Loading...
Sprookjes

Sprookjes behoren tot een oude orale traditie en bevatten vaak een zedenles of diepere wijsheid. Het woord sprookje is afgeleid van het middeleeuwse 'sproke', dat verhaal of vertelling betekent. Als ongeschreven vertelling richtte een sproke zich tot ongeletterde volwassenen. Via de orale traditie kregen zij de moraliserende verhalen mee. Tegenwoordig zijn "sprookjes" kinderverhalen met levenslessen.
De bekende sprookjes kennen we natuurlijk allemaal maar we lezen/horen ook graag verhalen die zelf verzonnen zijn. In deze rubriek bieden we de mogelijkheid om zelf verzonnen sprookjes toe te voegen. Gewoon om lekker voor te lezen voor kinderen of wie ze ook maar horen wil.

Wil je ook een sprookje publiceren op Schrijverspunt? Dat is mogelijk door eerst een te loggen. De tekst mag niet meer dan 750 woorden bevatten. 

Sprookjes

Peter en de Uil

 

Peter ligt te draaien en te woelen in zijn bed. Klaarwakker.
Het wordt laat en bijna donker. Hij glijdt uit zijn bed om naar buiten te kijken. Tussen de huizen aan de overkant ziet Peter grote zwarte schaduwen. De bomen bewegen voorzichtig een paar blaadjes zonder dat iemand het merkt.  Plotseling ziet hij een grote vogel in het maanlicht. Die landt op de onderste tak van de notelaar niet ver van Peters raam. Het is een prachtige uil.

‘Dag meneer de uil’, fluistert Peter.

‘Dag Peter’, zegt de uil.

Hij is verrast. ‘Hoe ken je mij?’

‘Peter, ik ben de uil van de Greenhillstraat. Ik ken alle mensen die hier wonen, hebben gewoond en er nog zullen wonen. Noem mij maar gewoon Uil’.

Peter’s mond valt open.

‘Kom je hier elke avond?’

‘Ik kom bij iedereen die me nodig heeft’, zegt Uil.

‘Ook bij mij?’

Uil geeft geen antwoord, maar vraagt aan Peter: ‘waarom slaap je niet, als je in je bed ligt?’

‘Ik kan niet slapen.’

‘Hoe komt dat dan?’

Peter moet even nadenken.

‘Ik zie vreselijke dingen in mijn hoofd , Uil. Kan jij die eruit halen?’

‘Ik wil je graag helpen’, zegt Uil, ‘maar dan moet je me vertellen wat je ziet.’

Beschaamd vertelt Peter dat hij het enige kind op de hele wereld is dat niet touwtje kan springen. Hij is vreselijk bang dat hij daarom wordt uitgelachen.

‘Is dat al vaak gebeurd, Peter?’

‘Eh nee, nog nooit’

‘En wil je graag leren springen?’

‘Ja, natuurlijk!’

‘Maar hoe kan jij me daarmee helpen?’, vraag Peter, ‘uilen kunnen toch niet touwtje springen?’

‘Nee, en mensen kunnen niet vliegen! Peter, je zal moeten oefenen.’

‘Maar dat kan ik niet!’

Uil kijkt Peter in zijn ogen en ziet zijn tranen glinsteren.

‘Jij bent de enige die het kan doen, Peter. Ik zal je helpen vol te houden, afgesproken?’

‘Afgesproken’, mompelt Peter.

‘Tot morgen’.

Met een sierlijk boogje vliegt Uil weg, het lijkt net alsof hij met zijn vleugel naar Peter zwaait.
Wat een bijzonder gesprek was dat! En wat zou Uil eigenlijk bedoelen? Peter heeft geen tijd meer om daarover na te denken, doodmoe valt hij in slaap.

De volgende morgen staat Peter vrolijk op en wil zich gaan aankleden.
Geschrokken blijft hij staan. Bovenop zijn kleren ligt als een opgerolde slang zijn springtouw, met in het midden een veertje. Van Uil.

Het is niet fijn, niet leuk en helemaal niet grappig, nog een geluk dat niemand hem zo kan zien!
Struikelend over zijn eigen tenen, woest omdat het niet lukt, bedenkt Peter hoe hij van dat vreselijke touw verlost kan raken. Zonder dat iemand het merkt. Met een rood hoofd rent hij naar binnen en roept tegen zijn moeder dat ze de kachel moet aanmaken. Dat touw zal goed branden!
Mama houdt Peter tegen.

‘De kachel? Midden in de zomer? En je hebt het al zo warm. Wat ben jij van plan met dat touw achter je rug?’

Peter hapt naar adem, hij weet niet wat hij moet doen.
Zijn papa en mama nemen hem mee naar de tuin waar ze in de schaduw voor Peter het touw laten draaien. Zonder iets te zeggen blijven ze doodleuk staan draaien tot hij er eindelijk in springt. Na een tijdje gaat het vanzelf beter.
Ineens voelen ze een zachte bries. Boven hun hoofden zien ze een uil die zich verstopt in de kruin van de boom. Hoe is het mogelijk, een uil midden op de dag? Zijn ouders willen de vogel wat beter bekijken, maar Peter zegt:

‘Nee, voorzichtig, anders gaat hij weer weg’.

Verbaasd vragen ze Peter of hij zo'n uil al eerder heeft gezien.

‘Ja, maar nog nooit in de tuin. Zullen we weer gaan touwtje springen?’

Peter wil Uil laten zien dat hij niet voor niets is gekomen. En Uil? Die blijft net zo lang zitten totdat Peter kan springen zoals alle andere kinderen. Uitgeput kruipt Peter die avond in zijn bed, te moe om wakker te blijven tot de schemering. Hij droomt.

‘Dag Peter’, zegt Uil.

‘Dag Uil! Was jij dat vanmiddag?’

‘Jazeker’.

‘Dank je wel, Uil!’.

‘Je hebt dat goed gedaan, Peter’.

‘Kom je nog eens langs?’

‘Je mag het altijd vragen’.

‘Slaap wel, Uil’.

‘Slaap wel, Peter, en tot de volgende keer’.

Dit artikel delen?
Pin It
  • Hits: 266

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

Nomineer deze schrijver!

Bezoekers van Schrijverspunt kunnen 2 schrijvers nomineren voor de titel van talentvolle schrijver 2019. Je kunt de schrijver van dit artikel nomineren door op de blauwe button te klikken.