Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Mijn klein konijntje

  • Ewald Hagedorn
‘Franse vrouwen stinken uit hun mond. Ze poetsen hun tanden zelden of nooit en eten iedere dag een halve bol knoflook, dat is algemeen bekend.’
Kort samengevat de warme reactie van mijn grootvader, wanneer ik hem vertel dat ik sinds enkele weken een relatie heb met Eliane. Geboren in Toulouse, een stad met een half miljoen inwoners, onlangs 21 geworden en net als ik, tweedejaarsstudent kunstgeschiedenis. Binnen twee jaar tijd heeft ze vloeiend Nederlands leren spreken en haast accentloos bovendien.
Met haar adem is niets mis; iedere dag poetst ze drie keer haar tanden. Soms eet ze inderdaad een teentje knoflook, dat doe ikzelf ook, zoals vrijwel iedereen tegenwoordig. De twee voortanden van haar bovengebit staan een beetje schuin naar voren. Voor mij doet het niets af aan haar charme en uiterlijke schoonheid. Integendeel, het geeft haar juist iets grappigs. Ze doet me daardoor aan een klein konijntje denken en vertederd noem ik haar plagerig ‘Mon petit lapin,’ waar zij dan weer erg om moet lachen.
Mijn opa kan heel stellig zijn, al denkt híj daar zelf volkomen anders over. ‘Wat? Ik stellig? Absoluut niet! Als er íemand niet stellig is, ben ik dat. Punt!’
Verder is hij nogal direct en kan behoorlijk bot uit de hoek komen. Discretie staat niet in zijn woordenboek, net zomin als relativeren en nuanceren. Binnenkort wordt hij 81 jaar.

‘Eerlijk gezegd twijfel ik eraan of ik je zal meenemen naar opa’s verjaardag, om je te introduceren bij mijn familie. Het zou me niets verbazen als hij iets zegt in de trant van: ‘Nou, je ouders hadden jou ook wel een beugeltje mogen geven, of hadden je ouwelui daar soms de centen niet voor?’
Eliane schiet in de lach en zegt dat ze heus wel tegen een stootje kan. Uitgezonderd mijn zusje kent ze nog niemand van mijn familie en ze wil mijn ouders, ooms en tantes, alle neven en nichten dolgraag leren kennen. ‘En vooral je grootvader, voegt ze er lachend aan toe.’
De kennismaking met opa verloopt totaal anders dan verwacht. Hij spreekt Eliane aan met mademoiselle en geeft haar zowaar een sierlijke handkus, waarbij hij een zwierige buiging maakt. Opa, die nooit zo de gastheer is, zorgt dat het haar aan niets ontbreekt. Ze is de eerste die koffie met gebak krijgt en in de loop van de middag, als we aan de borrel zijn, vult hij om de haverklap haar halflege glas bij.
Hij is spraakzamer dan ooit en kan overduidelijk zijn ogen niet van Eliane afhouden. Wanneer hij het ene na het andere sterke verhaal opdist, richt hij zich vooral tot haar en zij schaterlacht om alles wat hij zegt. Eigenlijk heb ik mijn grootvader nooit eerder zo vrolijk en uitgelaten gezien.
Eerlijk is eerlijk, hij heeft geen makkelijk leven achter de rug. Zijn eerste vrouw overleed in het kraambed, een jaar na hun trouwen. Zijn tweede echtgenote, mijn biologische oma, die ik overigens nooit heb gekend, liet hem en de kinderen na zeventien jaar huwelijk onverwacht in de steek en ging er met een Zwitserse horlogemaker vandoor. Zijn derde vrouw, die ik altijd als mijn oma heb gekend, was zachtjes gezegd een helleveeg. Opa kon werkelijk níets goed doen in haar ogen en dat peperde ze hem dan ook dagelijks in.
‘Jongen, ik heb nooit écht een thuis gehad,’ vertrouwde hij me een keer in een eerlijke bui toe. ‘Je mag gerust weten dat haar dood uiteindelijk een opluchting voor me betekende.’

In de weken die volgen zie ik Eliane steeds minder. De spaarzame momenten dat we elkaar wél ontmoeten, gedraagt ze zich eigenaardig afstandelijk en aan fysiek contact heeft ze opeens geen behoefte meer. Ook slaat ze opvallend vaak colleges over; in niets lijkt ze meer op de Eliane die ik destijds heb leren kennen. Wat is er misgegaan, waar is het misgegaan, wat heb ik fout gedaan? Ik snap er niets van.
Van haar koosnaampje ‘Mon petit lapin’ is ze niet langer gediend, laat ze me koeltjes weten. ‘En dan nog iets,’ gaat ze geagiteerd verder, ‘wat laat jij je opa in de steek. Amper eens in de maand bezoek je hem, terwijl je praktisch om de hoek woont.’
Dat laatste is overdreven, ik moet ongeveer vijf minuten fietsen, maar het klopt, hooguit een keer per maand bezoek ik hem, meer valt voor mij niet op te brengen. De man is nou niet bepaald de vriendelijkste, moet per se altijd zijn gelijk halen en heeft over alles en iedereen een mening klaar, een vaststaande mening, die over het algemeen niet bepaald positief is.
Eliane is daarover een andere gedachte toegedaan. Ze zegt dat zij mijn grootvader sinds zijn verjaardag meerdere keren per week bezoekt, dat hij niet alleen charmant is en een boeiende gesprekspartner, maar ook dat zij zich in Nederland, tot nu toe, nergens zó thuis heeft gevoeld. Hoofdschuddend hoor ik het allemaal aan, maar heb geen flauw idee wat ik daartegenin zou kunnen brengen.

En dan gebeurt het ongelofelijke. In de laatste week van augustus, op een donderdagmorgen, twee weken voor aanvang van het nieuwe collegejaar, valt er een grote, boterbloemgele envelop in de brievenbus. Nieuwsgierig maak ik hem open en lees: Hoera, wij zijn op 24 augustus in stilte getrouwd. Op dit moment zijn wij op huwelijksreis naar Frankrijk, maar we stellen het bijzonder op prijs als jullie een keertje gezellig een borreltje komen drinken om ons te feliciteren. Vanaf half september zijn wij weer thuis. O ja, als het even kan, liever niet allemaal tegelijk!
Om de tekst heen, die in krullende sierletters is geschreven, prijken tal van roze hartjes en Cupido-engeltjes.
Onderaan staan de namen van Eliane en mijn opa. De linkerkant van de opengeklapte kaart laat de huwelijksfoto zien. Mijn breed lachende grootvader draagt een strak zittende, zwarte, leren broek en daarboven een purperen, satijnen overhemd, dat tot halverwege de borst is open geknoopt. Ongegeneerd krult het witte borsthaar er aan alle kanten uit. Eliane gaat gekleed in een polkadot minirokje en een transparant, zwart, kanten bloesje, met een decolleté dat weinig te raden overlaat.

Nog één keer bezoek ik ze, medio oktober. Opa is in een tijdsbestek van enkele maanden graatmager geworden en zijn ogen schitteren koortsachtig.
‘Die meid weet van geen ophouden,’ fluistert hij me toe, als Eliane even de kamer uit is. ‘Iedere nacht gaan we tekeer en vaak ook meteen weer na het ontwaken. Jongen, ze put me volledig uit, maar tegelijkertijd ben ik gelukkiger dan ooit. Niet alleen het slaapkamergebeuren, maar vooral het thuisgevoel dat ze me geeft. Een vrolijke vrouwenstem in huis, een vrouw die lacht, die op de bank tegen je aankruipt. Dat heb ik nooit eerder zo gekend.’

Vlak na de jaarwisseling zitten we bij de notaris. Opa is op kerstavond aan een hartstilstand overleden. Eliane erft het huis, de inboedel, inclusief een waardevolle boekenverzameling en het grootste deel van het vermogen. Een symbolisch bedrag blijft er over voor de kinderen en kleinkinderen, nauwelijks goed voor een avondje schouwburg met een dinertje vooraf.
Als bedroefde weduwe tracht Eliane zo verdrietig mogelijk te kijken; met veel moeite weet ze enkele tranen eruit te persen. Wanneer onze blikken elkaar kruisen, maakt ze een gebaar dat zoveel zeggen wil als: ik kan er verder ook niets aan doen. Zo zachtjes dat alleen ík het kan horen, zegt ze: ‘C'était un coup de foudre,’ en ze knipoogt er zowaar bij. Met moeite lukt het me een lach te onderdrukken. Op zo’n meisje kun je toch onmogelijk boos worden. Mon petit lapin.
 
  • Hits: 64