De bosuil en ik

© Odette Maassen op . Geplaatst in Verhalenwedstrijd

Onder de boom

Het is elf uur ’s avonds, het is donker, maar in het westen stralen de kassen een rozerode gloed de nacht in. De haven ligt er verlaten bij, oude roeibootjes liggen geruisloos op hun plaats. De nacht lijkt alles te sluiten, de madeliefjes en de snavels van de ganzen, die zich anders constant laten horen hier. Een geluid is goed hoorbaar, het geroep van een bosuil, een mannetje. Het geluid komt niet van ver, en als een beginnend vogelaar, zoek ik het geluid op. De enige boom die staat in deze venige haven, is een oude treurwilg. Misschien dertig of veertig jaar oud, hij held vervaarlijk over het water en zal het niet nog eens dertig jaar uit houden, maar voor nu staat hij er. De boom is een verzamelpunt voor leven, eerder zag ik een spreeuw en een merel hun intrek nemen in een holletje in de stam. Nu heeft de bosuil deze post uitgekozen om zijn aanwezigheid te laten horen, zowel mannetjes als vrouwtjes weten nu dat ze in zijn territorium zijn. Mijn aandacht heeft hij, al zal dat niet zijn doel zijn geweest. Nieuwsgierig ga ik onder de boom staan. Ik leg mijn hoofd in mijn nek om te zoeken naar een uil twaalf meter boven mijn hoofd. De afwezigheid van daglicht maakt het moeilijk meer dan silhouetten te onderscheiden in de wirwar van takken. Ik heb een hoofdlamp bij me, maar wil de uil niet afschrikken. Ik kijk, zoek, totdat dat een gek bult opvalt op een van de takken, niet groter dan 40 centimeter. Hij beweegt niet, maar het is duidelijk dat dit kleine omroeper moet zijn.
Natuurlijk ben ik niet de enige die onze omgeving goed in de gaten hebben, hij heeft mij ook door, en stopt met zingen. Stilletjes blijft hij zitten, hij ziet mij waarschijnlijk beter dan ik hem, met zijn grote zwarte ogen die gespecialiseerd zijn op de nacht. In dit veengebiedje barst het van de veldmuizen, woelmuizen en spitsmuizen. Alle drie heb ik ze al eens gezien hier, zoals de uil ze ook straks zal zien wanneer hij zijn post verlaat om op jacht te gaan. Voor nu zit hij hoog in de boom en sta ik met mijn hoofd in mijn nek naar boven te staren, naar een klein zwart bultje boven in een boom. De plek is mooi overdag, visdieven, bergeenden en kolganzen hebben van deze plek hun thuis gemaakt. In deze junimaand bloeien de koekoeksbloemen en waterlelies volop, veel mooier wordt het hier niet. Maar ’s nachts veranderd dit kleine natuurgebied in een magische plek. Ik ben blij dat ik hier woon, en ben dankbaar dat ik deze uil even mocht zien. 
Het is windstil, en nog een minuut kijken ik en de uil elkaar stilletjes aan. Dan vliegt hij weg, voelt zich te bekeken en de onrust wordt hem te groot. Geruisloos vliegt hij weg, zoals uilen dat doen. Laag over het water, op zoek naar een andere goede boom of misschien een muis. Ik bevrijd mijn hoofd uit haar ongemakkelijke positie en loop langzaam naar ons roeibootje, en roei langs de oude treurwilg, dieper de nacht in.