Skip to main content

Ontvangen inzendingen

MIJN ROTS

  • Annette van Luyk
‘Waar ben je?’ vraagt Marcel.
Ik aarzel. ‘Thuis.’
‘Niet liegen. Je auto staat er niet.’
‘Die is… bij de garage.’
‘Dus je bent gewoon thuis?’
‘Ja hoor,’ antwoord ik zo laconiek mogelijk.
‘Dan kom ik zo even langs.’
‘Nee!’ roep ik iets te hard. ‘Ik heb geen tijd.’
‘Wacht, ik wil je alleen iets laten zien…’
Snel druk ik het gesprek weg. Ik slaak een diepe zucht en tuur over het water. De zee is nog rustig, maar ik weet dat later in de middag de wind komt opzetten en de golven ruw tegen de rotsen zullen spatten, precies hier onder mij, op deze plek, waar ik nu zit. Mijn favoriete plekje waar ik elk jaar terugkeer. Ik heb niet gelogen, dit is mijn tweede thuis. Hier op het meest oostelijke puntje van Italië voelt het veilig bovenop mijn rots, met de azuurblauwe zee die mij lijkt te omarmen. Het einde van de wereld.
Vanmorgen in alle vroegte ben ik op het vliegtuig naar Brindisi gestapt. Mijn auto staat geparkeerd op Rotterdam The Hague Airport. Achteraf gezien had ik die beter thuis kunnen laten, maar daar dacht ik gisteravond niet over na, toen ik impulsief besloot een vlucht te boeken: weg van huis, weg van Marcel.
Het voelt niet meer als thuis nu hij me niet met rust kan laten. Hoe vaak ik hem ook heb geprobeerd te overtuigen dat er niks tussen ons is en dat die kortstondige affaire wat mij betreft niets voorstelde, hij lijkt het niet te beseffen, of domweg niet te accepteren. Ik heb hem al een paar keer geblokkeerd op Whatsapp, maar dan staat hij binnen een paar uur huilend voor mijn deur en belooft hij plechtig me niet meer lastig te vallen. Dat werkt een paar dagen, maar dan vult mijn telefoon zich weer gestaag met een onophoudelijke berichtenstroom.
Ik pak mijn telefoon en blokkeer zijn nummer opnieuw. Ook op Whatsapp, op Messenger, Facebook en Instagram. Mijn hart klopt in mijn keel bij de gedachte dat hij wraak gaat nemen. Wat gaat hij doen? Een baksteen door mijn raam? Met verf HOER op mijn voordeur spuiten? Je hoort van die enge verhalen over stalkers.
Ik ril bij de gedachte, maar ik schud het van me af, zo ver zal hij toch niet gaan? Maar helemaal gerust ben ik er niet op. Gelukkig kent hij deze plek niet. Hij weet wel dat ik regelmatig in Puglia ben geweest, maar niet exact waar. Daar heb ik met opzet vaag over gedaan en dat komt me nu goed uit. Hij weet al meer van me dan me lief is. Veel meer…
In de verte zie ik een groepje toeristen over het pad naar de vuurtoren lopen. De iconische Faro di Punta Palascia vanwaar je de meest prachtige zonsopgang kunt aanschouwen. Vandaag heb ik het gemist, maar morgenochtend kom ik terug, beloof ik mezelf. En dan haal ik een kop cappuccino bij Riccardo’s mobiele koffiebar aan het begin van het rotspad.
Teruggekomen in mijn b&b in Otranto zie ik een hele rits onbekende nummers op het scherm van mijn telefoon. ‘Verdomme Marcel, laat me met rust!’ roep ik gefrustreerd uit. Ik plof neer op mijn bed en maak me opnieuw zorgen. Zal ik mama vragen om even polshoogte te nemen bij mijn huis? Maar dan moet ik haar vertellen waar ik ben, en wat als hij haar ziet? Haar aanspreekt? Nee, hoe minder mensen hierbij betrokken zijn, hoe beter. De afgelopen weken neemt Marcels obsessie steeds extremere vormen aan, ook al begrijpt hij dondersgoed wanneer hij te ver is gegaan. Ik heb overwogen aangifte te doen, een gebiedsverbod aan te vragen. Maar toen ik daarmee dreigde, werd hij opeens poeslief en nam meer afstand. Naar de buitenwereld is het een sympathieke, aimabele man met een goede baan, daarom dat iedereen in mijn omgeving vindt dat ik schromelijk overdrijf als ik mijn zorgen uitspreek. Maar ik heb inmiddels helaas aan den lijve ondervonden hoe dominant en dwingend hij kan zijn. Hoe ziekelijk jaloers. Had ik me maar nooit door hem laten verleiden….
Er wordt zachtjes op mijn kamerdeur geklopt. ‘Signora? You have a visitor.’
Ik schiet overeind, even als de haren op mijn armen. Het zal toch niet waar zijn? Niemand weet dat ik hier ben. Ik doe mijn mond open om te antwoorden, maar net op tijd bedenk ik me. Als ik muisstil blijf zitten dan gaan ze wel weg. Gaat hij wel weg. Hoop ik.
Er wordt weer geklopt, en dan klinkt een zacht geroezemoes op de gang.
BENG! Een harde bons doet mijn kamerdeur trillen in zijn sponningen. De eigenaresse verheft haar stem en beveelt de bezoeker in niet mis te verstane bewoordingen om te vertrekken.
Minutenlang zit ik verstijfd op bed. Ik durf amper te ademen, bang dat hij zelfs dat kan horen. Maar het geluid van voetstappen verstomt uiteindelijk en het enige wat ik nog hoor is het vogeltje in de boom voor mijn raam.
De avond is allang begonnen als ik eindelijk mijn kamer durf te verlaten. Het is doodstil in de b&b en schichtig om me heen kijkend steek ik het pleintje over naar de pizzeria waar ik telefonisch een pizza heb besteld. Met de warme doos onder mijn arm geklemd ren ik weer terug naar mijn kamer en draai de deur op slot. Het blijft stil en langzaam begin ik me af te vragen of het daadwerkelijk Marcel is geweest die me is komen opzoeken. Ben ik paranoïde aan het worden?
Na een onrustige nacht met een steeds terugkerende droom over het gezicht van Marcel dat plotseling verschijnt tussen het gebladerte van de vijgenboom onder mijn raam, besluit ik in alle vroegte naar mijn rots te wandelen om de zonsopgang te bewonderen. Ik heb besloten mezelf niet gek te maken met het dwaze idee dat Marcel me hier heeft gevonden.
Als ik me heb genesteld in het kommetje van de rots, op tientallen meters van het rotspad, via een vrijwel onzichtbare doorgang naar beneden, slaak ik een zucht van verrukking. Het is een prachtige, serene ochtend, het is windstil en de oranje zon duwt zich langzaam maar gestaag uit de zee omhoog. Voor het eerst sinds mijn aankomst voel ik me weer volledig ontspannen en ik sluit mijn ogen om de warmte van de eerste zonnestralen op mijn huid te voelen.
‘Hier ben je dan!’
Van schrik kukel ik bijna van mijn rots af. Ik kijk omhoog en jawel hoor, daar staat Marcel, op een rots recht boven mij naar beneden turend. Een draconische glimlach vervormd zijn knappe gezicht tot een doodenge Joker.
‘Hoe… hoe heb je me gevonden?’ stamel ik uit.
‘Ik weet je altijd te vinden,’ antwoordt Marcel zelfverzekerd, ‘dat weet je toch?’ Voorzichtig beent hij zich een weg naar beneden, naar mijn rots.
‘Ga weg!’ roep ik schril. ‘Je bent hier niet welkom.’
‘Doe niet zo raar, je hebt me nodig, al besef je dat zelf nog niet. Ik zal je beschermen en liefhebben, zolang als ik leef.’
Ik sta op en behendig klauter ik aan de andere kant de rots af. Het is een gevaarlijke route met spelonken en scherpe punten, maar ik heb hem regelmatig beklommen dus ik weet precies waar ik op moet letten. Ik hoor het gehijg van Marcel achter me en zonder nog achterom te kijken klim ik als een berggeit weer omhoog, zorgvuldig de glibberige stenen ontwijkend.
‘Evaaaaa!’ Het geluid van een rauwe doodskreet klettert tegen de rotsen, gevolgd door een harde plons.
'Probleem opgelost', mompel ik.
 
  • Hits: 19