Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Drrao

  • Wim Slierendregt

Drrao

‘Zwart … zwart … zwart.’ De gele lichten, de alarmbellen: dit was geen oefening. Ik liet alles vallen. Hoofden die verbaasd uit cabines keken, zouden het niet redden. Achter me dreunden de luchtsluizen dicht en met een schok maakte de kerneenheid zich razendsnel los van het moederschip. De stoel haalde ik niet en tegen de wand moest ik, met pijnscheuten, de druk opvangen. Pas bij de rand van de dampkring van deze vreemde planeet liet de Eerste het schip drijven in het luchtledige. Op dat moment vroeg ik me af of we ooit thuis zouden komen. Dat was afhankelijk van wie het gered hadden. Opgelucht telde ik zeven blauwen, wat moesten we zonder onze technici? Zes lichtgroenen hadden zich eveneens in veiligheid gebracht. Daar keek ik niet van op, die biologen konden snel beslissingen nemen. De Eerste en ik waren de enige twee roden, wat inhield dat de beslissingen op onze schouders lagen.

Zelfs vanuit de ruimte waren de gevolgen duidelijk zichtbaar. De vuurbol van het inslaande moederschip had bosbranden veroorzaakt tot ver in de wijde omgeving. Een groene schatte dat de drukgolf twintig kilometer in de omtrek, misschien meer, dodelijk was voor alles wat leefde.
Ik keek, maar zag het niet echt. Net als de anderen, vermoedde ik. De stilte was er een van verdriet. In de honderd jaar dat we onderweg waren, was de bemanning familie geworden en nu was ik dertig van mijn zusters kwijt.

Een week later was het gat van de inslag nog steeds onzichtbaar. Niet door rookwolken, maar door verdampend water wat het gat instroomde.
De Eerste zei: ‘Ondanks dat slechts vijftien van ons over zijn, blijft onze opdracht in stand: kunnen we leven op deze planeet? De lucht is veilig en we moeten onze voorraden aanvullen. Ik wil dat een verkenningseenheid op onderzoek gaat. Veel leven zal er rond de krater niet meer zijn. Dat hebben we op ons geweten. Zijn er opmerkingen?’
Niemand reageerde, ook wij kenden het belang van onze reis. Met tienduizend van ons en het beperkte aantal vulkanen was onze planeet overbevolkt. Een ruimteschip uitsturen op zoek naar bewoonbare planeten was een logische beslissing. Dagou, wat miste ik de roze luchten, de thermiek en het duiken in een lava-uitstoot.
De Eerste ging verder. ‘We landen voorlopig niet. Eerst moeten we zeker van de veiligheid zijn voor we voet op de grond kunnen zetten. Neem met de grijparm monsters mee. Vrijwilligers?’
Twee vrouwen stapten naar voren.

‘En?’ wilde de Eerste weten.
‘We hebben eerst de krater bekeken. Die is een paar honderd meter diep,’ zei Lisa. Marit vulde aan. ‘Naar overlevenden of schipresten hebben we niet gezocht. De krater loopt langzaam vol, water is niet echt een vriend van ons.’
Wat iedereen opluchtte, waren de drie vacuüm gezogen zakken groen in hun handen. De hoofdbioloog legde er direct beslag op en een dag later kregen we het verlossende woord ‘eetbaar.’

Ook na een jaar vonden we het te riskant om de kerneenheid te laten landen. Als er iets fout ging, kwamen we nooit thuis. Als het niet regende, maakten we verkenningsvluchten. Van een hoogte van een kilometer of twee zweefden we zelf vanuit de zoekeenheid omlaag. In de uitgestrekte groene bossen waagden we ons niet: er was geen ruimte om op te stijgen. Het strand langs de kust vonden we veilig. Op het natte zand van net voor de vloedlijn liepen we graag. Het deed ons denken aan de zwarte lavastranden van onze thuiswereld. Deze stranden maakten ons opgewekt: hier konden we leven.

Het gebied van de inslag had een klamme warmte. Hier werden we niets wijzer. Noordwaarts vonden we vulkanen. Dat gaf hoop. Nog verder in het noorden kruisten we een immense woestijn voor we een binnenzee overstaken. Ook in het gebied daarboven vonden we vulkanen. Dit bood perspectief. In groepjes van vier genoten we van de thermiek met af en toe een duik door een lava-uitbarsting. Wat was het heerlijk om het vuil van de reis van mijn lijf te branden. Op zo’n moment betreurde ik dat mannen nooit mee mochten op een ruimtevlucht. Dat gaf te veel gehannes onderweg. Op onderlinge gevechten om een mannetje zat geen enkele Eerste te wachten.

Met vulkanen maakte de planeet een goede kans, was de algemene conclusie. De vraag was: wat voor leven kende deze groene wereld? Bij de vulkanen vonden we geen leven van belang. We moesten opnieuw naar het zuiden.

Geelkleurige vleeseters met een haremstructuur vonden we als eersten. Het verschil met ons was dat het mannetje hier de sterkste was. De grote grijze beesten, we noemden ze de eetslurven, maakten eveneens indruk. Als dit het niveau van leven was, namen we de planeet in bezit. Gezien de vrolijke sfeer aan boord, was ik niet de enige die zo dacht. Echter, conclusies trokken we pas als we alle feiten kenden.

Met de terugkomst van de zuidelijkste verkenningsgroep was in een klap de vrolijke sfeer weg. Het bedrukte gezicht van Lisa sprak voor zich en haar uitleg verwoordde het. ‘We vlogen naar de inslag en zagen dat de modderstromen omlaag de resten van ons schip onvindbaar hadden gemaakt. Op de rand liepen kleine groepjes wezens. Een beetje onbeholpen, alsof ze niet gewend waren op twee benen te lopen. Lange benen en korte armen. De mannetjes waren over het algemeen groter dan de vrouwtjes. Eerst gaven we ze geen aandacht. Deze beestjes waren immers geen partij voor de gele vleeseters. Wat ons van mening deed veranderen, was hun gedrag aan de richel. Ze gooiden een ander dier naar beneden en maakten gebaren van eerbied. Dat leek te wijzen op bewustzijn en we besloten ze te volgen. In een grot met een groot open plateau ervoor vonden we meer van deze wezens. Ze gebruikten gereedschap en beschermden hun jongen. Ze gromden tegen elkaar en begrepen wat de ander bedoelde. Voor de gele vleeseters toonden ze geen angst. In tegendeel, de rechtoplopers verjoegen de gelen met brandende takken. Voor de eetslurven waren ze net zomin bang. Hun gedrag verbijsterde ons: ze joegen een beest in een kuil en doodden het. Echt verbazingwekkend.’
Lisa zweeg en lang bleef het stil tot de Eerste sprak. ‘We hebben denkend leven gevonden, ook al is het primitief. Deze planeet mogen we niet in bezit nemen.’ Toen de kakofonische ruziestemmen zwegen, bleek dat een groep instemde met de Eerste, de tweede groep niet. Marit trad op als hun woordvoerder. ‘De rampzalige landing van ons moederschip heeft veel doden tot gevolg gehad. Vermoedelijk ook van die primitievelingen. Dan kunnen we net zo goed de rest ook uitroeien.’
De stemming van zeven tegen zeven betekende dat ik, als laatste, de doorslag moest geven. ‘Voor alle twee de standpunten is wat te zeggen. Ik heb tijd nodig. Breng me in de verkenner naar beneden tot een kilometer hoogte.’

Als ik een antwoord wilde vinden, moest ik de rechtoplopers observeren. Ondanks dat ik drie keer cirkelde en rustig landde, gaf mijn komst commotie onder de primitievelingen. Het duurde een halve dag voor een mannetje tevoorschijn kwam. Eerbiedig buigend legde hij een voorwerp tien meter voor me. De grom ‘Drrao’ begreep ik niet. Het gebaar ontroerde me en zonder het te weten gaf dit primitieve wezen me het antwoord.

In de kerneenheid liet ik de steen zien met daarin de grove krassen van onze vuurspugende vorm. Zonder iets te zeggen, nam iedereen haar plaats in en de Eerste gaf het bevel tot vertrek.

 
  • Hits: 46