Skip to main content

Ontvangen inzendingen

En daarmee basta

  • Ekster Alven

We vaarden rond een scherp landtentakel, dat heel wat tijd kostte om te ronden. We doorboorden het water tussen twee eilanden. Vervolgens keerden we terug naar de kustlijn van Pumaranga, alleen maar om op een schiereiland te botsen, een Long Island dat we aan de zuidkant afschuimden tot we weer in een beschaafde connectie terechtkwamen.

De zee hoste in onze roervaardigheid met allerlei stromingen zo dicht aan land, alsof de nabijheid van vele mensen, een andere bevolking, ons deed wroeten in onze halfslaap. Gelukkig vonden we een vaarroute, waar nog andere schepen onze kapitein - Sir Saulus zijn naam - het voorbeeld gaven.

In de verte zagen we een brede, mooie riviermonding die een vaargeul herbergde, omringd met prachtige, hoge torens, alsof ze een doolhof maakten waarin je met blote voeten lopen zou kunnen.

Ik vroeg me af wat voor wortelsysteem aan de geometrische donjons en pylonen die ik zag, ten grondslag lag. Doch we gingen die monding niet binnen, we legden aan in een zeehaven waar spierblanke kades in een spiraalvorm, van bovenaf gezien tegen de klok in, een soort kunstmatig atol vormden.

We legden aan, en ik schreef nog steeds.

Dit was een vreemde plek, dit was niet mijn thuis. Ik wilde een houvast, een die me kon opbeuren. En daarom schreef ik mijn gedachten neer. Mijn feitelijke verblijf, onze tegenwoordige thuis, deinde op het water, te weten ons schip, waarop wij al zo lang vertoefden.

De hemel was helder als een diamant, met hier en daar een verdwaalde wolk nog als een foutje erin. Ik had de gestage verandering erin haast niet opgemerkt, al zag ik die nu in versnelde haast toch aan mij voorbijgaan.

‘Gearriveerd!’ riep een op het dek benende kapitein Sir Saulus vergenoegd. We gingen evenwel niet aan wal, maar gingen bij de reling staan en bewonderden het prachtige gebied dat ons hier de ogen opensperde.

Elter en ik ploften uit ontzag onze rugzakken neer, we bogen voorover bij wijze van eerbied en knielden tegen elkaar aan.

‘Die rugzakken gaan jullie niet nodig hebben in de stad,’ zei onze capitán, ‘we overnachten op de boot zelf en jullie zullen niet veel anders nodig hebben. Tenminste, als alles volgens plan verloopt.’

Ik trachtte me te verzoenen met de grime van de merkwaardige lucht die als stof in mijn haren kwam te zitten.

Ik zocht bescherming en ontferming over me bij Elter en vertrouwde hem toe dat alles me overviel, dat de geuren die ik gewaarwerd zo allerhande en veelzijdig waren dat ik even niet wist waar ik het had.

Elter reageerde, ‘Ik begrijp je, ik probeerde ooit, toen ik hier een eerste keer kwam, de vermoedens en de geschiedenis van deze nederzetting in mijn hoofd in woorden te omhelzen, ze ook te bedwelmen…’

‘Bedwelmen?’ schrok ik. God wist waarom.

‘Ja,’ vervolgde Elter, ‘in de breedte van de atmosfeer die hier leeft en tegelijk in touwen hangt, gezien ook hier met rasse schreden een vermeende vooruitgang paaltjes in de grond wil slaan ter afbakening van domein en eigendom.’

‘Oh?’ opperde ik.

‘Euh… ja.,’ zei Elter, ‘Weet je, ik zou kunnen praten over doctoring en processing, over genezing en incubatie… maar ik heb al te veel gezegd. Dat ligt allemaal nog in de toekomst. Hoe dan ook, wees niet bang, dit is een land vrij van prikkeldraad. Zeg me eens, wat ben je eigenlijk aan het doen?’

‘Ik ben aan het schrijven,’ antwoordde ik.

‘Gut,’ glimlachte Elter, ‘Maar waarom op papier? Wij hebben toch leren spreken, én schrijven, via een circuit dat in onze apparaten berekeningen maakt, met adaptaties tijdens… wel, ín de software zelf?’

Ik schudde mijn hoofd en zei, ‘Ik hou van correcties achteraf, wanneer er hele resultaten, hele zinnen en de verdeling van woorden nog eens op de korrel worden genomen. Het is niet omdat we ons laven aan technologie, dat we met handschrift en doorhalingen, met pen en inkt, of desnoods met een typmachine, dat we zo niet andere details aan een oppervlakte mogen laten komen. Ik vind dat er ándere opwellingen een plaats krijgen bij een schrijven op papier. Daarom doe ik het. Het is niet omdat een technologisch medium onze gedachten kan vatten aan de snelheid dat we ze ontwikkelen, dat we ze niet mogen registreren op papier. Met onze mobieltjes en polsimplantaten pennen is gewoon heel anders, het rijm en het ritme ligt gewoon heel...’

‘Voor mij is het allemaal een beramen en een fingeren, zo op een blad papier,’ zei Elter.

Ik begreep deze jongen niet. We waren zo ver van huis. Wat was dat, een thuis? Ik kon toch vluchten in mijn tekst? Konden geschreven woorden niet een thuis zijn, een troost, een veilig onderkomen voor me betekenen, voor mij als expat, als reiziger, voor mij als pelgrim, als passagier?

Elter zag het golvende terrein van de zee als het op en neer gaan van gevoelens die opbolden bij de minste blijk van vertrouwen die je ze verleende, en dan weer inzakten als een pruimenpudding wanneer je er een zeker aspect van in ogenschouw nam. Die een hertengewei dragende strepen van zilt aan onze boeg maakten een nieuwsgierig beeld van willekeur en van iets zonder enige grond denkbaar.

Ze maakten een gevoel van dupliciteit zichtbaar, een verantwoording die ik bij mezelf moest afleggen voor een keuze voor zoiets louter accidenteel en bijkomstig als een engagement met Elter.

Hoe kon hij me in het reine laten komen met hem, als ik er niet aan dacht een jongen van een zo verschillende - want concrete en notoire - background in mijn leven te laten peuteren, terwijl het duidelijk was dat mijn hele beleving als meisje grotendeels terra incognita was voor een euh… logicus als hem.

En dat beviel me niks.

Het water van de zee liet kond de ronde doen van dit hartstochtelijke ravijn waarin we met elkaar deze dans van desinteresse naleefden, maar dan met de hartstocht van een gevit en gebikkel rond onbegrip en het zich niet willen verdiepen in elkaar.

Ik verwonderde me nog eenmaal over de viscociteit van de stenen, broedende massa die ik voor me zag, de zee die bij stormweer zou veranderen van deze onthutsende vallei in een kolkend voorgebergte.

Zou er echt beroering ontstaan op de oceaan, dan was het goed op tijd aangemeerd te zijn, want oog in oog met het catastrofale van ontij kon alleen, zo vanaf een schip, berusting geruststelling voortbrengen.

Het was typisch aan een oceaan - zo vaststellingen erover er al toe deden - dat in haar ballet van water en ondergewicht een ondoordringbaar net verstrikt zat dat niet los te tornen viel.

Zo zat er ook een mazennet in mij, met name dan aangaande de kwestie hoe ik me moest voelen naast en aangaande Elter. En Elter zág dat, tot mijn grote ontreddering. We waren nu helemaal gewichtloos geworden, we hadden zeebenen gekregen. De zee nam geen genoegen met vermoeidheid, zelf bezat ze een onuitputtelijke reserve aan krediet en bravoure, zo leek het wel.

Ik schreef.

Alleen outer space was voor de oceaan een spiegel, en wat daarin verborgen lag, was zo duister, variërend en onherbergzaam dat het voor weinigen weggelegd was er zich een begrip rond te vormen, om maar te zwijgen over de mogelijkheid dat er ook daar, in dat luchtledige, rivieren of rotsketens te lezen waren.

- Het een stoffelijke vorm aannemen van de diepe ruimte van een ziel die een oceaan tenslotte was, dát was waar ik mee bezig was! En daarmee basta.

 
  • Hits: 132