Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Avontuur

  • Martin Reekers

Avontuur

Een windvlaag zwiept het petje van mijn hoofd. In een reflex probeer ik de wind zijn prooi te ontnemen. Mis! Ik maak een slinger, verlies mijn evenwicht en klap met een gangetje van zo’n dertig kilometer per uur op het asfalt. Ik hoor gillen. Bloed stroomt in mijn ogen. Ik moet ergens lek geslagen zijn. Ik probeer overeind te krabbelen. ‘Gaat het?’ zegt een stem. Nou ik heb betere momenten gekend, denk ik. ‘112 bellen?’, hoor ik iemand vragen. ‘Ja’, zeg ik. Met hulp krabbel ik overeind en leun op een geparkeerde auto. Iemand komt met een stoel aan, een ander met een zakdoekje om mijn hoofdwond te stelpen. Ik plof in de stoel en krijg een glas water dat ik dankbaar leegdrink. Ineens is er de ambulance. Waar komt die nou zo gauw vandaan? Ze helpen me op een brancard. Een vriendelijke verpleegkundige wil een infuus aanleggen maar zij kan mijn aderen niet vinden. ‘Heb ik niet!’ zeg ik. ‘Ik ben een robot’. Ze ontdekt er toch een en zegt: ’Ik maak er altijd een knoeiboel van.’ ‘Geeft niet’, lach ik, ‘heb ik zelf net ook al gedaan. Ze vraagt of ik een cijfer van een tot tien kan geven aan mijn pijn. ‘Oh, die krijgt van mij een ruime voldoende. Wel een 7,5!’, roep ik in een toon die op monter moet lijken. Ze spuit morfine in mijn lijf en wil even later weten of ik de pijn al een onvoldoende kan geven. Als voormalig docent blijf ik eerlijk: ’Nee hoor die 7,5 blijft dik verdiend’. De ambulance hobbelt even fors om te voorkomen dat ik de pijn vergeet.

Pijlsnel zijn we bij de spoedeisende hulp van het ziekenhuis waar zeker een achttal zorgprofessionals mij lachend aankijkt alsof ze de hele dag al op me gewacht hebben.  ‘Kom ik jullie met mijn lullig fietsongelukje afhouden van jullie echte werk. Ik schaam me diep’! ’Nee hoor meneer dit is ons echte werk. U hoeft zich nergens voor te schamen’. Ze helpen me op een andere brancard. Ergens krijg ik nog een tetanusinjectie. ‘Bent u de komende tien jaar weer klaar!’ roept iemand op een toon alsof er zojuist nieuwe banden onder mijn auto zijn gelegd. Ze rangeren mij een kamertje binnen waar mijn hoofdwond wordt schoongemaakt door een physician assistent. Ze is nog niet klaar met de opleiding. Of ik dat erg vind… Nee, als voormalig docent dien ik graag als lesmateriaal. Het worden zes hechtingen, vertelt ze. ‘De prik van de verdoving is gemeen, maar daarna heeft u geen last meer van me.’ Ik houd mijn tanden op elkaar en laat me niet kennen. Het prikt akelig. ‘U bent een bikkel’ zegt ze en ze herhaalt dat bij de twee hechtingen waar verdoving niet werkt. Ze doet het keurig en mensvriendelijk. Mooi gehecht, al zie ik even later in de spiegel dat een doorgewinterde piraat zich niet zou hoeven schamen voor zo’n dichtgenaaide jaap in z’n gezicht.

‘We moeten wachten op een plekje bij de radiologie. We gaan een foto van uw arm maken en een CT-scan van uw hoofd’. Het is even wachten maar zeer de moeite waard want de radiologe legt eer in haar photo shoot. Hier gaat het om de imperfecties in het plaatje. Weer eens wat anders dan in dat bekende tv-programma. De rechter bovenarm blijkt gebroken. In de hersenpan is niets noemenswaardigs aangetroffen. Leeghoofdigheid heeft ook voordelen!

Met het hoofd en de elleboog in het verband, mijn arm in een sling, mijn gesneuvelde bril in mijn hand, opiaten tegen de pijn in mijn lijf en broekzak, laten ze me los. Kijk uit hè meneer?, voegen ze me toe. Ha, met zo’n bril zeker, schamper ik in gedachten.

Vreemd opgewekt na zo’n onverwacht avontuur kom ik thuis. Daar ontdek ik dat de toegediende opiaten, naast het onderdrukken van de pijn, mijn humeur een stevige positieve boost hebben gegeven. Na een poosje voel ik de pijn en het chagrijn opkomen die je toekomen als je een doodsmak maakt met je fiets. Op de bijsluiter van het voorraadje pijnstillers dat ik mee kreeg, lees ik dat ik er zomaar pijnloos een junky door kan worden. Ik besluit het eerst te proberen met het aanleggen van een fundamentje paracetamol.  

Geleidelijk aan merk ik welke avonturen je toevallen als je een arm niet kunt gebruiken. Mijn actieradius is beperkt tot de sensaties die zich bevinden op de weg tussen eettafel, toilet en bed, met de trap naar de slaapetage als colletje van de buitencategorie. Met avontuur beleven is net als met geluk: je moet het zien. Dat probeer ik dus. Zo ontdek ik de mooie uitdaging in het laten vallen van een theelepeltje. Zomaar oprapen is namelijk geen optie, dan sterf ik van de pijn. Nee, ik zak bevallig langzaam door mijn knieën omlaag tot op mijn hurken en schuif mijn espadrille van mijn rechtervoet. Sokken heb ik niet want die krijg ik niet aan. Daardoor kan ik met mijn blote grote teen het lepeltje omhoog wippen zodat ik het, na een tiental vergeefse pogingen, net kan pakken met mijn gezonde linkerhand. Ook ontdek ik de sensatie van een nachtelijke toiletgang. Ik kan niet zomaar zonder vreselijke pijnen uit mijn bed opstaan. Die actie noopt mij daarom tot het maken van natuurkundige berekeningen over de balans van mijn lichaam. Eerst schop ik mijn dekbed opzij. Dan gooi ik mijn benen de lucht in tot die met een hoek van 95⁰ ten opzichte van mijn bovenlijf zijn gepositioneerd, om deze vervolgens met een krachtige neerwaartse zwaai naast het bed te krijgen. Zo is er slechts een geringe ondersteuning van mijn gezonde arm nodig om mijn lijf zonder noemenswaardige pijn in zithouding op de bedrand te krijgen. Voor degenen die dit thuis willen proberen: wacht niet tot de blaasspanning te hoog is opgelopen.

Zo presenteert mijn vleugellamme bestaan mij onmiddellijk talloze onvermoede nieuwe uitdagingen als het draaien van een dop van een fles of pot, het smeren van een boterham of het open houden van een paperback als je met een vergrootglas wilt lezen omdat dit nu eenmaal zonder bril niet lukt. Dankzij een vormeloze éénhandig aan- en uittrekbare joggingbroek kan ik zelfstandig een clean jongensplasje doen en de bilspleet linkshandig aanvliegen. Voor het aantrekken van een t-shirt heb ik de bravoure van een Indiana Jones nodig om me door de pijnscheuten heen te vechten die dat oplevert. Een korte wandeling houd ik vanwege de pijn niet vol. Zelfs niet op een hoogbejaarde schuifelsnelheid. Het typen gaat met twee letters per seconde nog langzamer dan mijn denken. Ook mijn imago is ernstig gedeukt omdat de omgeving de val in verband brengt met mijn leeftijd. Ik ben zeventigplusser en dat staat kennelijk automatisch voor een langere reactietijd, een wankeler evenwicht en een verminderd gezichtsvermogen. Kwalificaties die voor je kinderen de voedingsbodem vormen voor de uitleg aan hun kinderen over hoe hun grootvader aan die vreselijke wonden komt: ‘Ja jongens, opa wordt nu echt oud. Hij is zomaar van een gewone fiets gevallen, niet eens een e-bike. Hij zou eigenlijk niet meer moeten fietsen…!’

Acht weken gaat het herstelproces minimaal duren, zeiden ze in het ziekenhuis. Acht weken voordat het plaatwerk op mijn hoofd is uitgedeukt en mijn vlerk gereed is voor fysiotherapie van nog eens een achttal weken! Ook zonder mijn bril overzie ik ineens haarscherp een enorme tijdspanne vol eenarmige uitdagingen. Ik vrees voor mijn geest. Ik overweeg om het woord ‘uitdaging’ te vervangen door ‘probleem’. Hoe ga ik het dolhuis in ’s hemelsnaam ontlopen?

 
  • Hits: 34