Skip to main content

Ontvangen inzendingen

De branding voorbij

  • Steven Vanmarcke

Tussen de grijze wolken door ontsnappen kleine zonnestralen.

In deze druilerige lentedagen vormen ze de enige geloofwaardige getuige van de ontluikende zomer. Een nieuw begin voor al wie ervoor open staat. Vanuit mijn raampje staar ik onafgebroken naar buiten. Ik zie de stad onder me door glijden. Een eindeloos kluwen aan straten en gebouwen.

Over die straten rijden auto’s en ernaast lopen mensen in doelbewuste tred naar hun bestemming. Allemaal zo druk in de weer met hun eigen dagdagelijkse beslommeringen dat ze elkaar amper opmerken. Dat vermoed ik althans, want van hierboven vallen mens en voertuig nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Toch voelt dat krioelende mierennest vol menselijke zenuwachtigheid heel vertrouwd aan. IIedere seconde in de lucht voelt als een sprong terug in de tijd. Ik ben op de uitkijk voor mijn verleden dat enkele honderden meters onder mij herleeft. Daarbij zie me ik mezelf graag als de poppenspeler die de touwtjes strak in handen houdt en die geduldig toewerkt naar de deus ex machina van mijn eigen verhaal.

Maar is dat wel zo?

Ben ik niet eerder een toeschouwer aan de zijlijn?

Ik schud de twijfel uit mijn hoofd. Ik ken die mensen daar beneden. Of eerder, kende. De meesten onder hen begreep ik ook, al dacht ik er het mijne van. Vroeger gruwelde ik van de routineuze voorspelbaarheid waaraan ze hun leven onderwierpen. Ik verfoeide hun 9-to-5 mentaliteit als middelmatigheid en beloofde mezelf om mijn dromen nooit te laten varen. Ik wou meer zijn, meer doen, met wat de wereld mij te bieden had. Die levenskoorts stuwde me jarenlang voort, van het ene avontuur naar het andere. Tot de rusteloosheid zelf als een hongerig beest in steeds grilligere patronen over mijn daden besliste. Ik raakte verstrikt in een web vol foute beslissingen en roekeloze avonturen. Alsof ik onophoudelijk met beide voeten in een plas water sprong om mezelf telkens weer in de rimpeling te herontdekken. Voortgestuwd door de golven uit die branding zocht ik steeds nadrukkelijker naar een anker. Een veilige haven waar “zijn” belangrijker was dan “morgen” en waar iemand buiten de adrenalinerush ook bestond. Daarom boekte ik gisteravond mijn terugvlucht. Een enkeltje naar mijn verleden met als enige wapens een summier gevulde handbagage en de kennis van twee levens. Ik hoop vurig dat de ondergesneeuwde herinneringen van mijn oude ik uitgroeien tot ontmoetingen waarin mijn nieuwe ik zich thuis leert voelen. Want bovenal zoek ik naar rust. Ik verlang naar een manier om mijn grootse dadendrang om te buigen tot kleine gedeelde gelukjes. Tenminste, als één (of meer) van de vele stipjes daar beneden me die kans geeft.

Mijmerend kijk ik naar buiten.

De druk in mijn oren neemt toe, evenredig met mijn onzekerheid.

Het vliegtuig begint te dalen en we maken ons klaar voor de landing. De stewards manen passagiers aan te zitten, terwijl de piloot ons informeert over het aangename middagzonnetje op onze bestemming. Nog voor de wielen de grond raken weerklinkt er applaus voor alweer een geslaagde vlucht. Geen twee tellen later ontwaakt een leger aan smartphones uit vliegtuigmodus. Het verwachtingsvolle ongeduld van mijn medepassagiers vertaalt zich in een lange rij in het gangpad. Traag schuifelen de vakantiegangers naar de uitgang. Er maakt een vrolijke, uitgelaten sfeer zich meester over de naar vrijheid hunkerende massa. Vanaf nu geven ze zich een week of langer over aan  een zorgeloze gezelligheid waarvan ze elke beweging nauwlettend digitaal documenteren. Wanneer dat paradijselijke bestaan op de terugvlucht verdampt vormen die beelden immers het enige onomstotelijke bewijs aan de dagen van toen. Het zijn kostbare souvenirs die ze de komende maanden zullen koesteren en delen. Tot de zoete geur van weleer verwaaid en de verveling van alledag zijn klauwen meedogenloos vastzet. Dan dringt er zich een nieuw ontsnappingsplan op en begint het hunkeren van vooraf aan.

Zo leven ze gisteren of morgen, maar nooit vandaag.

Of dat is alleszins wat ik vroeger dacht.

Eén voor één verdwijnen de toeristen uit mijn leven. Pas wanneer het gangpad leeg is sta ik recht. Traag maar zeker stap ik op mijn beurt naar de uitgang. Niet met het onbezorgde enthousiasme van mijn voorgangers, maar met een mijmerende blik, schipperend tussen verleden en toekomst. Ik denk terug aan mijn ouderlijke huis en aan mijn vrienden. Ik denk aan hun onaangeroerde telefoonnummers in mijn GSM, ondergesneeuwd na zoveel jaren van wederzijdse stilte. Zelfs nu is er niemand op de hoogte van mijn komst, laat staan dat iemand doorhad dat ik ooit nog terugkwam. Ik neem het ze niet kwalijk. Na mijn vertrek negeerde ik maandenlang hun eindeloze stroom aan voicemails, WhatsApp berichtjes en radeloze e-mails. Tot ze de politie erbij haalden en ik ze woedend op mijn vrijheid wees. Daarna werd het stil. 

Ik wandel van het vliegtuig naar de bagagezaal. Het is warm buiten. Het voorbij uur heeft de zon, voor het eerst dit jaar, de wolken verjaagd. Terwijl ik mijn trui rond mijn middel bind, schuiven de glazen schuifdeuren automatisch open. Mijn bagage ligt op de derde transportband in de grote hal. Ik herken de koffer aan de groene sleutelhanger vastgehaakt aan het slot. Dat kleine hebbeding kreeg ik na mijn plechtige communie van mijn ouders. Er hangt een beertje aan met een hart op zijn schoot. In het midden van dat hart staat in sierlijke letters Wij zijn trots op jou geschreven. De sleutelhanger is al die jaren mijn talisman gebleven. Een hardnekkige herinnering aan wie ik was wanneer alles rondom me veranderde. Ik til de zware koffer van de band en kus het beertje zacht. Plots weet ik precies wat ik moet doen om thuis te komen. Mijn hart maakt een sprongetje bij die gedachte.

Is dit écht de dag dat ik thuiskom?

Mijn ouders wonen nog steeds samen in het ouderlijke huis. Dat weet ik omdat ik hun sociale media in de gaten hield. Stiekem, anoniem zelfs, als een toevallige voorbijganger die door het raam naar binnen gluurt. Toch kreeg ik vaak het idee dat veel updates op hun profiel voor mij bedoeld waren. Alsof ze wisten dat ik meelas en dat ik hen, ondanks mijn herhaaldelijk afwijzen, nog steeds in mijn hart droeg. Aarzelend open ik de routeplanner op mijn GSM. Ik geef hun adres in en wandel naar de aankomsthal. Het is een terugkomst in mineur, zonder fanfare noch confetti.

Ik hoop dat ze me binnenlaten straks.

In de wachtzone wemelt het van het volk. Ik baan me een weg tussen de emotionele herenigingen en enthousiaste ontmoetingen. Zelf wil ik vooral snel uit de commotie ontsnappen. Ik heb een lange wandeling voor de boeg, over gekende wegen maar met een nieuw gezicht. Hopelijk kom ik niet te laat om een nieuwe start te maken, om routine en geluk te vinden in dat wat voor mijn neus te wachten ligt. Ik haast me naar de uitgang.

“Hè? Waar ga jij zo snel heen?”

Die stem.

Aarzelend draai ik me om.

Voor ik het goed en wel besef rust er een gespierde arm op mijn schouder. Dezelfde arm die me jarenlang als kind de lucht in zwierde. Die me troostte bij verdriet en die me berispte bij kattenkwaad.

“Papa?”

“We hebben je gemist weet je. Wij allemaal.”

Een tweede hand streelt over mijn rug.

Zachter deze keer, liefkozend. De aanraking stelt me woordeloos gerust, kalmeert me, en vervult me met warmte.

“Mama? Maar… hoe?”

“We zijn je nooit vergeten, lieverd, nooit.”

Achter haar rug verschuilen zich tal van bekenden.

Vrienden van vroeger, mensen wiens liefde ik voorgoed kwijt was.

Of, tenminste, dat dacht ik.
 
  • Hits: 82