Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Schatten

  • Luc Vos

‘Schat, ik ben thuis.’

Met een klap zet de man zijn lege glas op de toog en kijkt de waardin met bijna dichtgeknepen ogen aan.

‘Dat is geen Stella,’ zegt deze en gaat verder met glazen poetsen.

‘Maakt niet uit,’ antwoordt de man. Hij wrijft in zijn ogen. ‘Mijn thuis is waar mijn biertje staat.’

‘Hmmm.’

‘Nog eentje, Marie?’

‘Ik denk dat je genoeg op hebt.’

Zijn hand landt met een klap op het verweerde hout. Het slorpt de impact van de slag op, een gepijnigde grimas verschijnt op zijn gezicht. ‘Daar zal ik wel over beslissen.’

‘Genoeg. Ik ga sluiten.’ Ze zet het glas boven de toog en loopt naar de deur. ‘Tot morgen, Jean.’

Hij wankelt als hij van zijn kruk schuifelt, maar net kan hij zich vastgrijpen aan de koperen baar voor de toog. ‘Ik ben niet dronken,’ mompelt hij en wandelt naar buiten. Hij kijkt Marie kort aan, krimpt bijna zichtbaar in elkaar als ze haar hoofd schudt.

‘Sukkelaar,’ zucht ze als de deur achter hem dichtvalt. ‘Zo droevig.’

Hij hoort haar commentaar niet, strompelt in de richting waarvan hij denkt dat zijn huis is. Met een schok blijft hij staan als hij beseft dat hij een andere kant is uitgegaan. Het verlichte raam aan de overkant van de straat houdt zijn blik vast.

‘Mijn …’

De vuile zakdoek wringt tegen als hij hem uit zijn broekzak wil halen. Zijn wangen zijn nat voordat het stof er geraakt.

‘Als ik …’

‘Dat kan niet meer, Jean.’

‘Maar …’

Zijn woorden stokken als het licht uitgaat en de voordeur wordt geopend. Zijn hoofd gaat snel heen en weer, de beweging vergroot het tollen. Hij wankelt opnieuw, er is geen koperen baar om zich aan vast te grijpen. Een vloek verlaat zijn mond als hij in het gras tuimelt, met veel moeite keert hij zich om en kijkt, aan het oog onttrokken door het nog niet gemaaide bermgras naar de vrouw en het kind die uit de voordeur komen. Ze zien hem niet, maar hij hen wel.

‘Je moet opnieuw zeggen dat het jou spijt,’ mompelt hij.

‘Ze zullen boos zijn.’

‘Dat weet je niet.’

Zijn opgaande beweging stokt, alle kracht stroomt weg uit zijn benen. Hij zakt weer in elkaar, ligt met zijn gezicht in het hoge gras. Een stem dichtbij schrikt hem op.

‘Meneer, gaat het?’

Verward kijkt hij op. ‘Huh? Wat?’

‘Bent u gevallen?’ vraagt de vrouw.

Moeizaam keert hij zich in het gras, de vrouw behoudt afstand. Ze schrikt zichtbaar als de walm uit zijn mond haar neus bereikt.

‘Moet ik de politie bellen?’ vraagt ze.

‘Nee!’

Hij zet zijn handen voor zich, duwt zich zo goed als hij kan omhoog. In zijn ooghoek ziet hij een auto vertrekken van het huis dat hij in het oog hield.

Ze mogen jou niet zien.

Hij laat zich vallen, negeert de geschrokken uitroep van de vrouw en wacht tot het geronk van de auto is uitgestorven. Hij drukt zich opnieuw op, kijkt de vrouw niet meer aan en loopt weg zonder het gras van zijn kleren te slaan. Ze roept nog, maar hij keert zich niet om. Hij ziet enkel de weg, de stroken asfalt waar …

 

Hij voelt niet hoe zijn knieën de asfalt raken, hij ziet enkel de auto weer die achteruit van de oprit van dat huis reed. Zijn auto, waar hij …

Zijn hoofd raakt de ruwe ondergrond, een kiezel dringt door de huid van zijn schedel. Hij drukt zich op, voelt de druppels bloed niet die tussen zijn gespreide vingers landen.

‘Het is jouw schuld!’

Beschuldigingen zijn overal om hem heen. Ze roepen, stemmen brullen. De vier woorden die zijn hoofd bevolken vanaf het ogenblik dat hij het de kans geeft om nuchter te worden.

‘Ik weet het,’ fluistert hij.

‘Je moet boeten.’

Hij schokt als iets zijn schouder raakt.

‘Ik ben er klaar voor,’ zegt hij zonder op te kijken. ‘Magere Hein, neem me mee. Ik verdien het.’

Een vrouwenstem roept iets, hij verstaat het niet.

‘Heinnie is ook goed.’ Een giechel verlaat zijn mond, de schok verjaagt de kracht uit zijn armen. ‘We zijn 2024. Alles is oké, maar neem me mee.’

Hij krabbelt overeind, de stem komt dichterbij.

‘Meneer, wat scheelt er?’

De vrouw die hij eerder zag? Kwam ze terug? Waarom?

‘Meneer, blijf alsjeblieft staan. De ziekenwagen is op komst.’

Een kreet weerklinkt.

Is zij daar?

Dat kan niet.

Gebeurt het opnieuw?

Een doffe slag dringt tot hem door. Zoals de slag toen zij … toen de auto … die hij …

Een nieuwe klap dringt tot hem door. Dan is het stil.

 

‘Meneer?’

Een mannenstem.

Hein is terug.

Moeizaam opent hij zijn ogen. Hein is niet in het zwart gekleed, hij draagt geen kap. Een in het wit geklede man kijkt hem bezorgd aan.

‘Blijf alsjeblieft rustig.’

Jean knippert snel, een traan rolt over zijn wang. ‘Het is mijn schuld.’

‘We gaan u verzorgen.’

Jean kan niet antwoorden, zijn ogen vallen dicht. Het is goed dat hij pijn heeft. Hij moet boete doen. Voor wat hij heeft gedaan. Het beeld van zijn … zijn meisje op het asfalt, bewegingloos, boort zich zijn ogen. Bloed liep over het asfalt naar de straat. Een haast perfecte rode streep. Hij was ernaar toe gelopen, zag de auto niet die uit de andere richting kwam. Hij dook weg, de auto kwam met piepende remmen tot stilstand. Een man vloog vanachter zijn stuur, brulde op Jean, maar zijn geroep verstomde toen hij het meisje op de oprit zag liggen. Jean kroop overeind, tuimelde bijna naast zijn oogappel. Hij riep om hulp, de gestopte man belde de hulpdiensten. Jean durfde haar niet aan te raken, hij wilde het bloeden stoppen, maar hij wist niet wat hij moest doen. Hij kon niets zeggen toen zijn vrouw naar buiten vloog, hij kon geen woord uitbrengen toen de ziekenwagen hen wegvoerde. Hij wist niet wat te doen toen de agent vroeg hoe het kwam dat hij de handrem niet had opgetrokken.

Hij kromp in elkaar toen zijn vrouw naar huis kwam. Alleen. Een blik in haar ogen die hij nooit zal vergeten.

‘Ga!’ zei ze. ‘Ik wil je niet meer zien.’

‘Het …’

‘Ga!’

Hij ging, maar kwam elke dag langs. In de hoop dat …

Hij wilde naar haar toe gaan. Hij durfde niet. Hij wist dat zij hem nooit zou vergeven. Hij kon het niet aan, zij nog minder …

 

‘Meneer?’

Hij opent zijn ogen niet. Hij heeft dat recht niet meer.

‘Jean?’

Dit kan niet.

‘Papa?’

Zijn ogen vliegen open.

‘Wat is er?’

De twee vrouwen uit zijn leven staan naast de brancard. Met grote ogen kijken ze naar de bloedende man.

‘Wat is er gebeurd, Jean?’ vraagt zijn vrouw.

Ze is niet boos?

‘Het is mijn schuld,’ zegt hij hees.

Ze antwoordt niet, streelt hun dochter over haar lange haren.

‘Ik heb haar …’

Haar hand gaat omhoog. ‘Het was dom, Jean,’ zegt ze. ‘Maar … ik weet dat je dit niet opzettelijk deed.’ Ze kijkt vragend naar het meisje, deze knikt.

‘Kom je alsjeblieft naar huis, papa? We missen jou.’

Jean sluit zijn ogen en knikt.

‘We verliezen hem,’ roept de ambulancier.

Ik kom eraan, lieverds.

De jarenlange onrust verdwijnt. Hij opent zijn ogen, ze lopen van hem weg en steken hun hand uit.

‘Kom je?’

‘Ja,’ lacht hij.

‘Tijdstip van overlijden, tien uur veertig,’ klinkt een stem.

Jean hoort ze niet meer. Hij lacht enkel.

Schatten, ik ben thuis.

 
  • Hits: 90