Skip to main content

Ontvangen inzendingen

De dromer

  • Moritz Leerink

Ik heb deze regen al te veel gezien. De regendruppels kletteren tegen het raam aan, alsof ze een rondgang maken voor het verspreiden van hun verdrietige nieuws. ‘Kijk, het is tijd om wakker te worden,’ zeggen ze, terwijl ik gapend de dag uitrek. In de verte van mijn uitzicht worden ze steeds kleiner en hoe verder ik kijk in mijn toekomst, hoe meer mijn uitzicht vervaagt. Ik voel me gekleineerd door de groteske regenval van de vroege zomer en ik word uitgelachen door de machtige natuur, die mij insluit als een beestje. Ik blijf binnen. Ik woon in een psychiatrisch ziekenhuis, waar de grijsheid van de gezichten verraad hoe ze zich voelen. De behandelaars vertellen met hun grimas hoe ze mij opeten en met hun razende computers tonen ze de onmetelijkheid van hun macht. Ze sluiten me in met hun woorden, ze strooien hun kennis als hagelstenen over me uit.

Mijn beste vriend is het geloof, want daar kan ik naar luisteren als een zee van ruimte waarin ik alleen het woord heb. Mijn God geeft me een leidraad voor het leven in deze wereld. Mijn metgezellen hier zwijgen meestal als ik het woord neem en ik vraag me af waarom. Het lijkt dat ze mijn woorden van zich afvegen, net als een vuile veeg as. Dan kijk ik om naar God, in de sluimerende toestanden van mijn cel, en ik ontwaak weer.

Dan verlang ik naar huis, waar mijn vader elke dag een liefdevolle maaltijd kookte. De borden werden leeggegeten en de pan werd uitgekrabd. Daar hangt de was buiten te drogen sinds een paar dagen. Er hangen de takken van een grote eik over de ganse tuin heen, die gruwelijke schaduwen werpt wanneer het zomer is. De vloer in de keuken is bevuild door de kriskras van onze vieze voeten en de kat springt de tuin in met veel bravoure. Daar is mijn broertje chagrijnig, mijn zusje opstandig en mijn moeder ligt te zonnen in de tuin. Ze leest in de zomer een boek, in de winter leest ze er twee of drie.

In dit ziekenhuis ben ik een lege huls, een drijver in het kanaal, een toeschouwer bij de wedstrijd. Zij spreken met elkaar af om spelletjes te spelen en ik word niet uitgenodigd. Mijn woorden, gesproken met enthousiasme, weerkaatsen tegen de muren. Bovendien ben ik altijd te laat om iets te zeggen en het gesprek heeft alweer een voorsprong op mij. Ik ben een buitenstaander geworden, zelfs in mijn stille kamer, waarin de lucht nog meer volume heeft dan mijn woorden. Ik hoor ze spreken op de gang, de mensen waarmee ik samenwoon, terwijl ik gefascineerd word door regendruppels die kletsen tegen mijn raam. Ik ben een grijze schaduw langs de muren van deze afdeling, in het psychiatrische ziekenhuis waar ik woon.

Er werden net appelbomen geplant, toen ik thuis wegging. Ook een perenboom was er geplant. Ik vraag me af of ze nu ook vrucht dragen. Het gras werd niet gemaaid en daarom kon het stekelige gras je voeten prikken, wanneer ze bloot over de ochtenddauw liepen om de konijnen te voeren. Daar kon je bloot zijn, wanneer je huppelde van de douche naar je slaapkamer als je je handdoek vergeten was. In de ochtend hoorde je het roffelen van een waterkoker, die de komst van mijn zusje aankondigde, op weg naar een vluchtig leven buiten het dorp.

Ik verlang weer naar mijn ouders. Ze vroegen zich altijd af of het goed met me ging. En mijn gevoelens schommelden van tijd tot tijd, levendig naar flauw en dan weer buiten zinnen om de details van het leven. Er werd op me gelet; drie kuikens in een nest met twee genestelde ouders. Daar kon ik praten, zonder onderbroken te worden. Daar kon ik rondwandelen, zonder een omweg te maken. Daar kon ik bewegen, zonder de norm te doorbreken.

 
  • Hits: 35