Voor schrijvers, door schrijvers
  • Schrijfwedstrijd ‘De rode koffer’

    Schrijverspunt organiseert weer een spannende schrijfwedstrijd! Dit keer is het thema: ‘De rode koffer’

    Het genre is vrij, zolang er ergens in het verhaal maar op de een of andere manier een rode koffer in voorkomt. Hoe? Dat is aan jou! Laat je van de beste schrijfkant zien en schrijf een origineel verhaal. Zowel schrijfvaardigheid als originaliteit wordt gewaardeerd. Vanzelfsprekend heeft je verhaal geen schrijffouten… (Tip: Kijk ook eens naar de artikelen over schrijven op de website van Schrijverspunt!)

    De afgelopen keren was het niveau van de inzendingen hoog, dus doe je best!

    De jury bestaat uit:

    • Wouter Grootenboer (Redactie Schrijverspunt)
    • Edith Eggenkamp ©Inspiratiewater (Voormalig panellid)
  • Voorwaarden

    • Deelname is mogelijk van 15 mei t/m 31 juli 2020.
    • Verhalen dienen online geplaatst te worden op de website van Schrijverspunt. Je moet hiervoor eerst inloggen en een gratis account aanmaken.
    • De maximale lengte is 1250 woorden.
    • Je inzending mag nog niet eerder zijn gepubliceerd, zowel op internet of in gedrukte / elektronische media.
    • Het is niet mogelijk verhalen nog te wijzigen na inzending, corrigeren van fouten doe je dus het beste voordat je het inzendt!
    • Het gebruiken van een pseudoniem is toegestaan.
    • Het thema ‘De rode koffer’ moet in het verhaal worden gebruikt.
    • Je mag slechts eenmaal deelnemen.
    • Door deelname aan de wedstrijd verleen je Schrijverspunt toestemming om je verhaal in de nog uit te geven bundel te publiceren.
    • Je verhaal is geschreven in de Nederlandse taal.
  • Wat kun je winnen?

    Bij voldoende kwalitatieve inzendingen zal Schrijverspunt een bundel uitgeven van de beste verhalen.

    Schrijverspunt stelt een boekenpakket samen voor de winnaar. Daarnaast ontvangt de winnaar een gratis exemplaar van de uit te geven bundel.

    De bundel kan tot de verschijningsdatum met 10% korting worden aangeschaft via de webwinkel van Schrijverspunt. Na de verschijningsdatum wordt de bundel zowel bij Schrijverspunt als bij de boekhandel zonder korting verkocht.

Meedoen is (nog) mogelijk:
Dagen
:
Uren
:
Minuten
:
seconden

Mijn leven

Met een geweldig geraas denderde de intercity New York - Philadelphia voorbij, hier in Edison had hij geen halte. Joseph schoof het vale gordijn nog meer open en keek geërgerd door het raam naar buiten. Niet dat er veel te zien was, het uitzicht beperkte zich tot een stuk van de vierdubbele spoorweg, daarachter de cementsilo's van Gerbers, rechts de sombere achtergevel van het kantoorgebouw Miles & Nevison en links de buitenkant van kamer zestien met gesloten rolgordijnen; waarschijnlijk lagen de gasten nog te slapen.   

Gelukkig overgoot de zon hun kamer met warm licht, telkens tussen tien en half twaalf, anders had Joseph zeker een andere kamer geëist, het was al erg genoeg dat ze moesten uitkijken op deze trieste uithoek van de provinciestad. Hij rookte de ene Lucky Strike sigaret na de andere, kon zich niet overgeven aan de rust in de kamer, stapte van het nachtkastje naar het open raam, of smeet het sigarettenpeukje de afgrond van drie verdiepingen in. Hij had zoals altijd zijn donkere gilet aan over een eenvoudig wit overhemd en droeg zijn alledaagse donkere broek. Het beloofde alweer een lange en warme dag te worden, toch hield hij koppig het wollen giletvestje aan.

De hotelkamer was sjofel ingericht. Josephs echtgenoot, Jo, zat in de enige zetel die in de tweepersoonskamer was voorzien, een eenvoudig exemplaar blauw fluweel gestoffeerd. Boven het bed, naast de lichtschakelaar, hing een verschoten poster van een schilderij van Edward Hopper. Het was de afbeelding van een erker waarin een eenzame vrouw in een groenachtige jurk op een schommelstoel zat, naast haar stond een laag houten tafeltje met daarop een tafelkleedje en een gelige vaas met rozen*. Jo vond het een prachtig schilderij en graag had ze het eens in het echt willen bewonderen, maar Joseph was niet zo'n kunstliefhebber. Ze had nog steeds, ondanks het uur van de dag, haar roze satijnen nachtjapon aan en las "Mijn leven", over het benijdbare glamoureuze en afwisselende leven van Susan Hayes. Jo probeerde zich in de lectuur te verdiepen, maar het stoorde haar dat Joseph zich zoals gewoonlijk vreselijk stond te enerveren. Naast haar stond een mahonie ladekast gevuld met hun kleren, de bovenste twee laden voor haar nylonkousen en lingerie, de twee onderste voor zijn overhemden, pullovers en ondergoed. Op de ladekast stonden een eenvoudige waterkaraf, twee glazen en een schoteltje meurende potpourri. De grote spiegel in een houten lijst weerspiegelde de hoge kleerkast waarin haar jurken en Josephs kostuum hingen.

Op het zuchtje wind dreef de geur van droog stoffig staal en dieselolie. Hij stond daar, ergerlijk roerloos te staren, sigaret aan de mond en blies de rook naar buiten die terstond door het windje weer naar binnen waaide. Er rolde een trage trein het station binnen, een zware locomotief die een twintigtal kolenwagons voorttrok. Bij elke wissel knarste het metalen gedrocht. Joseph wenste dat hij doof was, zo scherp klonk het snerpen in zijn oren.

Het wachten op Patrick, Josephs broer, zou nog wel een paar dagen duren, zijn trein was niet uit Pennsylvania vertrokken, zo berichtte hij in een telegram dat Joseph vanmorgen van de hotelmanager had ontvangen. Jo was allang blij dat ze eindelijk eens niets hoefde te doen, wassen noch strijken, niet denken aan het eten kopen of het eten koken, de ramen niet hoeven zemen of het bed niet moeten opmaken. Lekker niets doen, benen onder tafel schuiven, ook al was het restaurant van Hotel Juno niets waard, het ging om het gemak dat ze na dertig jaar huwelijk eindelijk eens mocht ondervinden. Trouwens, en dat hield ze wijselijk voor zich: ze keek er helemaal niet naar uit om weer twee mannen in huis te hebben. Patrick woonde sinds de dood van zijn vrouw bij hen in, omdat hij om het halfjaar seizoensarbeid deed in de koolmijnen van Pennsylvania. Jo verlangde eigenlijk naar een eigen leven, zoals in het boek van Susan Hayes beschreven stond, de vrijgevochten vrouw die haar eigen boontjes dopte en carrière had gemaakt in de modewereld. Jo had in een moment van overmoed, Joseph mocht het niet merken, besloten haar rode koffer niet helemaal leeg te maken: ondergoed, haar groene rok van stevige stof, de blauwe jumper en dichte schoenen had ze erin gelaten, net zoals het geld, een handvol dollars die ze thuis uit de blikken doos boven het aanrecht had genomen, genoeg om er een poos van te kunnen leven in de nieuwe stad waar ze zou aankomen.

's Nachts hoorde ze iemand om hulp smeken, het klonk niet van op de gang, maar vanuit het raam van kamer 16. Joseph snurkte verder zich niet bewust van het drama in de naastgelegen kamer. Jo hoorde stemmen aan de andere kant van de muur en voetstappen van diegene die sussend sprak...

Bij het karige ontbijt met slappe koffie vroeg ze ernaar, maar Joseph wist niet waarover ze het had, het interesseerde hem ook niet. Ook de manager wist niet waarover ze sprak en zei: 'U vergist zich zeker, kamer zestien is onbezet.'

De volgende nacht hoorde ze alweer gehuil en nu besefte ze dat het zijzelf was die aan het snikken was. Ze hallucineerde, nee, ze droomde van een ander leven. En de nacht fluisterde haar in het oor: hoeveel van alles wat hij je beloofde is gebeurd? Hoeveel tranen om wat nooit gekomen is, een kind. Noch het beloofde samenzijn in harmonie... Gaande tot de dood, de belofte trouw te zijn? Ze huilde stil terwijl ze voor haar geestesoog zag wat ze eigenlijk had gewild. De aankondiging van de morgenstond met schuchter bleek licht, ontving ze als een belofte dat het anders zou worden, beter.

Joseph werd moe wakker omdat er iets ontbrak, de lijfelijke warmte van zijn wederhelft. Hij lag alleen in de kuil in het midden van de oude afgeleefde matras. Ze was er niet, misschien was ze in de badkamer? Maar er spoelde niets door, er bruiste geen water uit de kraan, er klonk geen geneurie. Hij keek slaperig rond en merkte dat de bovenste lade van de ladekast open stond. Hij sprong op en trok de stramme lade open, leeg. Een enorme onrust deed hem naar adem snakken. Met grote onvaste stappen stapte hij door de kamer, greep zijn broek, sleurde zijn bloes aan, wurmde zich in zijn pullover. Toen hield hij zich in, zoals hij een paard zou tomen, iets hield hem tegen, hij wist zelf niet wat.

De ochtendzon verwarmde haar wezen. Dit was de nieuwe dageraad van haar leven, een brandschone lei, het vlammend vuur van de dag gaf haar de vrijheid te ademen. Haar doel lag voor haar, het juiste, en het pad was de eindeloze spoorweg naar het westen. De trein reed traag het station uit, knarste knerpend in de wissels, schokte plots links dan rechts voor het het rechte eind had gevonden. Haar coupé was leeg, ze had alle ruimte, haar rode koffer lag op het bagagerek voor haar, het label met haar nieuwe naam wiegde mee op de onverwachte schokken van de trein.

De trein rolde voorbij de achterkant van Hotel Juno. Op de derde verdieping stond een lange, magere man in een zwart colbert, roerloos met een sigaret tussen de vingers, te wachten op iemand die nooit meer terugkwam.

 

* Edward Hopper, "Room in Brooklyn", 1932

Dit verhaal ontstond n.a.v. het schilderij van Edward Hopper "Hotel by the Railroad", 1952

Dit artikel delen?
  • Hits: 40
(De gemiddelde waardering is 3 door 1 stem(-men)

Login of registreer (gratis) om een reactie te plaatsen