Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Een zee van tijd

  • Tessa Brandsen

Met een diepe zucht laat ik mijn rugzak in het zand vallen. Ik trek mijn schoenen uit en sluit mijn ogen. De frisse zomerwind kriebelt door mijn haren. Als ik mijn voeten heen en weer wiebel, voel ik het warme zand tussen mijn tenen kruipen. Met mijn ogen dicht komen de geluiden anders binnen. Het krijsen van de meeuwen klinkt scheller. Eenzaam haast wel. Alsof ze weten dat vandaag alles zal veranderen. Het ruisen van de golven lijkt door te dringen tot aan mijn ziel en brengt me iets dichter bij mezelf. Ineens komt er een beeld van vroeger bij me op. Het is bijna net zo scherp als op de dag zelf.

Een klein meisje rent kirrend over het strand. Haar lange blonde haren wapperen achter haar aan. Haar armen slaan op en neer als een vogel en haar kleine beentjes rennen zo snel als ze haar kunnen dragen. Ze schatert het uit van plezier, terwijl ze tussen de meeuwen doorrent. Een van de meeuwen heeft een beschadigde vleugel. De andere meeuwen pakken zijn eten van hem af. Ze beseffen zich dat hij niet sterk genoeg is om terug te vechten. Nieuwsgierig loopt het meisje naar hem toe. Uit de zak van haar jurk haalt ze wat broodkruimels en ze strooit ze voor hem uit. ‘Ik noem jou Joe,’ zegt het meisje, met haar hoofd wat schuin. Lachend rent ze verder.

Als ik mijn ogen open zijn er verschillende meeuwen rondom me neergestreken. Iets verderop zit een meeuw me aan te kijken, zijn kop een beetje schuin. ‘Hai Joe,’ zeg ik, terwijl ik wat kruimels voor hem neerstrooi. Al die jaren ben ik naar het strand blijven komen om hem te eten te geven. Ik ren tegenwoordig niet meer lachend tussen de meeuwen door. Lachen doe ik überhaupt niet veel meer. Mijn blik rust even op de lamme vleugel van mijn oude vriend. Dan verplaatsen mijn ogen zich naar de krassen op mijn eigen linkerarm. Sommige zijn al oud en steken inmiddels wit af tegen mijn gebruinde huid. Sommige zijn nog vers en vurig rood. ‘Wat lijken we toch op elkaar hè Joe?’ zeg ik. Het grote verschil is natuurlijk dat Joe niet zelf heeft gekozen voor zijn verwondingen en ik wel. Of nou ja, heb ik wel écht een keuze? Het moment dat het scheermesje mijn huid raakt is mijn hoofd even stil. Dan, en alleen dan, stopt het gegil in mijn hoofd. Het is alsof de fysieke pijn me afleidt van de mentale pijn. Al is het maar voor even.

De trigger verschilt per dag; een klap, een gil of gerinkel van glas. De reactie is elke keer hetzelfde. In een flits ben ik terug in de auto. Mijn ouders voorin, mijn jongere zusje naast mij. Op weg naar huis na een dagje strand, samen zingend en grapjes makend. Mijn vader draait zich lachend naar mij om, een fractie van een seconde maar. ‘Pas op!’ gil ik. Dan lijkt alles in slow motion te gaan. De vrachtwagen die frontaal op onze auto klapt. Het geluid van gebroken glas. Onze auto die eerst op zijn zijkant belandt en vervolgens op zijn dak. De stukjes glas die door de auto heen vliegen. Mijn ouders en zusje die door elkaar worden geschud. Het gillen van mijn zusje. De klok op het dashboard, 20.18.

Dagen later werd ik wakker in het ziekenhuis. Alleen. De zusters waren super lief voor me. Er was maar één ding dat ik wilde weten; hoe ging het met mijn ouders en zusje? Ze zeiden dat ik moest wachten tot de arts kwam, al spraken hun gezichten boekdelen. Toen de arts eindelijk kwam en die verpletterende woorden uitsprak, barstte ik in tranen uit. Urenlang heb ik gehuild. Geluidloos. Tot ik geen enkele traan meer leek te bezitten.

Ik was toen net achttien. Volwassen. Dus zodra ik volledig was hersteld, stuurden ze me naar huis. Ik was immers in staat om voor mezelf te zorgen.

Nou is dat in theorie natuurlijk ook zo. Mijn ouders hebben mij al op jonge leeftijd leren koken. Sinds mijn zestiende doe ik zelf mijn was. De erfenis is hoog genoeg om van rond te komen. Ik ben inderdaad in staat om voor mezelf te zorgen. Maar niemand heeft mij gewaarschuwd voor de stilte. Die eeuwige stilte. Als ik uit school kom. Tijdens het eten. Bij het inruimen van de vaatwasser. Elk moment dat ik alleen ben - en dat zijn er veel tegenwoordig – hoor ik nog maar twee dingen. Die oorverdovende stilte en dat eeuwige gegil. En ik kan het geen dag langer meer aan.

Dus heb ik vanmiddag de voordeur op slot gedraaid en een envelop door de brievenbus van de buren gedaan. Erin zit een gedetailleerde tekening van een meeuw. Elk vlekje, elk veertje heb ik precies nagetekend, zodat ik zeker weet dat ze hem zullen herkennen. Wekenlang ben ik er mee bezig geweest. ‘Zorg alsjeblieft voor Joe,’ staat met een zwarte pen op de envelop geschreven, de letters gedeeltelijk uitgelopen door de tranen.

Hier sta ik dan, bij een ondergaande zon op een verlaten strand. Mijn lievelingsplek. De plek die mij nog steeds herinnert aan vroeger. Of aan ‘ervoor’, zoals ik het zelf altijd noem. Ik haal nog een keer diep adem en loop vastbesloten de zee in. Het water voelt heerlijk koel aan mijn lijf op deze warme zomerdag. De golven trekken aan de zoom van mijn jurk. Het zoute water kriebelt mijn huid, als een liefdevolle omarming. Inmiddels ben ik zo ver, dat mijn voeten de bodem bijna niet meer raken. Met een ferme borstcrawl zwem ik verder van de kust af. Na een paar minuten stop ik, lichtelijk buiten adem. Ik draai me om en werp een laatste blik op ‘mijn’ strand. Even word ik overspoeld door emoties. Dierbare herinneringen komen bovendrijven, maar ook de rauwe pijn van het verlies. Ik werp een blik op het horloge dat ik vandaag symbolisch om mijn pols heb geplaatst. Het horloge van mijn moeder zal voor altijd op 20.18 blijven staan. Dan sluit ik mijn ogen en laat me onder water zakken.

Terwijl ik dieper en dieper zink komt er een rust over me heen, die ik in geen jaren heb gevoeld. Ik verbaas me hoe sereen stilte ook kan zijn en neem het dankbaar in me op. Na een tijdje begint mijn lijf zich te verzetten. Het snakt naar zuurstof. Vanuit puur instinct probeer ik weer boven te komen, daar waar de frisse lucht is. Maar ik heb me al te diep laten zakken en mijn lichaam is te vermoeid van het zwemmen. Tenslotte kan ik niet anders dan me overgeven en naar adem te happen. Het zoute water brandt in mijn longen. Mijn hele lichaam staat op scherp en ik dreig in paniek te raken. Dan zie ik in mijn ooghoek ineens iets bewegen. Als ik mijn hoofd draai zie ik ze, in een baan sprookjesachtig licht. Mijn ouders en zusje. Zo dichtbij dat ik ze bijna aan kan raken. Ze kijken me liefdevol aan en wenken me. Mijn lichaam ontspant zich en er verschijnt een glimlach rond mijn mond. Het is me gelukt, ik heb ze gevonden. En terwijl ik steeds verder de diepte in zak, voel ik me eindelijk weer thuis.

 
  • Hits: 44