Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Op de drempel

  • Annelies De Boeck
Op de drempel
"Heb je een dekmantel?"
Het meisje hoopt dat hij bevestigend zal knikken.
Het is vreemd voor een jongeman zo de schoonheid van de bloemen te willen bezingen. Het meisje hoopt dat hij niet te kijk zal worden gezet door de tjiftjaf die zich verschuilt in het bosje achter de bloemenweide waar hij zijn inspiratie opdoet.
Het is alsof hij in een gipsfiguur verandert wanneer hij daar zit. 
Ze mag hem niet storen, ook niet met nieuws van het Oekraïens front. Het meisje wordt bang als ze verneemt hoe de kansen daar schijnen te kantelen in het voordeel van de Russische bezetter maar de stille dialoog met zijn margrieten en zijn kaasjeskruid gaat voor op de waan van de dag, die zij hem nochtans dringend onder de neus zou willen wrijven.
Hij is toch een man, moet hij zich dan niet klaar houden voor de strijd?
Wordt hij dan niet zoals andere mannen gedreven door rivaliteit?
"Hoor je de kievit?" vraagt de jongeman opgewonden aan het meisje dat op hete kolen zit met het journaal nog op haar netvlies.
Het is diep in de lente. Het klaar vroeg op en de schemering laat lang op zich wachten. Ze mag hem gezelschap houden tot de zon ondergaat. Haar ouders verwachten dat ze zich dan in het ouderlijk huis aandient met een zelf bedacht motief. Ze kennen hun dochter. Ze willen haar niet nodeloos nog angstiger maken dan ze al is door haar te waarschuwen voor al wat een jong meisje in de duisternis kan overkomen.
Het meisje zwijgt over Oekraïne. Ze spitst haar oren naar de zang van de kievit. Nauwelijks een flard van haar gedachten kent de jongeman. Hij grijpt haar onderbeen, dat scheef naar haar knie oploopt. Ze zitten met opgetrokken knieën op een boogscheut van de bloemenweide, aan een struik van alsem tussen madeliefjes en klaver. Het meisje is dankbaar dat hij door een aanraking haar gezelschap vlees geeft. Toch dwalen haar gedachten steeds af naar taferelen van het front. Luister, zou ze willen fluisteren, hoe gaat dat daar aflopen? maar ze slikt wijselijk haar woorden in voor die over haar lippen rollen als een metalen tank die de tere bloemen zou kapotrijden.
Plots zegt de jongeman: "Wat vind je van dit uitzicht? Ik luister."
De vraag komt abrupt en het meisje weet absoluut niet wat erop te antwoorden. Haar stilte interpreteert de jongeman als overweldiging door de schoonheid van dit uitzicht. Hij bruist nu nog meer van geluk dan voor hij zijn luisterend oor aan haar aanbood. Hij hoort heel duidelijk de kievit en vermoedt zelfs dat die een baltsgeluid maakt. Het meisje blijft beklijfd door oorlog roerloos naast hem zitten. "Heb je een dekmantel?" vraagt ze nog eens.
"Een pseudoniem, bedoel je," corrigeert de jongeman haar ruimhartig.
"Precies ja," knikt het meisje enthousiast nu in zijn stem een betrokken intonatie te onderscheiden valt, die haar afleidt van de herinnering aan de stem van de nieuwslezeres. 
"Dat heb ik inderdaad."
"Oh," zucht het meisje, "je hebt aan alles gedacht."
"Aan de basisvoorwaarden om deel te nemen dan toch," antwoordt de jongeman.
Het meisje weet dat hij hij zijn grote liefde verloor aan een Nederlandse stad, die hij nu wil bestormen met zijn dichtkunsten. Ze wil hem maar behoeden voor een diepe teleurstelling. 
"Hoeveel deelnemers zouden zich geroepen voelen?" vraagt ze om hem een realistische inschatting van zijn winstkansen voor te spiegelen.
"Daar heb ik geen idee van," antwoordt hij opgeruimd.
"Wat is het thema?" vraagt het meisje verder.
"Rondom mij," de jongeman geeft er een handgebaar bij richting bloemenweide. Hij haalt zijn hand van het onderbeen van het meisje. Het meisje zou willen grinniken maar ze vreest dat de jongeman dat zou opvatten als spot dus geeft ze geen kik. Ze vindt het opmerkelijk dat een jongeman gedichten wil schrijven in plaats van aan boogschieten te doen of ploegensport te beoefenen zoals voetbal. Het bevalt haar wel, zo kan ze veel tijd met hem doorbrengen. Toch vreest ze de hoon van hun jaargenoten en hun buren, stroeve Belgen die het over de inflatie hebben of over de bekerfinale, zelden over de zwaluw of de nachtegaal. Dergelijke sierlijke vogeltjes dragen haar voorkeur weg. Soms tekent ze zwaluwen op een elektriciteitskabel. Dat heeft ze geleerd van haar grootje. 
Spoedig moet de jongeman de arbeidsmarkt op. Beiden studeren dit jaar af. Voor een Belgisch meisje uit de middenklasse hoeft uit werken gaan nog niet noodzakelijk. Als ze nog wil bijstuderen om de boot van de betaalde arbeid af te houden, dan moedigt Belgenland dat aan. 
Het meisje plukt een madeliefje. De jongeman tuurt door zijn verrekijker. Straks gaat ook hij naar huis. Daar werkt hij in de late uurtjes aan zijn eindproef.
Het meisje zou willen vragen of ze zijn inzending voor de poëziewedstrijd mag lezen maar ze vreest dat haar dat op bemoeizucht zal komen te staan. Ze bekijkt het madeliefje dat ze tussen duim en wijsvinger houdt en beseft dat het het zeer snel zal verwelken, nog voor ze ermee thuiskomt. Onderweg naar huis zal de jongeman zwijgzaam blijven, dat is het meisje zo van hem gewend. Wanneer ze naast elkaar wandelen, overmant een intens geluk het meisje. De kalmte die hij aan de dag kan leggen om bloemen te observeren of zich te concentreren op vogelgezang, bezit ze zelf niet. In beweging daarentegen vindt zij een oneindige rust, alsof de paradox haar horizon indijkt. Ze hoeft zich toch niet te bekommeren om Oekraïne. Ze is inwoner van een land dat tot de NAVO toegetreden is. Ze is veilig. Dan ontglipt het haar toch: "We zijn lid van de NAVO," zegt het meisje onderweg naar huis, "dus we zijn veilig, toch?" Het is alsof ze een heilige stilte doorbreekt met grof geschut op zijn herinnering aan de kievit.
"He?" vraagt de jongeman verward en misnoegd.
"Ach, laat maar," maakt het meisje snel haar woorden ongedaan.
Toch is er iets gebroken tussen haar en de jongeman, die zich prompt herstelt. Ze zijn nu in de straat waarin hun ouders al decennia lang een huis bezitten.
De jongeman zegt heel ernstig: "Ik ben altijd een onverdeelde fan geweest van Zweden maar nu, nu de Zweden hun neutraliteit opgegeven hebben en toegetreden zijn tot de NAVO," de jongeman neemt een kleine adempauze, "nu voel ik me helemaal niet meer veilig."
Het meisje schrikt. De sfeer verkilt na zijn uitlating. De jongeman versnelt zijn pas, alsof ze hem vergeefs gedwongen heeft tot dialoog over een mannenzaak die hij toch niet tot de grond kan uitspitten. Hij laat na haar gerust te stellen. Jongedames met een grote mond moeten de vruchten daarvan maar helemaal zelf opeten. Op een ingetogen manier neemt hij al afscheid van haar op tientallen meters van de huisdeur die hij dadelijk zal openmaken met zijn eigen huissleutel, een voorrecht dat het meisje thuis niet heeft verkregen.
  • Hits: 49