93 Hits

Publicatie op:
Al Capone

Hallo, ik ben Arno. Mamma heeft aan Saskia, mijn psychiater, verzen getoond van mijn schooljaren. Saskia vond datmijn pen vol fantasie ziten dat schrijven een gunstige invloed kan hebben op mijn overprikkeling. Wanneer mijn hoofd barst van de stoorzenders, zo noem ik dat gevoel.Denk aan de films over de Tweede Wereldoorlog, waarin de op Londen afgestemde radio alleen maar gekraak en gepiep uitbraakte. Akelig. Het is waar dat ik graag met woorden goocheldeop school. Ze kwamen vanzelf in me op en ik speelde er mee zoals meteen elastiekje tussen je vingers. Het ene woord gaat over in het andere.

Jolien, mijn zusje, staart naar haar laptop als een konijn naar een lichtbak. Dat is een uitdrukking. Uitdrukkingen mag je niet letterlijk nemen, en toch is het zo: ze zit naar het scherm te gapen als een konijn naar een lichtbak. Trigonometrie, zie ik over haar schouder, destijds mijn lievelingsvak. Afstandsonderwijs in coronatijden. Ik sluip geruisloos naar mijn kamer en zet de computer aan.

Gisteren was mijn verjaardag. Ik ben drieëntwintig jaar en een dag oud. De woorden van Saskia indachtig, probeer ik de gebeurtenissen van gisteravond te beschrijven en mijn emoties netjes op een rij te zetten. Orde schenkt gemoedsrust.

 

Mijn vader komt thuis van het werk. Ik vraag of hij een goede dag heeft gehad en een biertje wil drinken. Sinds mijn toestand vaststaat, stel ik die vraag iedere avond van maandag tot vrijdag. Dat dient om de sociale band te versterken, zegt Saskia. Kennelijk helpt het, want hij tiert niet meer dat ik een onhandelbare pest ben en hij raakt me niet meer aan.

‘Arno, vanavond drinken we een glas cava voor je verjaardag,’ zegt mijn vader luid. ‘Gefeliciteerd, jongen. Ik heb een verrassing voor je.’

Een verrassing? Het zoemt tussen mijn oren. Ik merk dat mama hem aankijkt en lichtjes het hoofd schudt. Dat betekent afkeuring. Zou ze het geruis in mijn hoofd hebben waargenomen? Achterhalen wat anderen denken is hartstikke zenuwslopend. ‘s Avonds voel ik me zo leeg als de laatste bus.

Blijkt dat we vanavond met z’n vieren gaan eten bij Don Carlo, de duurste pizzatent van de stad. ‘Ze hebben Al Capone’, vervolgt mijn vader met rustiger stem. Ik vraag of de ingrediënten precies dezelfde zijn als bij Stromboli, waar we altijd lekkere afhaalpizza’s bestellen. Die zijn vast goedkoper, denk ik, maar ik zeg het niet. Mama heeft me getoond met een verhaaltje dat hij dan boos wordt en dat het beter is te zwijgen. Mijn social skills groeien, zegt Saskia.

Hij heeft het nagekeken op de website: ham, ansjovis, gele en oranje paprikareepjes, ei en knoflook.

‘Dat is het’, knik ik goedkeurend, ‘geen paarse paprika’s en vooral geen olijven. Sommigen zondigen daar tegen.’

‘Ik kijk er naar uit’, zegt hij. ‘Voor je verjaardag gunnen we ons een extraatje. Wat vind je ervan, Arno?’

Ik antwoord niet.

‘Is het een rustig restaurant?’, vraagt mamma.

Dat weet hij niet. Hij denkt van wel: prijzige restaurants trekken minder volk.

‘Minder volk is minder lawaai,’ zegt Jolien. Ze richtstrakke ogen op haar vader, waarna haar neus naar mij wijst. Haar woorden zijn een evidentie. Waarom zegt ze zoiets?

 

Voor we vertrekken slik ik mijn pillen, en toch krijg ik hartkloppingen wanneer we de Don Carlo binnenstappen. Een man met een ceremoniekostuum maakt een diepe buiging en leidt ons naar een tafel tegen de verste muur. Ik volg achter de rug van Jolien. Twee dikke vrouwen kijken me vreemd aan wanneer ik met een boogje langs hun tafel voorbij schuifel. Het restaurant zit halfvol.

De dienster, een zwart meisje van mijn leeftijd, heeft haar mond geverfd met een crèmekleurige lipgloss, haar oogleden zitten onder een vlammende make-up en ze heeft een uitdagend rond kontje. Terwijl ze luistert naar mijn vader, vuurt ze een vlugge zijdelingse blik op me af, die me treft als een stroomstoot. Ik duik in de menukaart. Wanneer mamma mijn naam zegt mummel ik ‘Al Capone’ zonder op te kijken. Het blijft een poosje stil. De tijd bevriest, zoals in mijn dromen. Dan volgt een plofje. Dat is haar stift die mijn keuze ingeeft op het tabletje.

Ik slik een paar keer, spoel mijn droge mond met spuitwater en sluit de ogen. Het geroezemoes dringt mijn oren binnen in aanzwellende golven. Kon ik ze maar net als mijn ogen afsluiten van de buitenwereld. Als ik de toestand niet onder controle heb, loeren de stoorzenders om de hoek. Dan is het zaak mijn verkeerslichten in te schatten, zegt Saskia. Als ik weet welk peil mijn emoties bereiken, kan ik planmatig handelen. Het licht staat op oranje, zeker weten. Diep inademen en niet denken, waarschuwt mijn draaiboek.

Ik herinner me niet wat er daarna is gebeurd. Met een inspanning kan ik het misschien terughalen, maar mamma vindt dat niet goed enverkiest het zelf te vertellen. Mijn licht is uitgegaan, weer zo’n uitdrukking van haar. Ik bekijk het eerder als een stand van mijn verkeerslichten. Ze zullen helrood geflikkerd hebben toen een bord al tonno voor mijn neus werd geschoven. Pizza met tonijn, wat een verschrikking. Ik heb het bord voor de voeten van het meisje kapot gesmeten en ik ben gillend naar buiten gestoven.

Mijn geheugen komt terug naarmate het gegier in mijn hoofd wegebt in de frisse avondlucht. Ik zie me op de dijk rennen. Ik hou van hardlopen in een strak ritme, met de zee als enige gezel. Achter me hoor ik de hijgende stem van Jolien. Ik kijk niet om, ik wil alleen zijn in mijn kluis, mijn thuishaven. Ik loop harder, zodat ze niet kan volgen.

Later, wanneer ik naast de trambeddingloop,naderen loeiende sirenes in mijn rug. Het ijzingwekkend geluid splijt mijn hoofd uiteen waardoor ik moet stoppen om mijn oren te bedekken. De politiecombi rijdt langs me heen en remt bruusk.Het geloei sterft uit. Mama stapt uit en komt me met trage passen tegemoet. ‘Arno, we brengen je naar huis’, zegt zelangzaam. Ze kijkt niet boos. De schuifdeur van de combi glijdtzachtjes open en een agent wipt tevoorschijn. Hij blijft op een afstand. ‘Dag Arno’, zegt hij met heldere stem. ‘We brengen je naar huis.’

 

Jolien dekt de tafel en mijn vader wijst naar vier gestapelde pizzadozen in de keuken. Stromboli, lees ik op het kassabonnetje. Hij trekt de mondhoeken lichtjes op, zijn lippen gaan uiteen en hij knijpt de ogen halfdicht als een kwajongen. Mijn vader, een kwajongen! Hij heeft een mooi gaaf gebit. Ik wilde dat ik het vaker kon zien.

‘Er zijn twee Al Capone’s’, zegt hij met een knipoog. ‘Ik wil dat ook eens proeven.’

‘De eerste is voor Arno’, roept mamma in de gang. Ze stapt naar de keuken. ‘Hij heeft vijf kilometer gelopen en het rommelt in zijn maag. Ik warm ze even op in de microgolf. ’

Hoe weet ze dat? ‘Vijfentwintig seconden op stand 1, mamma.’

Jolien heeft carbonara besteld en mamma margherita, zoals altijd. Mijn verkeerslicht staat op groen, net vers gemaaid gras in de morgenzon. Ik kan rustig uitbollen op automatische piloot. Ik ben doodop, letterlijk en figuurlijk leeggelopen, maar ik voel me veilig. Geborgen.

Papa kijkt me aan met nieuwe ogen. Ik wilde dat ik hem aan het lachen kon brengen. Papa de kwajongen die pizza Al Capone gaat proeven. Dan zie ik het.

‘Papa, je bent een kwajongen. Een kapoen.’

‘Ik een kapoen?’ lacht hij. Zijn wenkbrauwen fronsen niet. ‘Jij bent een kapoen. Mijn kapoen.’

‘Kapoen Capone’, glunder ik. ‘Kapoenen eten Al Capone.’

Een review kan waardevol zijn voor de auteur maar heeft verder geen invloed op de waardering door de jury.

Feedback voor schrijfactiviteiten

Review voor: "Al Capone"

23.07.21
Feedback:
uit het hart gegrepen! Erg goed! Graag gelezen! Groetjes van Ingrid
  • Kwaliteit
    4.0/5
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
22.07.21
Feedback:
Dit moet uit elkaar- Datmijn Dat mijn. enverkiest en verkiest
  • Kwaliteit
    3.0/5
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
  • Luc Declerck 22.07.21
    Inderdaad. Er komen nog meer aaneengeschreven woorden in voor. Na het uploaden schrok ik toen ik het zag. Ik begrijp niet wat er is gebeurd. Dergelijke fouten merk ik onmiddellijk op en mijn spellingchecker ook. Sorry Ylonka, ik begrijp dat dit de lectuur bederft.