ieder geval niet verbranden in die tussentijd,’ giechelt ze. Ik hoor hun voetstappen in het zand steeds verder weg. Raar geluid trouwens, dat krakende zand, als je er met je hoofd in ligt.
Ik denk ondertussen aan wat we vanavond gaan doen. Ik heb met de ouders van Toutie afgesproken dat zij een paar uur op ons kroost passen, als verrassing voor Heleen. Ik heb ‘ons’ strandtentje weer gevonden. Waar wij elkaar voor het eerst zagen. Ik heb er een tafeltje op het terras gereserveerd. Met uitzicht op zee. Wat zal ze opkijken. Het leven is goed, denk ik, terwijl ik geniet van het warme zand dat mijn lichaam omringt. Langzaam droom ik weg.

Heleen neemt de kinderen bij de hand en loopt met ze naar de boulevard om een ijsje te halen.
Marleentje wil een hoorntje met twee bolletjes; yoggut-aattebeien. Maar als Jasper kiest voor twee bolletjes knetter-smurfenijs, bedenkt ze zich en wil hetzelfde. De man achter de balie, pakt een nieuw hoorntje en begint met een ijstang lichtgevende blauwe ijsbollen te scheppen. Dan roept Jasper: 'Nee, ik wil toch pink-panter ijs. ‘Oh, dat wil ook,’ roept Marleentje. Het zweet breekt Heleen uit. De man achter de balie kijkt haar aan. ‘Wat wordt het mevrouw? Ik heb nog meer klanten.’ Heleen neemt een beslissing en zegt: ‘Jullie krijgen allebei een vanille-chocolade hoorn en anders niks.’ Marleentje begint te huilen. Jasper steekt achter zijn moeders rug om zijn tong uit naar zijn zus. ‘Mammma!’ dreint zijn zusje. ‘En nou is het afgelopen!’ roept Heleen. ‘Ophouden met huilen, anders krijg je niets.’ De ijsbaas heeft inmiddels twee hoorntjes in de houder op de toonbank geplaatst en zegt: ‘Dat wordt dan zeven euro.’ Met één hand Marleentjes hand vasthoudend, haalt ze behendig met haar andere hand haar telefoon uit haar tas om te betalen. ‘Sorry,’ zegt de man. ‘Alleen contant.’ Nu wordt het lastig. Ze heeft twee handen nodig. ‘Jasper, hou je zusje bij de hand, zodat mama kan betalen.’
‘Ik wil mijn ijsje,’ jengelt Jasper. Hij staat er al die tijd kwijlend naar te kijken. Heleen zwicht en geeft hem zijn hoorntje met een servetje. Ze graaft met een rood hoofd in haar tas, als Marleentje het op een brullen zet. ‘Ik ook ijs! Ik ook ijs!’ De baas geeft het ijsje aan Jasper, om het door te sluizen naar zijn zus. Die springt net op, als Jasper zijn hand met het hoorntje naar haar uitsteekt. Het hoorntje valt op de grond en nu is het gehuil niet meer van de lucht. Marleentje krijst alles bij elkaar en Jasper laat haar hand los en gaat een paar meter verderop van zijn ijsje staan genieten. ‘Oh hemel,’ zucht Heleen. ‘We moeten dringend terug naar pappa.’ Op haar hurken zoekt ze in haar tas naar contant geld en betaalt. Marleentje gilt gewoon door. ‘IJs!’ Maar Heleen heeft plotseling enorme haast om terug te keren naar het strand. Ze trekt het huilende, tegenspartelende meisje achter zich aan. Vele wachtenden bij de ijsverkoper kijken haar verbouwereerd na. ‘En zij dan?’ wijst een van de klanten naar Marleentje. ‘Geef dat kleine meisje eerst een ijsje,’ roept nu een ander. ‘Dat kan je niet maken!’ doet een derde er een schepje bovenop. Intussen loopt Jasper voor zijn moeder en zusje uit, likkend aan zijn ijsje.

'Hé mam!' roept Jasper: 'Waar is mijn duikbril gebleven?’
De duikbril en snorkel zijn verdwenen. Marleen ziet nog wel de heuvel van zand liggen. Ze begint als een gek te graven om zijn gezicht vrij te maken, maar het is te laat. Hij is gestikt. In die paar minuten dat zij weg waren! Hoe kan dat? En waar is de duikbril met snorkel?
Dan ziet ze een man met zijn zoontje het strand opkomen. Het ventje heeft een lichtgevende oranje duikbril plus snorkel in zijn hand. Het is Toutie. Toutie heeft al een paar keer de duikbril van Jasper geleend de afgelopen dagen. En nu zag hij hem gewoon op het strand liggen. De snorkel heeft hij uit het zand getrokken, om vervolgens zijn vader achterna te rennen richting zee.
De tragische werkelijkheid dringt tot haar door en op haar knieën naast het ontzielde lichaam van haar man, stort ze in.

© Dorothea Virginia Russel

  • Hits: 40