Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Antwerpen

  • Anouk Dorfmann

Antwerpen

Kriebel in mijn neus. Ik nies. De vrouwenafdeling van een ultraorthodoxe synagoge in Antwerpen blijkt niets meer dan een zolder te zijn. Op de tast probeer ik boeken te vinden. Niks. Mijn vingers glijden langs oud behang. Ik voel hoe spinnenwebben aan mijn handen kleven. Is dit mijn lot als vrouw? Thuisblijven, kinderen uitpoepen, matzeballen draaien? Ik wil naar buiten, waar vrijdenkers lachen. Zij mogen overal zoenen en friet eten. Ik wil ook met versleten spijkerbroek hangen in een stadstuin en voelen hoe zon en wijn elkaar ontmoeten in mijn onderbuik. Maar nee, ik zit in een vroom bekeringsproces en moet zo nodig de rabbijn hier ontmoeten. Zit je dan met je mooie lijf verstopt in een synthetische soepjurk. Mijn ogen wennen aan het donker. Ik zie reliëf op de vloer. Wat is het? Een kistje? Op mijn knieën kruip ik erheen. Ik haal mijn panty open. Shit. Ik hoor zacht gezoem. Een lage trilling. Stemmen? Ik vind een vierkanten plankje met scharnieren. Een glimmende sleutel staat fier overeind. Een luik. Ik open het slot. No way. Het is een kijkgat in de vloer. Ik zie rood fluweel met zilveren geborduurde letters. Hebreeuws. Het opengeslagen gebedenboek dat erop ligt is zo dichtbij dat ik het kan lezen. Bovenkanten van zwarte hoeden en satijnen jassen schuiven voorbij. De mannenafdeling. Een met gebedskleed bedekt hoofd schuifelt mijn beeld in. Ik zie hoe een stevige hand tevoorschijn komt. Ik had dunne, witte vingers verwacht. Deze zijn lichtbruin, breed, met kleine wondjes. Handen van een kok. Het gebedskleed schraapt zijn keel. Een jonge stem. Hij is de chazzan, de voorzanger. Hij begint te neuriën. Yedid nefesh, geliefde van de ziel. Alsof hij het doet alleen voor mij. Hij richt zijn gebed omhoog, naar G’d. Weet hij veel dat ik ertussen lig. Nog nooit was ik zo dichtbij. Ik lig op mijn buik en adem mee met hem. In en uit. In en uit. De brede schouders van de voorzanger wiegen van voor naar achteren. Van voor naar achteren. Ik houd me stil. Één zucht, één “amen” van mij, kan me verraden. Toch verlang ik ernaar mee te zingen. En wat wil ik graag zijn gezicht zien. Mannen mogen geen vrouw horen zingen, zeker niet als ze haar ook zien. Te verleidelijk. Alsof gebedskleed mijn gedachten leest, legt hij zijn hoofd in zijn nek. Ik duik weg. Hij moet me gezien hebben. Of toch niet? Hij deint verder met gesloten ogen. Zijn gezicht ziet er geleefd uit. Ik kan het natuurlijk testen, bedenk ik. Zachtjes blaas ik door het rooster. Recht in zijn gezicht. Hij wrijft langs zijn neus. Verder niks. Zijn zwarte baardje, bruine huid en korte pijpenkrullen zijn onweerstaanbaar. Ik wil ze om mijn vingers winden. Zijn forse wenkbrauwen wijzen volmaakt gepijnigd omhoog, naar mij. Mijn lippen raken het roestige gaas. De warmte van zijn adem raakt mijn gloeiende wangen. De hemelse geur van kauwgom na zijn laatste vrijdagmiddagsigaret. Laat zijn mond mij kussen. Zijn volle lippen. Zoeter dan wijn. Zijn stem. Laag met een kraakje. Zijn handen uitgespreid naast het boek. Zijn nagels in het fluweel gedrukt. Ik wil ze in mijn onderrug, mijn heupen. Zijn opgestroopte overhemdmouwen tonen gespierde onderarmen, zwarte haartjes. Een tattoo? Nee, dat mogen die orthodoxen toch helemaal niet?

Ik ga staan en twijfelachtig rol ik het nylon van mijn benen af. De vloer kraakt. Als bij plotse stilstand na een sprintje, versnelt mijn hartslag. Ik kijk door het gat. Hij kijkt rond. Niet omhoog. Ik ben veilig. Vrij. Mijn handen zoeken naar het randje van mijn onderbroek. Mijn tepels reageren. M’n rode, kanten onschuld valt op de argeloze grond. De chazzan werpt zijn handen godvrezend op, gelijk die weerloze houten vloer. Argeloos. Onwetend. Ik wil zijn handen vullen. Ik kijk omlaag en zie zijn diepzwarte ogen. Niet langer gesloten. Een vragende blik. Ik schrik, maar zie dat het wiegen doorgaat. Onophoudelijk. Hij glimlacht. Zag hij me? Nee, hij wiegt. Wanneer hij naar achteren helt, zie ik gespannen halsspieren. Ik wil kussen waar zijn borsthaar begint. Mijn voeten staan aan weerszijden van het luikje. Langzaam zak ik naar beneden. Zijn mond, zijn tong. Mijn wijde rok valt in een cirkel om me heen. Zijn toewijding resoneert via de vloer, mijn lijf in. Zijn devote stoten. Zijn diepe klanken. Zo dichtbij. Met een snik in de hoogte reciteert hij: ‘Alstublieft, oh god, genees haar.’ Ja, god, genees me. ‘Door haar de glorie van uw uitstraling te tonen.’ Zijn mond tussen mijn benen. ‘Breng haar thuis.’ Warm. Nat. Zijn lage stem. Vibrato. En boven ons, God, die ziet dat het goed is.

Hij stelt zich na de dienst voor als Motti. Hij geeft me uiteraard geen hand. Wel krijg ik een nieuwsgierige blik. Motti is baal teshoeva. iemand die God heeft teruggevonden. Dan had ik die tattoo misschien toch goed gezien.

 
  • Hits: 38