De boom

© Grid Gordinou op . Geplaatst in Verhalenwedstrijd

auteur: Grid Gordinou
gridgordinou@gmail.com


De boom

Haastig schoof hij het sixpack bier en de literfles goedkope wijn in zijn rugzak. Zijn handen trilden licht toen hij de kassière een briefje van tien aanreikte. Hij durfde haar niet aan te kijken, bang dat haar ogen hem zouden zeggen wat ze zagen: een zuiplap, een rare gast… een alcoholist. Zonder iets te zeggen en met zijn ogen nog steeds neergeslagen, nam hij het wisselgeld aan en liep hij snel de winkel uit naar zijn fiets die naast de ingang tegen de gevel stond. Zo snel hij kon, fietste hij door de dorpsstraat. Behendig ontweek hij langs de straat geparkeerde auto’s en andere weggebruikers. Dat ging hem op de terugweg niet meer lukken; niet na een fles wijn, zes biertjes en een halve liter Smirnoff, een overblijfsel van de vorige dag. Pas wanneer het donker werd, zou hij lopend, met de fiets aan zijn hand, aan de weg naar huis beginnen. Via de achterdeur zou hij naar binnen sluipen, vanuit de hal naar zijn ouders in de woonkamer roepen dat hij weer thuis was en snel zijn bed induiken, waar het uren zou duren voordat de stemmen in zijn hoofd hem eindelijk met rust lieten en hij zijn ogen even kon sluiten.

Hij fietste alsof de duivel hem op de hielen zat. Aan de rand van een bos minderde hij vaart en sloeg hij een smal bospad in. Na een minuut of tien zwaar trappen door mul zand, stapte hij af. Hij zette zijn fiets tegen de stam van een oude beuk en liep door platgetrapt kreupelhout het dichte bos in. De oude, verdorde takken kraakten bij elke stap die hij zette, als een klaagzang over de zware last die hun broze lijven zo plotseling kwelde. Stekelige takken van wilde braamstruiken grepen met hun lange armen naar zijn jeans en shirt, alsof ze hem tegen wilden houden. Hij liep stug door, het gejammer van de takken en het steken en trekken van de braamstruiken negerend. Dorst hield hem in zijn greep; zijn mond was droog, net als zijn keel. Maar het was vooral de stem in zijn hoofd, die hem deed verlangen naar de inhoud van zijn rugzak. Die stem, die irritante kut-stem van een of andere oude heks, zei hem keer op keer dat hij zich beter zou voelen als hij een slokje nam. De zwarte wolk in zijn hoofd zou oplossen, verdwijnen en de zon weer een beetje laten schijnen. Geen stralende zon tegen een strakke blauwe hemel, oh nee, daarvoor was het wolkendek te dicht. Maar dat hoefde ook niet. Hij was al blij met een paar stralen, net genoeg om de kilte uit zijn lijf te verdrijven, om hem weer even te laten voelen. Maar hij mocht nog niet drinken. Nu nog niet… pas als hij bij de boom was, bij haar.

Gedreven door dorst en het hevige verlangen haar weer te zien, begon hij steeds sneller te lopen. Hij struikelde over boomwortels, krabbelde weer overeind en rende door tot hij de rand van het dichte bos bereikte en uitkeek over een veld vol wilde bloemen en lange grashalmen. Hij bleef staan, zwaar ademend door de geleverde inspanning, en staarde met open mond naar de grote boom midden op het veld. Een tevreden glimlach gleed over zijn magere gezicht. De doorgaans spiedende, onrustige lichtblauwe ogen, leken tot rust te komen. Hij was er, hij had het deze dag weer gered om hier te zijn. Het was maar even, dat realiseerde hij zich tijdens de heldere momenten die hij nog zo af en toe had. Maar hier, onder de boom, bij haar, werden seconden minuten, minuten uren en uren dagen… tijd was hier niets.

Hij liep over het veld en probeerde bij zijn tocht de mooiste veldbloemen te sparen. Vooral die blauwe, want dat waren haar lievelingsbloemen. Ze zou het hem kwalijk nemen als hij ze vertrapte. Misschien zou het haar somber maken en dat was het laatste wat hij wilde. Hij wilde haar lach, haar donkerroze mond waarvan de hoeken zo heerlijk omhoog krulden als hij haar iets leuks vertelde, haar twinkelende groene ogen.
Hij naderde de boom, een oude eik die al een paar eeuwwisselingen had meegemaakt, en werd even getroffen door het onheilspellende gevoel dat ze er vandaag niet was. Toen zag hij het wapperende stukje blauwe stof dat, gedreven door de wind, om de ruwe boomstam krulde. Een zucht van opluchting gleed uit zijn openstaande mond en vlug liep hij door. Nog altijd buiten adem, nam hij de rugzak van zijn rug en liep hij om de dikke boom heen. En daar zat ze, onder de boom, onder hun boom, met haar rug tegen de ruwe stam, haar armen om haar opgetrokken knieën geslagen. De blauwe zomerjurk, met een knoopjessluiting over de hele voorkant, had ze opgetrokken waardoor hij vol zicht had op haar blote benen en een puntje wit van haar slip. Hierdoor was hij even afgeleid, maar hij herpakte zich snel en zei: ‘Je bent er… gelukkig.’
Ze keek hem liefjes aan. ‘Natuurlijk ben ik er. Waar zou ik anders zijn dan hier?’
Hij haalde zijn schouders op, zette de rugzak in het droge gras aan de voet van de boom en ging naast haar zitten. Zoals bij elke ontmoeting, keek hij haar een paar seconden vol verbijstering aan. In die andere wereld, de echte wereld, bekroop hem telkens de twijfel… was ze wel echt, was ze van vlees en bloed net als hij en geen schim, geen hallucinatie, geen niets… Nee, nu hij hier naast haar zat en hij haar stem hoorde, was hij weer overtuigd: ze was echt en ze was hier voor hem. Ze stak haar hand naar hem uit en streelde zijn stoppelige wang; zich fatsoenlijk scheren, schoot er de laatste tijd nog weleens bij in. Maar zijn slordige baard leek haar niet te deren. Ze hield van hem in al zijn vormen; zij hanteerde geen goed of slecht. Hij was wie hij was en dat was voor haar genoeg.
Hij greep zijn rugzak en ritste hem open. Hij hield haar de fles wijn voor. ‘Wil je ook? Ik heb helaas geen glazen.’
Ze schudde met haar hoofd, waardoor haar rode krullen leken te dansen. ‘Nee dankjewel. Het is goed zo. Neem jij maar.’
Hij grinnikte. Stomme vraag ook. Ze nam nooit iets, dat wist hij toch. Hij draaide de dop van de fles en zette hem aan zijn mond. In een paar slokken had hij de helft van de wijn naar binnen gegoten. Vanuit zijn mondhoek gleed een lichtrode druppel langs zijn kin naar zijn hals. Snel streek hij hem weg. Hij wilde geen wijnvlek in zijn shirt; daar zou zijn moeder maar over zeuren.

Hij leunde tegen de boomstam en keek om zich heen. De grauwe sluier die de dag tot dat moment had gekleurd, vervaagde. Het blauw van de korenbloemen werd blauwer, het rood van de klaprozen roder. Zelfs de irritante stemmen in zijn hoofd klonken opgewekt in plaats van dwingend, manipulatief en dreigend.
‘Ben je gelukkig liefste?’ klonk haar zoete stem.
Hij keek haar aan. Gelukkig? Een woord dat in zijn andere leven, het echte leven, niet bestond. Maar hier, onder de boom, bij haar… hier was de wereld mooi, hier was hij veilig, hier hoefde hij niet te vechten met zichzelf en de demonen in zijn hoofd, hier hoefde hij niets uit te leggen.
Er gleed een vredige rust over zijn gezicht: ‘Ja, ik ben gelukkig.’