Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Benno’s laatste avond

  • Bram Jan van Dijk

Benno zakt achterover in zijn donkerrode fauteuil, hij legt zijn armen plechtig op de leuningen, hij gaat vanavond dood. Hij weet het bijna zeker, zijn hart klopt als een malle, het zweet druppelt over zijn voorhoofd, zijn rechteroog is wazig geworden. Bij elke stap die hij zet krijgt hij een scherpe pijn in zijn borst, inwendig heeft hij al afscheid van de wereld genomen. 

Hij gaat dood. Het is vreemd dat die gedachte zo berustend is voor Benno, hij weet nog goed dat zijn nekharen vroeger alleen al overeind gingen staan van het woord, dood. Die donkere o’s die je aanstaren als ogen, sluw en gemeen, wachtend op je onvermijdelijke einde. Hij weet nog goed dat hij als kind, zelfs als tiener, trillend en krijsend van angst de trap af kwam rennen. Mama ik ga dood, riep hij dan. Mama maakte het weer goed, het hoort erbij, zei ze dan, maak je nou niet druk, geniet van het leven. 

Toen had hij nog iets om voor te leven, een droom, de illusie dat geluk bestaat, dat er iets is, iets waardevols wat nagestreefd moet worden. Nu weet Benno wel beter. Het leven heeft hem uitgekotst, bespuugd met vuile woorden, weggezet als een verloren geval. 

Benno wrijft over zijn gerimpelde dikke-mannenwang, flappen van treurig vet, treurwilgen van jarenlang alcoholisme. Zijn brein zwijgt, zijn hoofd is stil. Hij staart de ruimte in. Dat is ook anders dat vroeger, dat denken aan niets. Dat kon Benno vroeger niet. 

Hij ziet zichzelf zitten, een oude dikke man, norse borstelige wenkbrauwen en plukjes grijs haar die verspreid als onkruid in een tuin door zijn kop steken, hij ziet er niet uit. 

Benno sterft vanavond alleen, niet dat het veel uitmaakt, wie er bij zou zijn, was liever ergens anders geweest. Hij is al jaren dood, weggevaagd van de aardbodem, wat hem rest is een schim, een acteur die zijn plaats inneemt. Zijn rol op aarde is uitgespeeld, hij is een speler die buiten de selectie is geplaatst, die vanaf de tribune het leven aan zich voorbij ziet gaan. 


Plotseling licht er iets in Benno op, een oude vlam, een bekende uit zijn jeugd die hij al lang niet heeft gesproken, levenslust. Sta op Benno, zegt het stemmetje, draai je leven om, het kan nog! Een humorloze lach verlaat Benno’s droge mond. Hij wil er niets van weten, duwt het stemmetje weer naar de deur, ook zijn betekenis is vergaan. Vertrek, levenslust, er is geen nut meer voor jou, het is tijd om te verdwijnen, Benno gaat immers vanavond dood. 

Maar in een laatste smeekbede, een laatste poging, komt het sterker terug dan ooit. Weet je de glorietijden nog Benno? De jeugd, toen je nog hoop en durf had, toen je er voluit voor ging, alles gaf. Die tijd ben je toch niet vergeten? 

De glorietijden. Benno’s blik bevriest, het ritmische getik van de klok vult de stilte. De glorietijden. Nee, die is hij niet vergeten. Of toch wel? Hij sluit zijn ogen, op zoek naar flarden van al die jaren terug, ver voor alles fout ging. Toen er nog licht aan het eind van de tunnel leek te zijn. Een vaag beeld komt hem voor ogen, hij ziet de zwarte rugleuning van zijn rechthoekige bureaustoel, een brede rug, gekleed in een zwarte trui steekt er bovenuit. Een brede blanke nek, gezond en mannelijk ogend, verschijnt rechtop uit de wollen trui, het hoofd is omvat door een wilde bos donkerblond haar. 

Achter zijn computer zat hij daar altijd, een groot deel van zijn jonge bestaan zat hij achter dat rechthoekige scherm te typen. Te werken aan een project van astronomisch belang voor de mensheid, dacht hij destijds, een groot boek dat de wereld zou veroveren.

Gordijnen dicht, wenkbrauwen geconcentreerd samengetrokken, zijn document op full screen. Daar kwam dus niets van terecht. 

Benno stopt, voor het moment dat alles mis liep, die dag waarop hij zijn contract met het leven verscheurde en ontslag nam van zijn positie als mens. Sindsdien is hij zijn leven doorgegaan als ongedierte, profiterend van het harde werk van anderen, zich verschuilend in zijn donkere kamer . 

Met zijn levenslust is ook zijn angst voor de dood verdwenen, wie niet hoopt op een morgen, maakt zich ook geen druk of de dag van morgen komt. Hij is veranderd van een individu in een nummertje, een statistiek, een alcoholist, een dikzak, een uitkeringstrekker. Een van de honderdduizenden onzichtbare Nederlanders, onzichtbare schimmen die zich als schaduw door de wereld bewegen, die gelukkige mensen imiteren, leugens over hun situatie kunnen wijsmaken, kunnen doen alsof, maar er nooit echt een zullen zijn. 

Hij heeft het gevoel 

Benno gaapt, het is tijd om naar bed te gaan. Zijn laatste nacht, hij voelt het aan alles, het staat in de sterren, Benno gaat dood. Als de mensen het zien zullen ze hun schouders ophalen, wie is die Benno dan? Waarom staat zijn dood in de sterren? Hun gesprekspartner zal hun vraag met een vreemde ongeïnteresseerde blik beantwoorden. Het zal ook wel, zegt die eerste dan. Het is vast niet belangrijk. Die Benno is vast onbelangrijk. 

Hij zet een stap, zijn lichaam pompt liters bloed naar zijn zwakke hart, de schokken worden steeds sterker, een timmerman slaat ruw met een hamer op zijn borst. Benno voelt zijn mond volstromen met bloed, zijn hoofd wordt licht, zijn passen wankelend, hij zakt neer op de grond. Benno is dood, stamelt hij als een laatste boodschap de donkere kamer in, zijn bewustzijn verlaat hem als een bolhoed een man tijdens een windvlaag, hij heeft hem weer, dan weer niet. Uiteindelijk vliegt de hoed dan voorgoed weg, de blauwe hemel in, voor altijd verdwenen in de oneindigheid van het bestaan . 

 
  • Hits: 68