Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Het appje

  • Titia Schut

“Ik ben vandaag om 14.00 uur op het strand bij Punt 18. Kom daar naar toe”.

Sanne leest het berichtje drie keer en knippert met haar ogen, maar het staat er echt. Marcel wil afspreken, maar hoezo bij punt 18, waarom juist daar? Met een vloek gooit ze haar mobiel op haar dekbed. Nee, ze gaat niet, ze blijft gewoon thuis. Ze wil daar nooit meer naar toe, omdat het gewoon niet gaat.  Met een felle beweging gooit ze het dekbed over zich heen. Het is jaren geleden, maar het lijkt alsof het gisteren gebeurde. Niet aan denken. Ze wil het vergeten, maar weet dat dat niet gaat. Elke dag schiet het wel even door haar hoofd, ook al probeert ze het weg te stoppen.

En nu stuurt Marcel haar deze tekst. Ze ziet zijn keurig geknipte donkere haren, snor en een kort ringbaardje weer voor zich. Toen ze gisteravond haar stamkroeg binnenkwam viel zijn lange, slanke gestalte haar direct op. Tegen haar huisgenote zei ze achterom over haar schouder: ‘Wil je ook een wijntje?’ Zonder op antwoord te wachten was ze al naar de bar gelopen om de bestelling door te geven. Ze bleef naar hem kijken en vroeg hem iets simpels. Zijn diepe stem verraste haar toen hij antwoordde en zijn frisse aftershave bedwelmde haar. Na een tijdje kwam haar huisgenote het gevraagde wijntje halen toen ze het maar niet kwam brengen, hoewel het al lang op de bar stond.

Met een zucht komt ze licht zwetend onder het benauwde dekbed vandaan.

Later bleek hij ook nog gevoel voor humor te hebben, maar dat was na haar eerste glas. En het lukte haar zelfs om haar telefoonnummer aan hem te geven door zijn mobiel uit zijn kontzak te pakken en met de woorden “voor het geval je contact met me wilt opnemen” had ze het nummer ingevoerd. Ze hoopte dat hij haar trillende vingers niet had opgemerkt.

Automatisch pakt ze haar toestel weer. Opeens weet ze het zeker: ze wil hem zien, ook al moet ze haar veilige thuishaven verlaten. “Oké, ik zal er zijn. Tot straks” typt ze terug. Met een bonzend hoofd staat ze op om een douche te nemen en zich aan te kleden.

 

Een paar minuten voor twee uur staat ze boven op het duin en staart naar de zee. De golven gaan door zonder te stoppen. Door het losse zand loopt ze naar beneden, maar na twee stappen voelt het zand hinderlijk aan in haar sandalen. Ze doet ze uit en loopt op blote voeten verder. De aangename zeebries laat haar jurkje om haar benen dansen en rukt aan haar blonde haren. Als kind bouwde ze hier zandkastelen en rende ze rondjes met...

‘Daar ben je. Precies op tijd.’ Hij onderbreekt haar gedachten.

Ze moet een moment focussen om terug in het heden te komen. Bij daglicht ziet hij er nog knapper uit dan gisteravond in het donkere café. Ze probeert een antwoord te bedenken, maar haar gedachten blijven blanco totdat hij alweer verder praat.

‘Fijne plek is dit, hè?’

‘Waarom wilde je hier precies afspreken?’ Ze hoort zelf hoe kortaf ze klinkt.

‘Omdat ik dan aan haar denk.’ Het klinkt als een fluistering en hij blijft over zee staren.

‘Ik denk ook altijd aan Eva.’ Ze weet meteen dat zij aan dezelfde persoon denken. ‘Maar ken ik jou, ik kan me jou niet herinneren.'

‘Ze was mijn buurmeisje. Misschien heb je me weleens gezien, maar ik was in die tijd veel te verlegen om met jullie te praten. Ik was verliefd op haar, maar dat durfde ik natuurlijk niet te zeggen omdat ik toen klein was en een brilletje had.’

Sanne kijkt hem opmerkzaam aan en volgt de trekken van zijn gezicht. Ergens vaag ziet ze iets van de kleine jongen die hij vroeger was. ‘Dus jij bent die Marcel. Jou herinner ik me nog vaag.’

Hij knikt. ‘Ik bedacht toen iets wat ik wel durfde: ik schreef haar een briefje en stopte die in haar fietstas. Er stond op dat ze naar het strand moest komen bij Punt 18 en ik noemde de tijd. Maar ik kwam te laat.’ De laatste woorden klinken als een fluistering. Zijn lange lichaam lijkt in elkaar te zakken en hij buigt zijn hoofd.

‘Wat bedoel je met: te laat?’

‘Ik was er niet op tijd, omdat moeder mij net voor sluitingstijd nog naar de winkel stuurde. Ik probeerde te vertellen dat ik een afspraak had, maar ze luisterde niet. Ze dwong me, omdat we anders zonder brood zaten. Daardoor kwam ik te laat.’

Sanne houdt haar adem in. Ze zegt niets, maar voelt dat hij nog niet uitgepraat is.

‘Ik haastte me, maar kwam toch meer dan twintig minuten te laat bij Punt 18. Ik zag haar in zee zwemmen. Het leek eerst alsof ze naar me zwaaide, maar ze graaide en zocht naar houvast.' Even stokt zijn adem. ‘Ik stormde het duin af en rende de zee in. Ik moest snel zijn en haar helpen, maar ik was te laat.’

‘Ze verdronk.’

Marcel knikt kort en trekt een grimas. ‘En ik moet leven met die herinnering.’

‘Net als ik. Ze was mijn beste vriendin en ik zat gewoon thuis toen zij ...’ Zwijgend staren ze beiden naar de golven. ‘Waarom vertel je me dit? En waarom vandaag?’

‘Omdat het vandaag precies twintig jaar geleden is.’

‘Precies twintig.’

‘Na al die jaren moet ik het aan iemand vertellen, omdat het me belemmert en erover praten lucht misschien op.’

‘We kunnen herinneringen aan haar ophalen, hoe ze was. Ik zie die korte wilde haren en het kuiltje in haar wang, en hoe ze altijd hard fietste en luid praatte.‘

‘Ja, ik hoorde haar altijd als ik in de tuin zat of in mijn kamer met het raam open.’

‘Ze ging voor me door het vuur. Als iemand ruzie met mij maakte, dan sprong zij ertussen.’

‘Ik luisterde altijd of zij de deur uit ging, zodat ik haar “per toeval” tegen kon komen. Maar als het me lukte, durfde ik niets te zeggen.’ Hij draait zijn hoofd en glimlacht flauwtjes. ‘Het is goed om over haar te praten. Dat kan ik alleen maar met jou.’

‘Waarom praten wij nu pas over haar, na zoveel jaren?’

‘Twintig jaar zwijgen is lang, dat geef ik toe, maar omdat ik je gisteravond tegenkwam in de kroeg kon ik het je vandaag vragen.’

‘Wist je wie ik was?’

‘Ja, maar pas toen je je naam zei, hoewel de kroeg geen geschikte plek was om te praten.’

‘Dus stopte je bij mij ook een briefje in mijn fietstas, of zoals het tegenwoordig gaat, stuurde je een appje.’

Marcel fluistert: ‘Vergeef me.’

‘Hoezo? Jij kon er toch niets aan doen?’

‘Ik blijf maar denken dat ik sneller had moeten fietsen of niet zo had moeten treuzelen bij de broodafdeling.’

‘Je moet jezelf geen schuldgevoel aanpraten, dat is niet nodig.’ Ze geeft hem een kneepje in zijn hand.

Zwijgend kijken ze uit over zee naar de rollende golven die blijven gaan en komen. Ze ademt met elke beweging in en uit.

‘Zullen we zwemmen?’ vraagt hij uiteindelijk.

Sanne knikt. Gelukkig heeft ze haar bikini onder het jurkje aangetrokken. Misschien is het goed om juist vandaag samen het water in te gaan, net als Eva twintig jaar geleden. ‘Ja, we gaan samen,’ lacht ze naar hem terwijl ze hem nat spettert. Ze ruikt de ziltige geur van het water en voelt zich lichter dan de laatste twintig jaar. 

 
  • Hits: 45