Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Beter laat dan nooit

  • Shelly Roso

Beter laat dan nooit

Ik leun met mijn hoofd tegen de treinstoel, terwijl Frederique Spigt in mijn oren zingt over Rotterdam. De stad komt langzaam in zicht.
De tijd heeft niet stil gestaan.
Door de nieuwe stationshal loop ik naar de uitgang, sta stil en kijk naar de beelden die op een groot projectiescherm in een slicevoorstelling worden getoond. Ik gebruik het als een soort geheugenspel; Coolhaven, WTC-gebouw, Delfshaven, eh… o, ja Noordereiland…
Wanneer de eerste beelden voor de derde maal voorbij komen stap ik naar buiten, loop onder de bek van de haai door, de grote zwarte vrouw tegemoet. Naast haar ben ik klein en gekleurd en even vraag ik me af waar ik voor sta in deze wereld? Ik, die bij een bank werk waar ze zich niet bekommeren om financiële gelijkheid en ook niet om het milieu.
Tijd om hier diep over na te denken heb ik niet, de tram die ik moet hebben staat klaar voor vertrek. Het rijdt me langs de vele toko’s, haarshops en eethuisjes. Langs de caravan van een bekende bloedworstverkoper, kraampjes met uitheemse groenten, winkels die Surinaams goud verkopen, Chinese theekopjes, geborduurde jurken uit India. Voorbij de grote klok op het plein...
Hoe dichter ik bij mijn ouderlijk huis kom, hoe vaker ik slik, onrustig in mijn nek wrijf en een gevoel van paniek onderdruk. Ik bid, ik bid dat de ontmoeting met mijn vader goed zal verlopen, dat ik antwoorden krijg op de vragen die ik heb, op die ene vraag in het bijzonder.
Ik denk terug aan de weinige telefoongesprekken die ik de afgelopen twee jaar met hem had. Ze gingen over alledaagse dingen: het weer, mijn vakantie, over wat ik of hij aan het doen was.
Aan het eind van het laatste gesprek stelde hij me voor om elkaar te zien. ‘Het contact is goed,’ had hij ferm gezegd toen er van mijn kant geen antwoord kwam. ‘Ik heb je vijfentwintig jaar moeten missen, je bent nog steeds mijn pikin boy.’
Sinds het voorstel fladderden herinneringen te pas en te onpas mijn dagelijks leven binnen.
Mijn vader is de enige nog die me iets kan vertellen, ik moet hem dus zien.

Ik ga rechtop in de tramstoel zitten en kijk naar het beeldscherm. Nog twee haltes.
Doe ik er wel goed aan? Kan ik het verleden niet beter laten rusten?
Wanneer ik uitstap loop ik naar de straat waar op de hoek een witte villa staat, wat voorheen een internaat was. Ik zie mezelf als tienjarig jongetje naast mijn vader het huis binnengaan. ‘Bereid je voor op het ergste, dan zul je zien dat meevalt,’ hoor ik hem weer zeggen.
Het viel niet mee. Het pand was wit, maar ook de begeleiders en de meeste kinderen. Iedere dag werd er van mij verwacht dat ik me, in alles wat ik deed, zo wit als zij gedroeg. Dat ik een witte houding aannam.
Ik kijk naar het middelste raam op de eerste verdieping. Aan de overkant stond vaak een zwarte dakloze man eten uit de vuilnisbak te graaien. Als ik mijn best doe, word ik niet zoals hij, prentte ik mij in.
Ik draai mijn gezicht naar de muziekwinkel en glimlach bij de gedachte aan de eigenaar met de lange grijze baard met dreads. Ik zie de rieten kuipstoel voor me waar ik altijd in mocht hangen als ik het wel en wee op het internaat zat was. Als mijn vader had beloofd te komen, maar me nooit mee terugnam. Even lijkt het alsof ik weer het gezang van de zwarte soul artiesten uit de platenspeler hoor komen, ruik ik de ‘troostmelk’ met z’n zoet en kruidig geurende warme walm.

Op de kade stap ik met lood in mijn schoenen de stenen trap op. De geur van Basmatirijst en Surinaamse kerrie die ik van vroeger herken komen me tegemoet. Op de deur hangt een post IT. Ik klepper een paar maal met de brievenbus.
Voetstappen op de harde vloer, de klink die piept, mijn vader licht gebogen met wit grijs kroeshaar in de deuropening. Smal, haast breekbaar.
Hij gebaart me om naar binnen te gaan.
Ik ga rechtdoor de woonkamer in en kijk om me heen: een kunstplant pronkt op de tv alsof ie echt is, een kapotte leren bankstel, een dvd-kast met vele dvd’s. Houdt hij van dezelfde films als ik?
Trouwens, waar is hij?
Als ik weer terug in de gang ben zie ik hem met de rug naar me toe in de keuken bij het fornuis. Ik ga naast hem staan en kijk naar al het eten. Hij haalt de deksel van een pan en schept met een houten pollepel droge witte korrels rijst om.
Mijn vader met een schort om als schild, de houten lepel als houvast en de grote pannen met voedsel als buffer.
‘Waarom?’ vraag ik voorzichtig.
Hij pakt het bord met daarop zes eieren en laat ze in de soeppan met Soto glijden.
‘Ik wilde dat het jou beter zou gaan, dat je het beter zou doen. Fouten moeten zich niet steeds herhalen.’
Voorzichtig leg ik mijn hand op de zijne. Hij houdt de pollepel stevig vast.
‘Het was niet beter, pa.’
Hij knikt.
Ik zie mezelf in driedelig pak en met een stropdas om in mijn kantoor bij de bank. Mijn kroeshaar en huidskleur verraden mijn achtergrond. Gevoel van ontheemding stroomt door mijn aderen, maken mij onzeker, vooral in relaties van welke kleur dan ook.
'Gi mi brasa, jongen,’ hoor ik mijn vader met gebarsten stem zeggen.
Ik kijk naar zijn broze armen die hij uitspreidt.
Zachtjes druk ik me tegen hem aan en voel ik mij even die kleine jongen.
Waarom heb ik dit moment zolang uitgesteld? Waarom heb ik mijn keuzes te vaak door mijn boosheid laten bepalen?
‘Welkom thuis, mi gudu.’ hoor ik zacht in mijn oor.

 
  • Hits: 36