245 Hits

Publicatie op:
De boom in
Vergaande verlegenheid en een groot gebrek aan zelfvertrouwen zijn kenmerkend voor Timo’s jonge bestaan. Vooral nu Paulien, die twee jaar ouder is en ook nog eens twee klassen hoger zit, zo veel in hem losmaakt, voelt hij zich daar meer en meer door belemmerd en verward.
Haar lichtbruine ogen zijn amandelvormig en ze heeft steile, donkerbruine haren die onwaarschijnlijk glanzen en achter haar aan lijken te dansen, wanneer zij met een groepje vriendinnen over het schoolplein rent. Soms draagt ze de haren in een lange, dikke vlecht, die zij over een van haar ranke schouders heen laat hangen.
Anders dan andere twaalfjarige meisjes, die jongere jongens minachten en straal negeren, maakt Paulien zo nu en dan vriendelijk en oprecht geïnteresseerd een praatje met Timo. Zelfs weet ze hoe hij heet en als zij naar hem lacht, dan lachen haar ogen ook. Voornamelijk is zíj aan het woord; ondertussen bonst Timo’s hart in zijn keel en stamelend beantwoord hij de vragen die ze stelt.
Paulien komt uit een groot gezin en heeft vijf of zes oudere broers en zussen. De allerjongste, Walter, die buiten ieder draaiboek om zijn opwachting maakte en onlangs vijf is geworden, weet zich het oogappeltje van zijn zeven jaar oudere zus.
In de Karel Klinkenbergstraat woont Paulien, direct om de hoek bij school, en regelmatig fietst Timo daar in zijn vrije tijd doorheen, in de hoop een glimp van haar op te vangen. Omdat Paulien en Walter bij mooi weer pal voor hun portiek buiten spelen, is het meer regel dan uitzondering dat het hem lukt haar even te zien. Hoe graag hij ook af wil stappen en spontaan een praatje maken, het blijft steeds bij ‘Hoi Paulien’ roepen, om daarna snel weer verder te fietsen.

Het is een zonovergoten lentedag en de thermometer op het balkon geeft tegen half vijf ’s middags nog altijd eenentwintig graden aan. Klokslag zes uur is het etenstijd en Timo mag van zijn moeder nog anderhalf uur buiten spelen. In zíjn geval betekent dat rondjes door de buurt fietsen; vriendjes in de straat heeft hij niet en de jongens die verderop op het grasveldje voetballen, zijn hem te ruw en minstens anderhalve kop groter dan hijzelf bovendien.
Gewoontegetrouw fietst hij naar de Karel Klinkenbergstraat, waar Paulien juist haar uiterste best doet een felgekleurde vlieger recht in de lucht te houden. Precies op het moment dat zij het oranje-gele gevaarte aan de kleine Walter wil overdragen en Timo ‘Hoi Paulien’ wil roepen, krijgt een plotselinge windvlaag grip op de zigzaggende vlieger en binnen luttele seconden verdwijnt het ding naar de overkant van de straat, waar het vast blijft zitten tussen het groene gebladerte van een monumentale kastanje. Als hij ooit in de gelegenheid is geweest te laten zien dat hij alles voor haar over heeft… Het is nu of nooit.

‘Echt niet, Timo, je laat het uit je hoofd, hoor. Als je eruit valt breek je misschien je nek of zo. Het is maar een papieren ding. Walter krijgt heus wel weer eens een nieuwe.’
‘Ik klim zo vaak in hoge bomen, maak je niet ongerust.’
‘Doe niet zo stom, Timo, alsjeblieft. Het is echt heel lief, maar doe het nou niet.’
Alsof het dagelijks werk is en de gewoonste zaak van de wereld, plaatst Timo zijn fiets stevig, ietwat schuin tegen de boom en klautert op de bagagedrager. Met één voet op het zadel lukt het, door zich heel erg uit te rekken, de onderste tak vast te grijpen en zich daaraan op te trekken. Tak voor tak weet hij zich verder omhoog te werken. Zijn ledematen trillen door de inspanning en van angst.
Op vijf meter boven de grond is de vlieger, tussen de bladeren van een schuin omhoog staande tak, blijven steken. De enige manier om het ding te bereiken, is met beide benen stevig om de tak geklemd, zichzelf met zijn handen, centimeter voor centimeter voorwaarts te trekken. Hij draagt een korte broek; de ruwe schors schuurt pijnlijk langs de binnenkant van zijn blote dijen die al snel vurig rood kleuren. Dat geeft zijn prestatie alleen nog maar meer aanzien, houdt hij zichzelf voor.
Nét wanneer het lukt de punt van de vlieger met z’n vingertoppen aan te raken, blijkt de tak tóch niet sterk genoeg om zijn gewicht te dragen en een onheilspellend kraken eindigt met een gemene, definitieve krak. Het laatste dat Timo hoort, voordat hij met een klap op de stoeptegels neersmakt, is het angstig gillen van Paulien.

Het is hier wonderbaarlijk licht. Stralend helderwit, zonder dat het pijn doet aan mijn ogen, zoals de koplampen van sommige auto’s doen. Dit zou weleens het hiernamaals kunnen zijn. Straks begint wellicht een engelenkoor uitbundig te jubelen. Wie zijn toch al die mensen die zo door elkaar heen praten? Is dat Paulien die m’n hand vasthoudt? Hoor ik haar broertje huilen? Het lijkt wel alsof iemand het licht zachtjes dimt. Het straalt veel minder en is minder betoverend en vooral ook minder wit. Meer mistig, een soort vage, grijze mist, een onbestemde, grauwgrijze mist die geleidelijk donkerder wordt, alsof er een dikke deken van duisternis over me heen wordt uitgespreid. De hele wereld is pikzwart. Zwarter dan de nacht. Is dat de sirene van een ambulance, daar in de verte? Het geluid komt steeds dichterbij. Misschien komen ze wel voor míj. Als ik nu maar niet wagenziek word en ga spugen. Hopelijk mag ik voorin zitten, dan valt het meestal wel mee. Eerst moet ik die vlieger nog uit de boom halen. Wat zal Paulien trots op me zijn.

Algehele blindheid na een lelijke val, het is uiterst zeldzaam, maar soms gebeurt het toch. Niet alleen hebben de beide netvliezen losgelaten, ook zijn door de harde klap Timo’s oogzenuwen onherstelbaar beschadigd. Na langdurig overleg, durven de artsen een operatie toch niet aan. Te riskant en daarnaast is de kans van slagen gering. Wie weet dat de medische wetenschap in de verre toekomst meer perspectief biedt.
Een overstap naar een speciale onderwijsinstelling om hem het brailleschrift eigen te maken is noodzakelijk. Timo’s moeder wordt op geruststellende toon verteld dat het niveau van dergelijke opleidingsinstituten tegenwoordig niet of nauwelijks meer onderdoet voor dat van het regulier onderwijs.

Paulien komt vrij geregeld op bezoek. Zowel in het ziekenhuis als in het revalidatiecentrum en daarna ook bij Timo thuis. Waarom hij per se toch in die boom wilde klimmen, haar nadrukkelijk waarschuwen ten spijt, blijft onbesproken.
Bijna dertien is Paulien, als ze na de zomervakantie naar de brugklas van het Barlaeus Gymnasium gaat en Timo zelf verblijft doordeweeks in Visio de Brink, een internaat waar blinde en slechtziende kinderen worden klaargestoomd voor een vervolgopleiding. In de weekenden is hij gewoon bij z’n moeder thuis.
Naargelang Paulien onmiskenbaar begint te puberen, worden de bezoekjes minder frequent en onvermijdelijk verwatert langzaam maar zeker het onderlinge contact.

Paulien is nu voorgoed uit zicht, al klinkt dat laatste in deze plaatsing ietwat sardonisch. Vergeten zal ik haar nooit. Regelmatig droom ik over die fatale dag. De dag toen het licht uitging. Dan hoor ik weer het naargeestig kraken van die ellendige tak, gevolgd door de laatste, catastrofale krak en het ijselijk gillen van Paulien. En voor de zoveelste keer beleef ik weer het traagzaam doven van het buitengewoon heldere licht. Wanneer ik kletsnat van het zweet en met een wild bonzend hart wakker word, is daar de absolute donkerte die mij omhult. De wereld is pikzwart geworden. Eens zal dat misschien vertrouwd en veilig zijn.

Een review kan waardevol zijn voor de auteur maar heeft verder geen invloed op de waardering door de jury.

Feedback voor schrijfactiviteiten

Review voor: "De boom in"

15.05.21
Feedback:
Aangepast door webmaster
  • Schrijfkwaliteit
    3.0/5
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
  • Ewald Hagedorn 20.05.21
    Ilonka, dank je wel voor het lezen en voor de drie sterren. Beetje jammer dat je dat niet in een reactie verder toelicht.
    • Ewald Hagedorn 20.05.21
      @Ewald iIonka - Ylonka
    • Ewald Hagedorn 20.05.21
      @ylonka jaspers Smaken verschillen zeker, Ilonka. Dank voor je antwoord.
    • ylonka jaspers 20.05.21
      Ik vind de eerste gedeelte van het verhaal wel leuk om te lezen maar daarna vind ik het wat minder. Ik vind eigenlijk het verhaal strafblad veel beter. Maar trek niet teveel aan van mijn mening want smaken verschillen.