Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Jij bent mijn thuis!

  • Ellen Kusters

De deur viel met een knal in het slot, het geluid bleef nog minuten doordreunen in mijn hoofd, dat toch al pijnlijk bonkte. Ik wilde niet dat ze wegging. Niet nu. Niet op zo’n vervelend moment.
Die ochtend hadden we een van de ergste ruzies ooit gehad. Zo’n ruzie waarvan je weet dat de uitkomst waardeloos gaat zijn. Er was echter geen weg meer terug. We waren een pad ingeslagen dat onomkeerbaar was. Ik had de meest vreselijke dingen tegen haar geschreeuwd. Dat ze van binnen zwart was, dat er geen graantje gevoel in haar lijf zat, dat ze mij totaal niet begreep en dat ze me helemaal gek maakte. Al die tijd had ze me verbijsterd aangekeken met die grote blauwe kijkers, waar al gauw tranen in blonken. Ze had niet eens moeite gedaan om ze tegen te houden of weg te vegen. Als een zoutzak had ze tegenover me gestaan, had me al dat lelijks laten zeggen zonder tegengas te geven. En dat was misschien nog wel het ergste. Ze had me alleen maar aangestaard, ik zag hoe haar hart langzaam in duizenden stukjes uit elkaar spatte, bij elk woord, bij elke zin die ik vol walging uitspuugde.

Nu zat ik op een boomstronk in het bos achter ons huis. Ze was weg. Een gapend gat op de plek van mijn hart bleef achter en het was allemaal mijn schuld. Het was absoluut geen excuus, maar de afgelopen weken op kantoor waren hels. Niets liep zoals het zou moeten en iedereen klaagde steen en been. Alle shit kwam op mijn schouders terecht en ik liep op mijn tenen. In plaats van mijn hart op de goede plek te luchten, reageerde ik me af op de persoon die het dichtste bij me stond. Annemarie. Zelfs het horen van haar naam in mijn hoofd riep een pijn op, die tot in de kleinste vezel van mijn lijf voelbaar was. Waarom was ik zo’n klootzak? Waarom kon ik haar niet uitleggen wat ik voelde? Zij was het tegenovergestelde. We waren echt yin en yang, hielden elkaar in evenwicht. Tenminste, dat deden we, tot die vreselijke ruzie. Alles wat ik tegen haar had geschreeuwd, ging eigenlijk over mezelf besefte ik. Ik was degene zonder gevoel, met weinig begrip voor anderen. Wat ik de ander verweet, ging enkel en alleen over mij. Als er iemand veel gevoel had, was het Annemarie. Juist zij. Ze was de meest onzelfzuchtige en zachtaardige vrouw die ik ooit in mijn leven had ontmoet. De gedachte dat ze voor altijd bij me weg was, boezemde me ontzettende angst in. Hoe kon ik zonder haar? Mijn baken in de duisternis, mijn anker, mijn rots.

Vaak zeggen mensen dat een mooi en fijn huis hun thuis is. En aan de ene kant ben ik met hen eens. Ik ben tevreden met ons huis. Alles wat ik doe is voor haar. Weken van meer dan zestig uur zijn voor mij normaal, ik weet niet beter. Ik wil haar het beste van het beste geven. Maar de reden waarom het er zo fijn en warm is, heeft alles te maken met degenen die er wonen. Zij maken een huis een thuis. En nu leek dat allemaal op losse schroeven te staan door mijn idiote gedrag en mijn gewoonte de mensen van wie ik houd op een afstand te houden. Geweldig. Kijkend naar de vogels die druk in de weer waren met het bouwen van hun liefdesnestje drong de volle omvang van mijn fout pas echt goed tot me door. Iedereen om me heen was bezig om hun wereld zo in te richten dat ze elkaars thuis waren. Iedereen, behalve ik. De kramp rond mijn hart werd heviger, mijn adem stokte en ik reikte met mijn rechterhand naar mijn keel. Ik kreeg geen lucht. Plots realiseerde ik me dat als ik zo doorging ik eenzaam en alleen zou eindigen. Precies zoals ik dertig jaar geleden op deze aardbol was beland. Een liefdeloze moeder, een afwezige vader, geen familie of kennissen die zich met me bemoeiden. Ik moest alles alleen doen.

Toen de schemer inviel, slofte ik verslagen terug naar het huis waar ik en Annemarie nu ruim zes jaar woonden. De deur stond op een kier. Ik voelde mijn hart sneller slaan, adrenaline raasde door mijn aderen. Voorzichtig en zonder geluid te maken, liep ik naar binnen, bang voor wat ik aan zou treffen. De aanblik van Annemarie die op de bank voor zich uit zat te staren, liet de tranen geruisloos over mijn wangen stromen. Ze was terug. Of kwam ze definitief afscheid nemen? Mijn blik gleed van links naar rechts, op zoek naar een koffer.
‘Hé.’ Meer kon ik niet uitbrengen. Mijn stem klonk onvast, gebroken. Ze draaide haar hoofd om, de pijn in haar ogen was vanaf een afstand zichtbaar. Ik had haar zoveel verdriet gedaan.
‘O, hoi. Ik wist niet waar je was. Je nam niet op.’
Mijn mobiel lag ergens in huis. Ik was zonder van huis gegaan. Wat had het voor zin?
‘Sorry.’ Mijn schouders zakten naar beneden. ‘Voor alles.’ Ik moest het zeggen, als ik het niet deed, was ik haar voor altijd kwijt.
‘Ik weet het. Je hebt me echt diep gekwetst.’ Haar hoofd zakte omlaag, ze frummelde aan haar vingers. Kon ze het niet opbrengen om naar me te kijken? Was mijn aanwezigheid zo vreselijk? Het was alsof mijn hart in mijn benen zakte.
‘Kom eens hier.’ Ze klopte met haar hand op de lege plek naast haar. Hoop vlamde op. Voetje voor voetje schuifelde ik naar haar toe, bang om het moment te verbreken. Ik was bloednerveus.
‘Ik begrijp dat ik je pijn heb gedaan. Ik wil het niet, maar ik doe het wel. Het is de enige manier die ik ken, An.’
‘Dat is geen excuus, weet je. Ik heb het altijd geslikt. Nooit heb ik je in de steek gelaten, terwijl je me van je afduwt. Is het zo moeilijk te geloven dat iemand oprecht van je houdt? Altijd bij je wil zijn, ondanks de tegenslagen?’ Ze stopte, haar handen gefrustreerd in de lucht. De tranen bleven komen, ik voelde hoe ze een heet spoor op mijn wangen achterlieten. Het was de eerste keer dat ik in haar bijzijn huilde. En het kon me niks schelen, sterker nog, het luchtte juist enorm op.
‘Nee, ik wil niets liever dan het geloven. Echt waar.’ Ik durfde mijn blik niet op haar te richten. Dan voelde ik haar arm om me heen. Een gebaar dat meer zei dan duizend woorden. Met een diepe zucht liet ik mijn hoofd op haar schouder zakken. Haar warmte deed me goed. De kilte in mijn binnenste werd langzamer minder.
‘Dit is de laatste keer dat ik terugkom. Ik meen het. Ik hou van je en ik wil bij je zijn, maar het moet vanaf nu anders.’ Ze dwong me in haar ogen te kijken. Ik pakte haar handen in de mijne en knikte. ‘Ik beloof je dat ik zal veranderen. Met jouw hulp en steun lukt dat. Je bent mijn thuis, ik kan niet zonder je.’ Ik had het eindelijk gezegd. De woorden die al zo lang in mijn hart woonden. Haar warme lippen kusten het zout van mijn wangen, ik drukte de mijne op die van haar en sloot mijn ogen. Duizenden kleuren spatten achter mijn ogen uit elkaar.
‘Ja, ik ben eindelijk thuis.’

 
 
 

 

 

  • Hits: 99