Skip to main content

Ontvangen inzendingen

Aarden

  • Lonneke Ilona Bouman

Aarden 

Maggie groeide op in een kleine stad van steen, vlakbij een diepe, rijke bosrand. Het leven was daar comfortabel voor velen, maar niet voor Maggie. Waar haar leeftijdsgenoten elkaar, zelfs zonder woorden, begrepen, snapte Maggie hen nooit. De andere kinderen joegen haar weg en riepen gemene dingen, die keren dat Maggie bij hen aansloot. Alsof zij ook voelden dat Maggie anders was.  

 
'Grijze muis', werd Maggie vaak genoemd door de andere kinderen. Dat dat een scheldwoord was, vond ze best ironisch. Ze had juist verwacht dat iedereen grijs een mooie kleur zou vinden: de hele stad was immers grijs. Daarnaast was zij ook het meest buiten van iedereen. Haar huidskleur was helemaal niet grijs, eerder olijfkleurig. 

 
Maggie daarentegen, zat het liefst met haar handen in de grond en dat was best een opgave in zo'n stenen stad. Als ze wat aarde tegenkwam, snoof ze de geur zo diep op, dat ze deze haast opsloeg in een laadje in haar hoofd. Soms stelde ze zich voor, dat als ze haar armen ver genoeg de aarde in stak, ze aan de andere kant van de wereld er weer uitkwamen. Maar dat gebeurde nooit. Misschien lag daar ook wel steen en kwam ze er niet doorheen. Wel vond ze insecten, vooral pissebedden onder de natte stenen, kleine knaagdieren, en bij uitzondering een salamander of een klein reptiel. Soms stak ze die in haar jaszak of in een doosje, waarna ze deze thuis beter bestudeerde, om ze uiteindelijk op precies dezelfde plek weer los te laten.  

 
Op haar sociale ongemak en, voor sommigen wat vervreemde interesses na, waren er nog meer dingen die Maggie zo 'anders' maakte dan de rest. Zo was ze een stuk lomper dan de anderen. Waar de andere kinderen met verfijnde precisie de meest prachtige beelden maakten die in de stad tentoongesteld werden, stootte zij ze vooral om. Ze was te onhandig. Ze kon ook geen mooie muziek maken en ze was ook al niet atletisch. Ze was, in tegenstelling tot de andere kinderen, ook nog eens slecht in rekenen. Wel had ze een prachtig gevoel voor taal, iets wat niemand met haar leek te delen. Ze hield van lezen en kon zich helemaal verliezen in verschillende verhalen. Alsof ze, vanuit haar favoriete plekje in het zeldzame gras, zichzelf kon vinden door haar hoofd naar plekken te laten gaan, waar ze nog nooit eerder was geweest.  

Boeken over andere plekken waren haar favoriet. Het feit dat er meer was dan alleen 'haar’ stenen stad, vond ze in het begin een gek, maar ook spannend idee. Soms visualiseerde ze hoe de wereld er achter deze vallei uit zou zien. Zou alles daar ook van steen zijn? Hoe meer ze daarover las, hoe meer ze wilde weten. Soms, als ze op een vrijdagmiddag bij het smalle beekje dat door haar dorp heen voer ging zitten en er niemand om haar heen was, kon ze de andere vogels haast horen. De vogels die haar dorp steevast voorbij vlogen, omdat de rest van de wereld zoveel meer te bieden had. Of de kleuren, die zouden vast veel feller en helderder zijn aan de andere kant van de stadspoort. De mist die zoveel omvangrijker was, dat ze daar dagen door zou kunnen dwalen en de bomen waar ze het hars bijna van kon ruiken. Het waren er vast ook veel meer. Misschien waren ze ook wel veel groter, dacht Maggie dikwijls.  

Hoe ouder Maggie werd, hoe grijzer ze werd. Niet echt natuurlijk, maar het leek alsof iedereen om haar heen, langs haar heen begon te kijken. Alsof ze daadwerkelijk dezelfde kleur had gekregen als de muren en straten van de stad. Het net-niet accepteren werd tolereren, en het tolereren werd gedogen. In het begin vond Maggie dat toch verdrietig, maar ze was eigenlijk altijd al alleen geweest, ze wist niet beter. 
 

Toch begon ze zich meer terug te trekken. De boeken die ze las werden dikker en de wandelingen die ze maakte, werden langer en verder, terwijl ze fantaseerde over de mogelijke dieren en bomen die ze misschien nooit zou ontmoeten. Over de smaak van paddenstoelen die nog niet bestonden en het prikkende gevoel van brandnetels over haar blote huid, waar vlak daarna, volgens een aantal boeken, pijnlijke blaasjes zouden ontstaan.  
 

Ze leerde Faustina kennen toen ze, vlak bij Faustina's hut, op zoek was naar paddenstoelen. In de stad werden die altijd weggehaald door de Stenen Man, dus Maggie was aangenaam verrast om ze nu zo groot te zien. Faustina had ooit in dezelfde stad als Maggie gewoond, maar kon ook niet aarden op al dat beton en vooral niet met de mensen die erop liepen. De Stenen Man had Faustina verbannen toen ze een moestuintje aan wilde leggen. 

Faustina leerde Maggie welke paddenstoelen giftig waren en welke eetbaar. Ze vertelde Maggie waar de eekhoorntjes verbleven in de winter en ze rooiden samen aardappels die Faustina zelf had gegroeid. Faustina's blokhut was van rood hout en omringd met een grote lap grond, waar ze van alles had geplant. Er was geen steen te zien en Maggie vond het heerlijk. Ze stak haar handen zo diep in de geurige, vochtige grond, dat ze de woelige aarde in haar nek voelde kruipen. Alsof daarmee de wereld zélf haar even vastpakte en omarmde. Ze at voor het eerst peen en kool en de slakken die over haar huid gleden, verkoelden de plekken waar de brandnetel haar had geprikt. De blaasjes hadden er anders uitgezien dan ze zich had voorgesteld. 

 
Het werd al snel een gewoonte dat Maggie elke vrijdagmiddag naar de blokhut van Faustina liep, waar ze eerst tot aan het beekje ging. Het beekje leerde haar verwonderen, Faustina leerde haar dromen. 

 
Hoe meer tijd ze met Faustina doorbracht, hoe meer Maggie zichzelf begon te begrijpen. De wereld van Faustina was klein, maar zo rijk en gelaagd tegelijk. Een schel contrast met wat ze kende, maar precies wat ze ambieerde. Het was voor het eerst in haar leven dat Maggie tijd deelde met iemand die op haar leek. Iemand die haar inspireerde om dicht bij haarzelf te blijven, in plaats van haar kern te veranderen. Waar ze voor het eerst het gevoel kreeg dat ze niet hoefde te zijn zoals de kinderen uit de stad. Voor het eerst, voelde ze zich op haar plek, thuis. 

 
Langzaam maar zeker, werden de tripjes naar het huis van Faustina korter. Ze verbleef namelijk steeds langer in het houten huis, samen met Faustina. Eerst het weekend. Toen ook door de weeks. Door de betonnen stad uiteindelijk helemaal te verlaten, verliet Maggie alles waarvan haar was verteld dat het van waarde was. De niet-grijze kinderen, die nu waren uitgegroeid tot niet-grijze volwassenen, lachten haar opnieuw uit. Maar juist door te kiezen voor alles wat ze altijd al was en wilde, vond ze uiteindelijk haar rijkdom.  

Maggie was 23 jaar toen Faustina overleed. Ze had zich als een kat afgezonderd in het bos om te sterven. De pijn die Maggie hierna voelde, duurde lang en was intens. Het voelde alsof alles wat ze nodig had, haar fundering om te kunnen leven, haar was afgenomen.  Even dacht ze eraan om terug te keren naar de stad. Dat was immers wat ze kende. Maar dat idee, schudde ze zich snel van haar af. Zelfs zonder dat Faustina fysiek bij haar was, voelde ze haar aanwezigheid. In het huisje, haar spulletjes, de boeken die Maggie keer op keer uit de wankele kast trok. De natte en koude aarde, die als een brok verdriet aan haar bleef kleven. Haar liefde vermomd in rouw, zat in alles. Maggie probeerde erover te schrijven, het uit haar hoofd en hart te halen, maar het verdriet was alleen te voelen. 

En dat gemis, dat bleef ze voelen. Net zo rauw en intens als ze het op de eerste dag had ervaren. Ook toen er op een dag een niet-grijs meisje voor haar deur stond, dacht ze aan Faustina en het huiselijke gevoel dat ze hier voor het eerst had ervaren. Zonder dat ze wist wie het niet-grijze meisje was, kénde ze haar. Ze zag de aarde onder haar nagels, haar haren in twee dikke vlechten waar twijgjes uitstaken. Ze had iets bekends, Maggie voelde het direct. En zonder twijfel, opende Maggie de deur om haar te verwelkomen. Ze zou anderen iets kunnen bieden, wat ze zelf al die tijd heeft gemist, dacht ze. Maggie glimlachte en de twee niet-grijze vrouwen, liepen, zonder iets te zeggen, samen het niet-grijze huisje binnen. 

 
 

 
 

 
 

 
 

 
 

 
 

 
 

 
 

 
 

 
  • Hits: 52