Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Een geluk bij een ongeluk

  • Lucy Neetens

Een geluk bij een ongeluk

‘Heeft u zich pijn gedaan? Zal ik u even thuisbrengen?’ Geschrokken kijkt Jorien naar de oude man die moeizaam overeind krabbelt na een botsing met een fatbiker. De bestuurder van de fiets – de jongen leek niet ouder dan een jaar of twaalf – is, godbetert, zonder omkijken doorgereden. In alle consternatie heeft Jorien niet goed op die fietser gelet. Al haar aandacht ging uit naar de ondersteboven gereden man. Als de hulpdiensten moeten worden ingeschakeld, kan ze dus geen duidelijk signalement van de dader aan de politie geven. Zwarte hoodie. Zwarte fiets. Pfft. Daarvan zijn er tientallen. Aan zo’n omschrijving heeft de politie helemaal niks. Ze is een getuige van likmevestje. Hopelijk valt de schade mee en zijn de hulpdiensten niet nodig.

De man reageert niet. Hij is inmiddels weer op de been, maar hij kijkt Jorien niet aan. Integendeel. Onafgebroken staart hij naar het puntje van zijn versleten gympen.

‘Gaat het wel, meneer?’ Misschien is de man in shock. ‘Zal ik één-één-twee bellen? Kunt u mij zeggen hoe u heet, waar u woont? Moet ik iemand informeren over uw ongeluk?’

Lieve hemel, wat een bemoeial is de vrouw die getuige was van zijn val. Ze bedoelt het ongetwijfeld goed, maar … Thuisbrengen? Hij heeft verdomme helemaal geen thuis. Die baal smoezelige dekens onder het viaduct kun je toch nauwelijks een thuis noemen.

Jorien vist haar mobiel uit haar kontzak.

‘Nee, nee, dat is echt niet nodig. Het gaat alweer. Ik ben Toine.’

Jorien steekt haar telefoon terug in de zak van haar jeans, bukt zich om de rollator van Toine overeind te zetten en loopt enkele meters achter de rollator heen en weer. Het apparaat lijkt nog naar behoren te functioneren. ‘Kom, ik breng u naar huis. Of weet u wat? Ik woon hier schuin aan de overkant. Zal ik een kop koffie voor u maken? Dat helpt misschien een beetje tegen de schrik.’

Toine staat niet te trappelen om met deze spraakwaterval mee te gaan, maar een gratis kop koffie afslaan …

Pas als de man in haar keukentje staat, valt Joriens oog op zijn smoezelige kleding. Doet ze er wel goed aan deze man in haar huis te verwelkomen? ‘Ga zitten.’ Jorien schudt de twijfel van haar door zorgen gekromde schouders, wijst Toine op een van de keukenstoelen en drukt op de startknop van haar koffiezetapparaat. ‘Blieft u er ook een stukje appeltaart bij?’

Toine voelt zijn mondhoeken omhoog kruipen. Koffie en taart. Zijn dag kan niet meer stuk.

Een paar minuten later zitten ze zwijgend tegenover elkaar. Toine roert in zijn koffie, inhaleert het aroma, neemt een eerste teug van het heerlijke brouwsel en doet een schietgebedje: laat die vrouw – heeft ze zich eigenlijk al voorgesteld? – alsjeblieft, alsjeblieft haar mond houden tot hij de bodem van zijn kopje heeft bereikt.

Het ontgaat Jorien niet dat de man van zijn traktatie geniet. Met gesloten ogen slurpt hij de vloeistof, slokje voor slokje, naar binnen. Haar ogen dwalen over zijn gezicht. Nu ze de man wat beter bekijkt, lijkt hij jonger. Werd ze in de war gebracht door die rollator? In de jas van de man zitten scheuren, zijn broek zit vol vlekken. Zal hij, net als haar jongste zoon Finn … Zal Toine aan de drugs zijn? Zijn gedrag wijst daar niet op. Finn was als hij gebruikte altijd een beetje hyper, hij transpireerde, zijn ogen schoten voortdurend alle kanten op en vaak trilden zijn ledematen ongecontroleerd. Toine oogt rustig en tevreden, al valt natuurlijk nog steeds niet uit te sluiten dat de beste man in shock verkeert.

‘Blieft u nog een kopje?’

Toine knikt.

‘Waar woont u?’

Toines blik dwaalt naar het rood geruite tafelkleed en blijft daar lang op rusten.

‘Bent u verslaafd?’ probeert Jorien.

De man schudt zijn hoofd ontkennend.

‘Dakloos?’

Nu kijkt Toine haar aan. Jorien leest het antwoord in zijn ogen. ‘Het zijn natuurlijk mijn zaken niet, maar hoe is dat zo gekomen?’

Toine haalt zijn schouders op. ‘Ik had schulden. Mijn vrouw had genoeg van mij en van de ellende waarin ze, door mijn toedoen, verzeild was geraakt. Ella verdiende dit niet. Ik ben van huis en haard vertrokken uit liefde voor haar. Van het een kwam het ander. Op straat verloeder je. Mijn werkgever wilde me in mijn huidige staat niet langer in dienst houden. Enzovoort.’

‘Och, arme.’ Als een langspeelplaat die blijft hangen draaien de woorden “op straat verloeder je” rond en rond in haar gedachten. Jorien had Finn de deur gewezen. Omdat hij alles wat los en vast zat stal en verkwanselde. Omdat hij haar huis in een zwijnenstal veranderde. Omdat ze door zijn agressieve gedrag elke dag bang was de Rijdende Rechter in de straat te zien verschijnen om burenruzies te beslechten. Omdat hij haar al twee keer alle hoeken van de kamer had laten zien. Toch bekruipt haar nu een schuldgevoel. Als haar gedrag tot Finns einde zal leiden … Kan ze het tij nog keren? Pfft, ze weet niet eens waar haar jongen tegenwoordig uithangt. Ze weet verdorie niet eens zeker of hij nog leeft, al neemt ze aan van wel; er is immers nog geen politie aan de deur geweest.

‘En die rollator?’

‘Die stond bij het grofvuil. In het mandje kan ik flesjes en blikjes verzamelen. Van het statiegeld koop ik brood en beleg.’

Joriens gedachten dwalen opnieuw naar Finn. Loopt hij ook de prullenbakken af op zoek naar blikjes en flesjes om geld te hebben voor eten, drinken of drugs? Of is hij in het criminele circuit terechtgekomen? Als de jongen in de gevangenis belandt, zal ze daar toch zeker wel over geïnformeerd worden?

‘De koffie wordt koud.’ Toine knikt in de richting van het koffiezetapparaat.

Met zijn woorden haalt hij Jolien terug naar het hier en nu. ‘Ja. Ik … Sorry.’ Ze staat op en zet de koffiekop voor hem neer. ‘Waarom … Waarom slaapt u eigenlijk niet bij de daklozenopvang?’

‘Als de temperatuur tot onder het vriespunt daalt, kan ik daar terecht.’

‘Hmm.’ Als ze nu eens … ‘Meneer, als u wilt … Mijn zoon woonde vroeger in het tuinhuis. Dat staat nu leeg. Er is een toilet, er is een piepkleine doucheruimte en er staat een bedbank. U mag daar wat mij betreft wonen.’

Toines mond valt open. Hoort hij het goed? Hij knijpt in zijn arm. ‘Bedoelt u …?’

Jorien glimlacht en bestudeert de man nog eens goed. Hij is misschien wat magerder dan Finn, maar met wat kunst en vliegwerk … ‘In de kast in het tuinhuis hangen kleren. Neem gerust een kijkje.’

‘Maar … waarom?’

‘Omdat ieder mens een veilige plek, een warm thuis verdient.’ Omdat wie goeddoet goed ontmoet? Nee, dat niet. Wel omdat ze hoopt dat er ergens op de wereld ook iemand rondloopt die haar jongen een nieuwe kans wil geven.

Koffie, taart en een dak boven zijn hoofd. Toine straalt. Hij mag die fatbiker wel dankbaar zijn. Met zijn wildemans vaart gaf hij hem een kans op een nieuw leven. En zo wis en waarachtig als hij Toine van der Zuilen heette … Hij gaat deze kans pakken.

‘Bedankt, eh …’

Jorien steekt haar hand uit. Toine werpt een snelle blik op zijn handen, beoordeelt ze als schoon genoeg en beantwoordt haar gebaar.

‘Ik ben Jorien. Jorien Dahlmans. Aangenaam Toine …’

‘Toine van der Zuilen.’

‘Op betere tijden, Toine van der Zuilen.’

Er glanst een traan in Toines ooghoeken. Hij laat Joriens hand los, pakt zijn koffiekopje op en maakt een proostend gebaar. ‘Op betere tijden.’

 
  • Hits: 33