159 Hits

Publicatie op:
Ondergronds

Al sinds de dag dat ik voor het eerst mijn licht zag, laat ik het schijnen, vanaf de stoffige hardhouten tafel, over de rand, het donkere hol in. Willie is bezig met een ondergronds project, en ik brand nu al lang, omdat hij een brandend verlangen heeft.

Ik noem hem maar Willie, mijn schepper, niet persé omdat hij mij uitgevonden heeft in deze lichte tijden, maar omdat hij mij Lampje noemt. Eigenlijk heeft hij mij niet uitgevonden, maar wel hoe ik gevoed kan worden door mijn moeder, de oerbron van al het licht op aarde, terwijl ik loslig van de geaarde stopcontacten aan de muur. Zo ook mijn soortgenoot, aan de overkant, die ik bewonder door het kiertje in de muur wat een beetje licht van mijn moeder doorlaat, in mijn muur, in haar muur. Ze is net als ik een 9 Watt, dat kan ik wel zien. Haar peervormige lijf straalt een warme witte gloed uit.

Warm en spierwit komt Willie boven, doch bruin van de aarde, en zwart onder de nagels. Hij klopt het stof van zijn rafelige kleding. Hij aait mijn hoofd en moederkoek. ‘Ik ben er bijna, Lampje.’ Hij tilt een emmer aarde uit het hol en kiept die leeg op de grote berg achter de tafel.

Ik laat mijn licht schijnen over de verschrompelde Donald Duck, die naast mij op de tafel ligt, en daarna over de krant die op de voorpagina een grafiek laat zien met een stijgende lijn. De lijn geeft de oerkracht weer van mijn moeder, die in 2049 al ruim boven het menselijk aanvaardbare niveau kwam. Een echte powervrouw, die altijd brandt, waardoor ik altijd brand. Maar in deze lichte tijden is het hierbinnen altijd donker, op mijn schijnsel na, en dat ene kiertje.

Willie pakt een blik van een plank en eet de bruine smurrie die erin zit, en ook de etensresten uit zijn baard. Elke keer als hij een plank leeg heeft gegeten, dan neemt hij het hout mee de tunnel in. Zou hij aan het einde van de tunnel de plank weer vullen? Of zullen zijn verlangens daar gevuld worden door het einde? Hij zit op de onderste tree van een klein houten trapje dat naar een ongeopende deur leidt. De middelste treden ontbreken, die zijn ook in de tunnel verdwenen. Daarna rolt hij zich in een deken voor lange tijd, en een tijd lang kijk ik naar zijn ademhaling. In en uit, in en uit.    

Dit is zo al lang aan de gang, we zijn vast al een streepje verder op de grafiek. En ik probeer weer door het kiertje in de muur te kijken of ik een glimp op kan vangen van dat warmwitte peervormige lijf. En dan opeens gaat aan de overkant het licht uit.

Eerst gloei ik op van de stress. Nu begin ik te knipperen van ellende. Mijn peertje!

Het trekt de aandacht van Willie die naar me toekomt.

Ik roep: ‘Kijk dan, mijn peertje is uit!’ Maar ik weet dat Willie mij niet kan horen, en niet door het kiertje kan kijken, dat kan ik alleen.

Willie controleert het zonnepaneeltje en haalt zijn schouders op. Hij kruipt weer onder zijn deken. Willie blijft maar slapen, en ik blijf maar branden, maar voor hoelang nog? De vraagt overvalt me. Als peertje van het ene op het andere moment uit kon gaan, dan kan dat met mij ook gebeuren. Zomaar, opeens, uit. Of zou Willie mijn peertje nog kunnen repareren? Zou hij zonder mij nog doorgaan? Kan ik wel doorgaan zonder peertje? Zijn er misschien ook nog ergens appels?

Ik knipper weer, aan en uit. Dit kan zo toch niet doorgaan, mijn knipperende hoofd, er komt nog kortsluiting van. Als Willie opstaat en het hol weer inkruipt, besluit ik dat ik alleen nog positieve gedachtes ga toelaten, want als ik dan opeens uitga dan is het laatste wat ik denk iets moois. Ik kijk om me heen, maar ik zie alleen een lelijke kast, een lelijke trap, een lelijke tafel, een leeg blik bonen, een berg aarde. Bijna alles heeft de kleur bruin. Als ik uit mocht gaan, krijgt alles hier de kleur zwart. Ik probeer mijn eigen hoofd te zien, maar dat is niet gemakkelijk. Ik zie slechts mijn eigen schijnsel, maar dat vind ik in ieder geval mooi. Ik tuur de tunnel in. Ik hoor wat geschuifel en gezucht.

‘Lampje, ik ben er bijna,’ zegt Willie als hij boven komt. Er zitten korsten op zijn knieën die door de gaten in zijn broek zichtbaar zijn geworden, en door mijn schijnsel natuurlijk. Zonder mijn schijnsel zou alle ellende in deze kamer niet zichtbaar zijn. Betekent dat, dat ik beter uit kan gaan, of zorgt mijn schijnsel voor de moed om de ellende te verbeteren?

Willie kiept de emmer leeg op de berg en begint aan de tweede ronde. Dan moet het wel het laatste zijn, of is het de laatste moed? Dat kan opraken natuurlijk, net als de blikken op de planken. Als ik mijn blik op de planken werp, zie ik dat het nog maar één plank is met twee blikken.

Na een hele tijd hoor ik een wilde kreet uit de tunnel komen. Ik hoor geschuifel en gezucht dat snel dichterbij komt. Het is Willie gelukt! Toch? En nu komt hij terug, voor mij! Heeft hij peertje bij zich, of een nieuw blik, of wellicht een vriendinnetje voor hem? Dan noem ik haar Welmoed, want Willie heeft wel moed, en dan heeft hij ook Welmoed. Dat moet wel, want ik mag alleen maar positief denken. ‘Willie!’ ik knipper van enthousiasme, ik kan het niet tegenhouden. Aan en uit, aan en uit. En ik hoor dat Willie na…

Een review kan waardevol zijn voor de auteur maar heeft verder geen invloed op de waardering door de jury.

Feedback voor schrijfactiviteiten

Review voor: "Ondergronds"

21.06.21
Feedback:
Origineel!
  • Kwaliteit
    4.0/5
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
12.06.21
Feedback:
apart verhaal
  • Kwaliteit
    4.0/5
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig