Skip to main content

Ontvangen inzendingen

De terugreis

  • Tjade Witmaar

Laat in de avond vertrokken, Theo’s buren in ruzie achterlatend. Je kon ze door de muren horen. En toen we buiten kwamen, konden we de ficus achter hun ruiten zien trillen. We moesten er allebei zo om lachen.

Toen de bus dan eindelijk arriveerde, sloot de chauffeur de deuren van de ingang voordat ik helemaal binnen was. Volgens mij deed hij dat expres. Ik zei er toch maar niets van. Soms kan je beter de vrede bewaren.

Zodra ik me omdraaide zag ik een man waarmee ik anders vast nog diezelfde nacht in bed geëindigd zou zijn. Tegenwoordig wordt ik daar wat introspectief van, ik weet niet hoe dat zit. Misschien komt het omdat ik me voorgenomen heb dat ik het eigenlijk niet meer wil. Maar wil ik het ook echt niet meer? Gelukkig werkten de omstandigheden ook niet mee: er zat iemand naast hem. Ze hield teder zijn hand vast.

Nu ben ik dan hier en hij heel ergens anders, waar die ander vannacht wel eens heel goed met hem in bed zou kunnen eindigen. Liever denk ik daar maar niet aan.

Ik zit nu in de trein. Het is net of ik op reis ben, ver weg, naar een ander land. In het donker lijken de zandheuvels langs de rails net sneeuw. Het zou misleidend kunnen zijn als het winter was geweest. De cabine, waar ik ben, is leeg. Er zitten alleen twee donkere jongens tegenover me. Ze lezen in een melig blaadje vol ezelsoren dat ik wel vaker in treinen tegenkom. Of doen alsof. Soms kijken ze steels naar me, alsof ze iets van me willen.

Theo heeft het dus toch gemerkt. En het al die tijd maar ingeslikt. Hij is ook zo introvert. En daarnaast zo voorzichtig met me. Alsof ik breekbaar ben. Maar het kon niet anders dan dat hij er eens over zou beginnen.

‘We moeten eens praten, denk ik.’

Vooral dat ‘denk ik’ deed het hem. Ik wist meteen wat er komen ging. Daarom blokkeerde ik, wist ik niet goed wat te antwoorden. Ik was dan ook de eerste, die wegkeek. Misschien dacht ik dat als ik hem niet zou zien hij verder wel zou blijven zwijgen. Struisvogelpolitiek natuurlijk. Maar hij trok me toch weer terug naar het onderwerp.

‘Er gaat iets niet goed tussen ons. Al een tijdje. Je zult het vast gemerkt hebben.’

Ik bleef hem nu aankijken. Zijn anders zo helderblauwe ogen werden opeens troebel, alsof er een gordijntje voor getrokken werd. Theo is niet zo’n prater en misschien hoopte hij dat ik hem wat zou helpen. Maar het enige wat ik deed was de gloeiend hete koffiemok omklemmen, die voor me stond.

Hij keek naar zijn handen, die op de tafel lagen en elkaar nerveus bevingerden.

‘Het laat me niet los. Misschien mist onze relatie diepgang, moeten we ertoe bereid zijn om een drempel te overschrijden. Want ik ben tot de conclusie gekomen dat het eigenlijk niet meer dan logisch is. We zien elkaar te weinig. En de weinige keren dat we elkaar zien dan praten we over zaken waar de ander niets vanaf weet. Onze levens gaan zo volkomen langs elkaar heen.’

‘Ik begrijp het,’ lispelde ik.

Maar begreep ik het echt?

Ik heb er wel alles aan gedaan, binnen mijn mogelijkheden dan. Maar het lukt me steeds maar niet. Ik weet het, het komt vast door mij. Ik ben degene, die niet kan aarden. We zijn misschien te verschillend. Hij in een dorpje, ik in de grote stad. Hij in een vaststaand ritme, ik volledig losgeslagen. Hij zo kalm en bedachtzaam, ik zo rusteloos en impulsief. Hoe maak je dat allemaal passend?

‘We zouden kunnen trouwen.’

Ik keek hem opnieuw aan. Toen kreeg ik opeens de slappe lach. Ik weet nog steeds niet wat er gebeurde. Ik wilde het echt niet, maar ik bleef maar lachen. Theo grinnikte ook wat, om een houding te geven. Hij wist denk ik niet goed wat hij ermee aan moest.

Toen ik uitgelachen was bleven we lang zwijgen. Erg lang. Ik begon me er zelfs een beetje ongemakkelijk bij te voelen. Daarna keek Theo op zijn horloge en stond op. Het was tijd. En bij de bushalte gaf hij me een kus. Ik was daar erg dankbaar voor. Misschien heb ik hem pijn gedaan. Maar een kus liegt niet. Het is iets tastbaars, veel tastbaarder dan woorden. Misschien moet ik toch eens bij mezelf te rade gaan wat ik precies van de liefde verwacht.

Het laatste wat ik nog zei was dat ik blij was hem te kennen. En dat is ook echt zo. Ik wil het hem zeker niet kwalijk nemen dat hij van me houdt. Maar het probleem is dat ik altijd heb gezocht en nooit heb gevonden. Totdat ik toe begon te geven dat mijn zoeken tevergeefs zou zijn, wat ik ook zou doen. Misschien omdat ik niet wist wat ik eigenlijk zocht. Ik heb de mensen lang als een bedreiging gezien, hen geminacht om hun slechtheid, hun opportunisme. Soms kijken ze naar je zonder je te zien, maar meestal verwachten ze wel iets van je. Zo gaat dat in elk geval in mijn leven. Iedereen verwacht wel wat van me. Sommigen geven me daarom drankjes totdat ik zo dronken ben dat ik geen eigen wil meer heb. Anderen brengen me expres naar een verkeerde bestemming, meestal een verlaten en donkere plek waar je weinig keus meer hebt. Weer anderen bedriegen me, niet met een ander maar vooral met zichzelf. En hun echtgenotes zich maar ervan vergewissen dat zij een beter pad bewandelen dan ik, degene die ze zo innig haten. Maar het enige verschil tussen hen en mij is dat zij met hen getrouwd zijn, en ik weet echt niet of dat nou zo’n pluspunt is.

Goed. Ik laat het leven mij leiden, de keuzes voor me maken en zie wel waar ik uitkom. Het eindigt natuurlijk altijd met waar ik nooit heb willen uitkomen, in labyrinten, relaties, die op niets uitlopen, en alcohol. Theo hoort daar niet in. Hij is anders. Hij is als een Rembrandt in een huis, waar de mensen op sinaasappelkistjes zitten. En misschien juist omdat ik bang ben hem kwijt te raken, doe ik er alles aan om dat angstbeeld uit te laten komen.

Lichtjes schitteren in de verte. We komen de stad binnen. Mijn stad. Niemand wacht daar op me. Ik ben er thuis, maar als ik er niet zou zijn dan zou niemand het opmerken.

 
  • Hits: 129