Hanne Lemahieu

Zelfmoord: tweeluik

© Hanne Lemahieu op 03.12.2022.

Rupert

De avond ging snel over in de nacht. Rupert sloot voorzichtig de deur van zijn slaapkamer. De gang was donker en verlaten. Zijn ogen hadden even tijd nodig om aan het donker te wennen en hij werd een ogenblik duizelig. Zijn hoofd bonsde en zijn armen en benen waren zwaar. Toen zijn duizeligheid over was, liep hij wankelend naar de grote marmeren trap die uitkwam in de grote inkomhal, zich er pijnlijk van bewust hoe zwaar hij op de balustrade en de trapleuning leunde. Het koude marmer onder zijn voeten deed hem twijfelen toen hij eindelijk van de laatste trede stapte op de al even koude vloer van de grote hal. De dubbele deuren waren uiteraard stevig afgesloten en bewaakt maar Rupert kende het paleis vanbinnen en vanbuiten. Als kind hadden hij en zijn broer zich ontelbare keren verstopt voor de butler of de kokkin die zichzelf beschouwden als de meesters over hun werkterrein en hun kattenkwaad niet konden waarderen.
Het kostte hem dus geen moeite om de keuken en de bijkeuken te vinden vanwaar een klein halletje naar een rommelhok liep dat op zijn beurt een ongebruikte deur die uitgaf op vergeten hoek van de paleistuin uitkwam. Aangezien de deur nooit gebruikt werd, nam niemand de moeite haar te onderhouden. Hetzelfde gold voor de deur tussen de hal en het rommelhok. Deze laatste ging krakend open en hij bleef een ogenblik stokstijf staan voor hij naar binnen sloop, de deur achter zich weer dichttrok en de roestige sleutelbos van het haakje bij de deur griste. Hij wachtte opnieuw een ogenblik, luisterde en opende dan de deur naar de tuin.
Een koude wind sloeg hem in het gezicht en hij moest even op adem komen. Het vergif in zijn bloed deed onherroepelijk zijn werk. Ook al had zijn moordenaar hem het gif in kleine beetjes toegediend, toch zou het niet lang meer duren voor hij zou bezwijken en dat gunde hij hem of haar niet. Hij wist dat zijn broer razend zou zijn dat hij zo lafhartig en egoïstisch was, maar hij had ook zijn trots. Sterven zou hij toch, daar hoefde hij niet langer aan te twijfelen.
Isla was hem goedgezind. De bomen boden overvloedige schaduw die hem zo goed als onzichtbaar maakten voor de wachters die de grote toegangspoort verderop bewaakten. Hij liep de andere richting uit tot aan de tuinmuur en volgde die een eind tot bij een klein hek dat al even roestig was als de sleutelbos in zijn hand. Zonder aarzelen koos hij een van de sleutels, stak die in het slot en draaide hem om, zo snel als hij kon zonder zichzelf door het geklingel van metaal te verraden.
De spanning om zich geruisloos voort te bewegen en doodstil te blijven putte hem uit. Het zweet stond verraderlijk op zijn koortsige voorhoofd. Hij rilde over zijn hele lichaam en vocht tegen een nieuwe golf van duizeligheid. De kloppende pijn in zijn hoofd werd sterker alsof ze de seconden, minuten of uren aftelde die hem nog restten.
De koude wind ging liggen en de weldaad daarvan deed Rupert genoeg opknappen opdat hij zich er onaangenaam bewust van werd dat hij enkel zijn nachthemd aanhad en dat hij moest voortmaken voor de wachters aan hun vaste ronde om het paleis begonnen en hem hier aantroffen.
De wachters mochten dan al vaak hun plicht verzuimen, hun kapitein ontging niets.
Onder het lopen werden zijn benen almaar zwaarder en hij was al snel weer buiten adem.
Hij zuchtte diep terwijl de twijfel weer aan hem begon te knagen.
Misschien handelde hij toch iets te overhaast. Misschien was het al te laat en zou hij zo meteen hier aan de kant van de weg neervallen.
Toch stapte hij door, vastberaden zijn plan ten uitvoer te brengen en na wat hem een eeuwigheid toescheen kwam hij bij het meer. Hij liet zich neervallen op de kleine zandstrook aan de oever. Het was weken, zo niet maanden, geleden dat hij hier voor het laatst was geweest. De herinneringen aan de vele momenten die hij hier samen met zijn broer had doorgebracht waren eindeloos. De eerste was voor Rupert nog altijd de mooiste. Hij stond in dubio terwijl hij zich warm voelde worden vanbinnen door terug te denken aan het moment maar tegelijkertijd de herinnering wilde wegduwen omdat hij wist dat met haar ook de twijfel zou terugkeren.
Het was een paar jaar geleden geweest. Roderick had een zware discussie gehad met hun vader en Rupert had zijn broer later hier aan het meer teruggevonden. Ze hadden niet met elkaar gesproken, alleen samen naar het water gekeken. Hij had zich suf gepiekerd over wat hij kon zeggen tegen zijn broer die duidelijk gekwetst was. Roderick had gemerkt dat hij niet op zijn gemak was en had hem ronduit gezegd dat zijn gezelschap genoeg was. Met een glimlach had hij die woorden bezegeld en er was geen verdere uitleg nodig geweest. Sindsdien had Rupert hem regelmatig meegenomen naar het meer.
Het spijt me, Roderick. Wees alsjeblieft niet kwaad, als je me al zult missen. Niet dat die kans groot is nu ik je zo in de steek laat.
Het wateroppervlak rimpelde. Er stak een licht briesje op maar nauwelijks genoeg om het water te beroeren. De rimpels vergrootten en werden lichte golven. Het water stroomde steeds verder het zand op en voelde bijna heet aan zijn verkleumde voeten. Hij balde zijn vuisten en zijn ijskoude vingers maakten duidelijk dat het niet het water was dat bijzonder warm was maar hijzelf die het ijskoud had, afgezien van zijn gloeiende voorhoofd.
Het water doorweekte nu de zoom van zijn nachthemd en hij werd zich opnieuw pijnlijk bewust van zijn verschijning.
Hij ademde diep in terwijl iedereen die hij kende en die hem dierbaar was voorbij gleed in zijn gedachten. Roderick, die geregeld terugkwam, de raadsheer, de kapitein, diens rechterhand, Hettie, zijn eerste stiekeme liefje…
Zijn ouders en zijn zus zag hij niet.
Ondanks Roderick zijn afkeer als die het zou weten, verdacht Rupert hun ouders en Elina.
De golven werden groter en stroomden nu allemaal samen naar eenzelfde punt in het midden van het meer. Een straal water spoot omhoog als een schitterende fontein. Twee meter boven het wateroppervlak plooide de straal open als een bloem die ontluikt.
Uit de straal schoot een tweede straal omhoog die langzaam de vorm aannam van een menselijke, vrouwelijke gedaante. Ze had geen handen en voeten. Haar ledematen leken vergroeid te zijn met de kroonbladeren. Ze was heel frêle. Haar middel was niet veel breder dan de stengel die gevormd werd door de oorspronkelijke waterstraal die nu groen kleurde. Hier en daar ontsnapte een straal water met een lichte schuimkop die als een schil naar beneden gleed en verdween in het kabbelende azuurblauwe water.
Rupert snakte naar adem.
Slechts enkelingen hadden ooit Eïsé, de manigri, de nimf van verlangen, aanschouwd.
De nimf van verlangen had een smal ovaal gezicht, grote donkerblauwe ogen die diep in hun kassen lagen en een klein mondje met donkergroene lippen. Haar witte huid had een groene schijn.
Ze keek op hem neer en hij voelde zich heel klein en nederig worden tegenover de ontzagwekkende verschijning die zich maar zelden aan iemand verscheen. Hij zakte door een knie en boog het hoofd, ervan overtuigd dat de koorts hem eindelijk klein gekregen had en hij zich dingen begon in te beelden.
Toen de manigri sprak klonk haar stem warm en vriendelijk.
“Wat kan ik voor u doen, mijn prins?”
Rupert kon niet antwoorden. Hij was te veel onder de indruk van de feeërieke verschijning. Waarom verwaardigde ze zich om aan hem te verschijnen? Hij, en vele anderen voor hem, hadden hier aan het meer hun wensen en verlangens gespuid opdat de manigri deze zou kunnen vervullen. Het was bijna heiligschennis om te twijfelen aan het bestaan van de manigri maar sinds mensenheugenis zou het slechts drie eker gebeurd zijn dat de nimf van verlangen zichzelf had geopenbaard al de formidabele kracht die het meer bezat.
En hier stond hij, Rupert, oog in oog met die kracht.
De manigri wachtte even. Toen ze tenslotte sprak, klonk haar stem verrassend warm en zacht voor zo’n rijzige figuur.
“Majesteit, u hebt mij veel van uw wensen toevertrouwd. Ik weet dat u vol zorgen zit.”
“Machtige manigri, niet alleen ben ik te verbaasd en te zeer onder de indruk van uw verschijning om mijn wens uit te spreken, ik schaam mij ervoor. Dit is de simpele waarheid, geen poging om u met zinloze vleierij in te palmen om u te overtuigen deze wens alsnog te vervullen.”
Eïsé nam hem op met haar grote, blauwe ogen.
“Ik luister.”
Maar Rupert kon de woorden niet over zijn lippen krijgen. Hij had nooit naar hier moeten komen. Hij had moeten luisteren naar de stem in zijn hoofd die almaar twijfel zaaide. Hoe kon hij verwachten dat zo’n prachtig, verbazingwekkend wezen als de nimf van verlangen zijn egoïstische wens zou volbrengen?
Hij schudde hulpeloos zijn hoofd.
“U zal mij verafschuwen. Ik zal u vervullen met afschuw voor elke onschuldige ziel die uw hulp komt afsmeken.”
“Ik heb vele afschuwelijke verlangens aangehoord, mijn prins. Spreek uw wens uit en ik zal bepalen of ik haar vervul, zoals ik doe met elk verzoek, zonder een oordeel te vellen.”
Hij rechtte zijn rug en keek in de grote bedwelmende ogen.
“Ik wil sterven.”
Eïsé verdween niet zoals hij gevreesd had en ze ontstak ook niet in woede terwijl het water in torenhoge golven op hem af kwam rollen om hem te verzwelgen.
Hij had een gemengd gevoel hierbij. De twijfel was weer komen opzetten en als Eïsé hem de rug had toegekeerd had hij daar heel gemakkelijk aan kunnen toegeven.
De manigri zei: “Hoogheid, als het uw wens is, zal ik uw levensenergie hier en nu uit uw lichaam wegnemen. U zult sterven op de zachte deining van de diepste slaap, die u de mooiste dromen zal schenken zonder dat nare herinneringen uw geest vertroebelen. Twijfel noch angst zal u kwellen. Doch bezin alvorens u beslist en bedenk wel: Ik heb geen macht over uw ziel.”
Rupert keek omhoog. Hoewel ze ver van hem verwijderd was, had hij elk woord perfect kunnen verstaan. Hij weigerde echter haar raad op te volgen. Hij wilde niet weer beginnen twijfelen. Twee keer had hij zichzelf kunnen overtuigen om door te zetten. Een derde keer zou hij dat niet meer kunnen.
De dood zou de ultieme oplossing zijn. Slaap noch wake brachten zijn geest rust. Zijn laatste gedachte verwoorde hij hardop: “Ik wil tot op het laatste ogenblik zelf over mijn leven beschikken.”
Zijn stem stierf weg en de stilte woog zwaar op hem. Zijn gedachten konden zich nu ongehinderd aan hem opdringen en de twijfel werd sterker dan ooit.
Hij haalde diep adem en sloot zijn ogen in een poging om de groeiende storm in zijn hoofd tot rust te brengen.
Hij moest nadenken.
Hij moest nu een onomkeerbare beslissing nemen, kalm en beheerst.
Hij wílde ermee doorgaan, besefte hij.
De twijfel verdween en maakte plaats voor angst.
Geen angst om te sterven, geen angst voor pijn of het onbekende.
Angst voor Roderick zijn haat.
Het idee dat Roderick kwaad zou zijn en hij nooit de kans zou krijgen om hem uit te leggen hoe belangrijk het voor hem was om zelf uit te maken wanneer en hoe hij zou sterven, was hard. Hij wilde niet dat Roderick hem over het graf verwijten zou maken of erger: hem zou verachten.
Maar hij had een plicht op zich genomen ten opzichte van zijn jongere broer en stilzwijgend gezworen dat hij deze nooit zou neerleggen.
En nu zou hij dat toch doen.
Maar hij had geen keuze.
Hij zou het zichzelf nooit vergeven als hij het niet deed.
Hij was zich ervan bewust dat de manigri, die nog steeds boven hem uit torende, en waarschijnlijk zijn gevoelens en gedachten kende, woord voor woord, zoals hij ze zichzelf vertelde.
Op dit punt onderbrak ze die gedachten.
“Het is uw broer die uw beslissing bemoeilijkt.”
Het klonk half als een vraag die gesteld werd om iets te bevestigen.
Hij knikte.
Roderick was voor hem zoveel meer dan een broer die zijn steun nodig had, die bij hem uithuilde en die hem al zijn geheimen vertelde. Zijn broer, beste vriend en beschermeling was niet alleen als een zoon die in hem een vader zocht maar hij gaf hem warmte en liefde zoals niemand anders dat deed. Roderick was de zin van zijn bestaan. En hoe waardevol die bestaansreden ook was, toch wilde hij, Rupert, nu een einde maken aan zijn leven.
Op dit punt schakelde hij zijn gedachten uit. De volgende gedachten wilde hij zelfs niet in zijn geest vormen. Roderick had het recht op zijn eigen gevoelens. Daar mocht niet mee geknoeid worden. Hij, Rupert, verdiende de pijn die hij zou voelen als hij over de Grens tot in alle eeuwigheid telkens weer geconfronteerd zou worden met de haat van zijn broer.
Hij wenste vurig dat het anders kon.
Hij kwam overeind uit zijn geknielde houding.
Hij had de beslissing genomen.
Zijn benen waren verkrampt en hij kon niet meer dan kleine stapjes zetten naar het water toe.
“Machtige manigri, aanhoor mijn wens. Ik wens vandaag te sterven in de wetenschap dat mijn broer gelukkig zal zijn, vrij van zorgen en gevaar.”
Eïsé boog.
“Ik hoor uw wens. Beschouw haar als vervuld.”
Eïsé schreed over het water naar hem toe. De twee waterstralen die haar armen waren kwamen naar omhoog en twee fijne waterhanden werden met een verrassend teder gebaar op zijn wangen gelegd. Ze bracht haar gezicht tot vlak bij het zijne en hij zag water stromen achter de flinterdunne, doorzichtige huid. Een ijzige koude raakte zijn lippen en er liep een koude rilling over zijn rug. Er liep water uit haar mond over zijn lippen zijn eigen mond binnen. Eerst een beetje en dan steeds meer tot hij nog amper adem kon halen. Bloed en water begonnen als een razende door zijn lichaam te stromen en zijn ledematen werden slap.
Zoals Eïsé beloofd had, leed hij geen pijn. Sterker nog, de pijn in zijn hoofd en de koorts verdwenen terwijl het water in zijn aderen zijn lichaam afkoelde.
Eïsé plaatste een koude hand onder zijn nek en de andere onder zijn rug toen hij in elkaar zakte en hield hem in haar armen als een kind. De spieren in zijn nek begaven het en zijn hoofd viel naar achteren. Het ijle, verdovende gevoel in zijn hoofd nam toe en terwijl hoofdpijn, koorts en twijfel samen met het leven uit hem wegvloeiden, had hij zijn laatste gedachte, helder als kristal: “Ik heb het juiste gedaan.”

Roderick

Roderick bleef abrupt staan toen er een scherpe kou opbloeide in zijn hoofd. Hij hoorde de stem van zijn broer in zijn hoofd: “Machtige manigri, aanhoor mijn wens. Ik wens vandaag te sterven in de wetenschap dat mijn broer gelukkig zal zijn, vrij van zorgen en gevaar.”
Een eeuwenoude stem antwoordde: “Ik hoor uw wens. Beschouw haar als vervuld.”
Roderick brak door het weelderig tierende struikgewas aan de oevers van het wensmeer. Het tafereel dat hij aantrof, vervulde hem tegelijkertijd met verwondering en afschuw. Rupert hing in de armen van Eïsé, de nimf van verlangen. Bewegingloos. Dood.
Iedereen geloofde dat de magie van het meer die elke wens vervulde afkomstig was van een andere bron dat het water zelf. De magie zelf zat niet in de natuurlijke elementen water, lucht en aarde die aanwezig waren in en rond het meer maar werd belichaamd door de manigri Eïsé. Net als elke nimf was Eïsé onlosmakelijk verbonden met haar omgeving. Niemand twijfelde aan het bestaan van de manigri maar slechts enkelingen hadden haar ooit met eigen ogen en zij werden amper geloofd als ze het navertelden.
Roderick kon amper geloven dat hij een van deze bevoorrechte getuigen was geworden. Temeer omdat de grootse gebeurtenis gepaard ging met een van de gruwelijkste, meest onvoorstelbare dingen die hem konden overkomen: de zelfmoord van zijn broer. Een scherp “Nee!” stierf in zijn keel, versmacht door verbijstering en, zelfs op dat moment, spijt omdat hij een wonder aanschouwde en er niet van kon genieten.

Roderick voelde de ene rilling na de andere over zijn rug en door zijn lichaam gaan terwijl hij in het zand geknield zat, starend in het water zonder iets te zien. Hij sloeg zijn armen om zich heen, wetende dat het een vergeefse poging was. De verdovende kou werden niet veroorzaakt door de wind of de regen maar werd uitgeademd door de ontluikende bloem in zijn hoofd. Alleen aan hun moeder en grootmoeder hadden hij en Rupert ooit verteld dat ze oorsprongsmagie bezaten. Hun moeder had bedenkelijk naar haar eigen moeder gekeken die op haar beurt haar armen over elkaar had geslagen en haar hoofd geschud had. Ze geloofde er niets van.
“Zie je nu wat ik al die jaren bedoeld heb, schat”, had ze gezegd, “Ik heb het altijd gezegd. Vroeg of laat zou het gebeuren. Dan zou hij gek worden. Dat komt ervan als je die jongens te veel toegeeft. Ik heb nooit geloofd in die onzin over oorsprongsmagie.”
“Nee, mam, het wordt tijd dat grootmoeder mij gelooft”, had Roderick gezegd voor Rupert zijn verhaal kon verdedigen. Roderick wist dat iedereen Rupert verweet wat hij ‘die onzin’ in ‘zijn arme broer’ zijn hoofd had gestoken.
Roderick herinnerde zich die bewuste avond nog levendig. “Elke magische stroming heeft ergens haar oorsprong”, had Rupert hem uitgelegd terwijl ze samen wachtten op hun moeder die een verhaaltje zou voorlezen. Rupert had deze verhalen al gehoord en later zelf gelezen toen hij klein was, meer dan tien jaar voor Roderick geboren werd. Roderick had zijn broer die bewuste avond gevraagd of hij het niet vervelend vond om er telkens bij te komen zitten als moeder hem voorlas. Rupert had geglimlacht en hard door Roderick zijn warrige, dikke haar gewreven tot hij Rupert zijn hand wegsloeg. Terwijl hij een verwoede poging deed om zijn haar plat te strijken had Rupert gezegd: “Zolang jij het wil, zal ik het blijven doen, kleine broer.”
Roderick had hem aangekeken en gevraagd: “Echt?” Rupert had opnieuw geglimlacht. “Echt waar.”
“Waarom?”
“Omdat ik je grote broer ben.”
Op dat moment was hun moeder de kamer binnengekomen. Ze had niets gehoord van het gesprek maar later, terwijl ze Roderick toedekte en Rupert met een kus naar zijn eigen kamer stuurde, had Roderick gevraagd of Rupert hem later meer wou vertellen over oorsprongsmagie. Hun moeder had Rupert zwaar berispt. Rupert was zonder nog een woord te zeggen in bed gekropen.
Na dat voorval was Rupert lange tijd heel zwijgzaam geweest. Hij maakte op Roderick de indruk van een slaafse gevangene die zwijgend zijn straf onderging. De vrolijke, onbezorgde gelatenheid en warme affectie waarmee hij Roderick doorgaans omringde, maakten plaats voor stijve gereserveerdheid. Roderick had zich in die tijd vaak alleen gevoeld. Hij miste zijn broer zijn gezelschap en verveelde zich dood.
Datzelfde gevoel van onbereikbaarheid en eenzaamheid voelde hij terwijl hij wezenloos in het water staarde. Net als tijdens die eenzame weken was Rupert zo dichtbij en toch zo ver weg. Roderick had zich destijds zo trots en bijzonder gevoeld toen hij een inval kreeg en in een flits begrepen had wat oorsprongsmagie werkelijk was.
Rupert zijn reactie toen hij hem gevraagd had waarom hij altijd maar bleef meeluisteren naar de oude verhalen was geweest: “Zolang jij het wil, zal ik het blijven doen, kleine broer. Echt waar. Omdat ik je grote broer ben.”
Maar Rupert was altijd al zo veel meer voor hem geweest dan een broer. Rupert was een vriend met wie hij kon lachen en dollen. Hij was als een liefhebbende vader, die hem troostte als hij viel en zich bezeerde. Hij was een rots in de branding waarop hij altijd kon steunen. Hij was zijn gids en beschermer die hem bij de hand nam als hij bang of onzeker werd. Hij was op zichzelf wat veel anderen om hem heen samen waren, of zouden moeten zijn.
Roderick zag Rupert graag als geen ander. Wat hij voor Rupert voelde, was uniek. Zo uniek dat er iets uit ontstond dat weinig andere menselijke relaties opwekten: magische krachten. Zo zuiver en ongezien was hun affectie dat ze zich vereeuwigde in een gedaante die buiten het bereik lag van de gewone mens.
Dat was hoe Roderick het in een opwelling verwoord had tegenover zijn moeder en zijn grootmoeder. Ruperts op het eerste gezicht zo onbeduidende antwoord “Omdat ik je grote broer ben” had nog onbeduidender geleken toen de volledige betekenis ervan tot hem doordrong, de bron van oorsprongsmagie, groots in zijn eenvoud: liefde.

Maar liefde is fragiel en de grens met haat, boosheid, verontwaardiging en ontgoocheling door een daad van een geliefde, wordt vaak flinterdun.
De zware taak om aan zijn familie mee te delen dat zijn broer dood was, werd Roderick uit handen genomen. Toen hij uiteindelijk doornat en verkleumd thuiskwam, werd de deur opengegooid door zijn moeder die erbarmelijk huilend haar armen om hem heen sloeg. De stem van zijn grootmoeder zweefde van ergens in huis de hal in: “Ik wist het. Ik wíst het! Ik heb het altijd gezegd.” Ze kwam met veel geruis van haar pompeuze rokken uit de bibliotheek de hal in. Toen ze haar kleinzoon zag, half verstikt in de omhelzing van zijn moeder, bleef ze abrupt staan.
Roderick begreep onmiddellijk dat men op een of andere manier al op de hoogte was van het drama. Toen zijn grootmoeder hem begon uit te horen of hij op de hoogte was geweest van het feit dat zijn broer de ‘wandaad van de eeuw’ wilde begaan. “Een schande zou dat zijn”, stelde ze nadat Roderick haar verzekerd had dat hij van niets wist voor hij zijn broer voor zijn ogen had zien sterven.” Zijn moeder slaakte een kreet bij dit laatste en drukte hem opnieuw tegen zich aan. Na een hele tijd vroeg ze: “Heeft hij geleden?”
Roderick schudde prompt zijn hoofd. Zijn moeder knikte, alsof daarmee de hele zaak afgehandeld was en vergeten kon worden.
Roderick merkte dan pas de brief op in de hand van zijn grootmoeder die haast in de plooien van haar jurk verdween. Haar andere hand had ze stevig in haar zij geplant. Ze maakte een misprijzend geluid toen ze Roderick de brief gaf.

Moeder, grootmoeder, Roderick
Ik vertrek nu voorgoed uit dit huis en weldra uit dit leven. Niet dat een van jullie ook maar iets geeft om wat ik doe of waar ik ben. Gelukkig maar, wat ik zou Bij God niet weten waar ik naartoe kan gaan en waar ik zal zijn op het ogenblik dat ieder van jullie dit leest, als jullie al die moeite doen. Waarom dan een brief schrijven, vragen jullie je misschien af. Wel, om eerlijk te zijn, dat vraag ik mij ook af. Van wie moet ik afscheid nemen? Maar ik ben nu eenmaal begonnen met dit briefje te schrijven en dus zal ik het afmaken. Terwijl ik dit schrijf, valt mij een goede reden te binnen. Aangezien ik jullie nooit meer onder ogen zal hoeven komen, kan ik eindelijk mijn hart luchten en in alle scherpe onverbiddelijke dodelijke eerlijkheid zeggen dat ik jullie haat.
Ik heb jullie nooit gemogen. En waarom zou ik? Wat heb ik ooit gehad aan een weerloze moeder die altijd te laf is geweest om voor haar kinderen op te komen en te zwak om hen te beschermen? Hoe zou ik kunnen houden van een koude, afstandelijke en tirannieke grootmoeder die diezelfde kinderen alleen gebruikt voor haar gewin als ware het dode voorwerpen in plaats van levende wezens met behoeften en een eigen wil. Het kleine beetje liefde en warmte dat mij geschonken werd moest ik al snel delen met een broer die ik het best kan omschrijven als de slak die na de race met de haas over de eindstreep komt als iedereen na het lange wachten al lang uit verveling in slaap gevallen is.
Roderick, in mijn ogen ben je niet zomaar een blok aan mijn been maar een ware last. Niet overrijp, maar rot…

Roderick kon niet verder lezen. De beledigingen aan het adres van zijn moeder en grootmoeder waren pijnlijk. Het leek onmogelijk dat Rupert zoiets zou schrijven. Maar het waren de beledigingen aan zijn eigen adres die als een vuur de brandende kou uit zijn hoofd verdreven. Hij voelde hoe zijn moeder achter hem kwam staan, draaide zich om en barstte in de warmte van haar armen in huilen uit. Vaag was hij er zich van bewust van hoe zijn grootmoeder met een misprijzend geluid opnieuw in de bibliotheek verdween.

Terwijl er voor de familie een wrokkige rouwperiode begon, voltrok er zich boven het wensmeer een bijzonder fenomeen. De woede en de iets langzamer groeiende haat die in Roderick broeiden, verzwolgen de affectie die hij voor zijn broer gevoeld had en daarmee ook de bron van de oorsprongsmagie.
De glinsteringen op het wateroppervlak die door Roderick zo vluchtig waren opgemerkt, werden steeds talrijker tot ze versmolten tot witgele vlekken die grote delen van het meer bedekten. Deze glinsteringen waren in werkelijkheid oneindig veel druppels, over het hele meer verspreid, die ooit Rupert zijn lichaam geweest waren. Deze druppels lichtten op en stegen naar de oppervlakte waar ze bleven drijven.
Terwijl Roderick met pijn in het hart en verblind door tranen door het bos zijn weg naar huis terugvond, bereikten zijn toen nog vernietigende stille pijn en verdriet een hoogtepunt. Zijn liefde voor Rupert explodeerde en de oorsprongsmagie werd sterker en intenser dan ooit tevoren. Ze werd zo krachtig dat ze Rodericks instinctieve wens om zijn broer terug te krijgen vervulde.
De witgele massa die als olie op het water dreef, verdampte tot witgele nevelslierten. Dit alles ging echter rechtsreeks in tegen de kracht van het meer die Rupert zijn doodwens inwilligde en zijn lichaam tot zich had genomen.
Maar door het onzichtbare getouwtrek tussen beide magische stromingen die de tegenovergestelde wensen van de broers trachtten te vervullen, kon Rupert zijn ziel geen rust vinden tot Roderick uiteindelijk thuiskwam en de vreselijke afscheidsbrief las.
Vanaf dat moment begonnen twijfel en groeiend besef dat het allemaal echt gebeurde aan Roderick zijn gevoelens voor zijn broer te knagen tot ze deze uiteindelijk aan stukken scheurden.
De oorsprongsmagie werd snel zwakker en verloor de voortdurende strijd tegen Eïsé. De nevels losten op in het niets. De vele druppels die ongeduldig wachtend aan het wateroppervlak hingen, zonken naar de bodem terwijl het licht vanbinnen doofde.
De doodswens van Rupert ging eindelijk in vervulling.

De tijd gleed onverstoorbaar voort en een van de oudste gezegdes in de geschiedenis van de mensheid ging in vervulling: tijd heelt alle wonden.
De ontzetting, de verbijstering, de pijn, de woede en de haat in Roderick verzachtten. De nietige restjes werden toegedekt door vergetelheid als de restanten van een vuur waar aarde overheen wordt gegooid.
Onder de weldadige invloed van zijn latere verloofde Magdalena slaagde Roderick erin om alles een plaats te geven en verder te gaan.
De gelukzalige dagen en nachten in haar gezelschap waren helend en passioneel maar onvolledig. Roderick kon noch zijn spiegelbeeld noch Magdalena recht in de ogen kijken en zeggen dat zij voor hem alles betekende zoals elke oprecht verliefde man zou zeggen. Magdalena was in vele opzichten een droomvrouw en elke man dong om haar hand. Het zou oneerlijk zijn om haar voor zichzelf op te eisen terwijl ze zoveel kansen kreeg om waarlijk gelukkig te worden, zo hield Roderick zichzelf voor.
Magdalena toonde veel begrip. Toen ze samen op het bed zaten in de logeerkamer die hun vaste slaapplaats zou worden na hun huwelijk en Roderick aarzelde voor hij haar handen in de zijne nam, keek ze hem aan en gaf hem een bemoedigend knikje. Dat knikje ging gepaard met een droevige glimlach. Roderick besefte later dat ze had geweten wat hij wilde zeggen. Magdalena koesterde geen wrok. Ze verdedigde zijn beslissing zelfs tegenover zijn moeder en grootmoeder. Een goede daad die ze betaalde met een ferme preek die de oude vrouw sinds hun ontmoeting voor Roderick klaar had gehad voor het geval er ooit iets zou mislopen.
Toen ze die avond op het bordes afscheid namen, drukte Magdalena Roderick op het hart dat hij haar moest schrijven. Ze zou er voor hem zijn als hij hulp nodig had.
Op dat moment voelde hij zoveel dankbaarheid en verbazing over haar edelmoedigheid dat hij haar kuste. Als ze niet subtiel een stap achteruit had gezet, had hij haar daar en dan ten huwelijk gevraagd. Maar in plaats van door een knie te zakken nam hij haar gehandschoende hand en drukte er een ferme kus op.
Tot Roderick zijn grote opluchting waren Magdalena haar beloftes geen ijdele woorden. Ze schreven elkaar trouw een of twee keer per week en ontwikkelden een warme vriendschap die af en toe aangehaald werd op de kaartavonden die Magdalena haar vader vaak organiseerde. De uitnodigingen om deel te nemen aan deze avonden kwamen steeds regelmatiger en Roderick begon te vrezen dat de man een poging wilde doen om hem en Magdalena opnieuw samen te brengen. Toen hij hierop alludeerde in een brief aan Magdalena zei deze dat dat ten stelligste uitgesloten was. Hij vertrouwde haar op haar woord en stemde ermee in op de eerstvolgende uitnodiging in te gaan.
Tijdens deze avond maakte Roderick de eerste van veel nieuwe vrienden, onder hen ook een bloedmooie vriendin van Magdalena en haar niet onknappe echtgenoot, tussen wie het al een tijd niet meer goed ging. Tijdens een dronken nacht belandde Roderick met het koppel in bed nadat ze hem hadden uitgedaagd om een oordeel te vellen over wie van hen de beste minnaar was.
De belevenis had Roderick inzicht verschaft in zijn eigen gevoelswereld. Hij had gemeenschap gehad met een vrouw én een man in een roes van alcohol die alle remmingen had weggenomen. Beide partners waren de belichaming van schoonheid voor hun geslacht. En toch had het gevoel dat er iets ontbrak hem weer beslopen. Nog voor hij zijn verloving met Magdalena verbroken had, had Roderick zich afgevraagd of hij doodeenvoudig een partner van zijn eigen geslacht zocht. Deze wilde nacht met Magdalena haar vriendin en diens echtgenoot bewees dat als dat zo was, het in elk geval niet het enige was.
Meerdere keren had hij op het punt gestaan het onderwerp aan te snijden in zijn brieven aan Magdalena maar elke keer stuwde hij zijn gedachtegang in een andere richting, weg van de steeds sterker oprukkende overtuiging dat wat hij miste, datgene was dat ontbrak op een ondefinieerbare plek in zijn geest en hart waar er sinds een aantal weken een leegte gaapte. Die leegte was er al heel lang maar het was pas sinds tijd dat Roderick zich er zo intens bewust van was.
Rupert had deze plek opgevuld.
Geen enkele vrouw of man kon hem die eindeloze unieke affectie doen voelen die hij voor zijn broer had gehad of de hevige agonie die ervoor in de plaats van gekomen.

Op het moment dat deze wetenschap tot Roderick doordrong, stond Magdalena aan het wensmeer. In de doodse stilte hoorde ze heel duidelijk de ongearticuleerde klanken als zuchtjes wind waarmee de geest van Rupert antwoord gaf op Magdalena haar prangende vraag: Waarom?
Nu ik dood ben, is Roderick de enige mannelijke erfgenaam. De enige aan wie vaders fortuin ter beschikking gesteld mag worden, zodra hij dertig jaar wordt. Nadat ik het fortuin zou ontvangen hebben, zouden moeder en grootmoeder Roderick geloosd hebben om na verdeling een groter deel van de erfenis voor zichzelf te kunnen houden.
Ik wist dat de oorsprongsmagie die Roderick en ik delen mijn doodswens tegen zou gaan. Om haar te vernietigen trachtte ik Roderick zijn affectie voor mij te breken. Zulks deed ik met oneindig veel spijt.
Ik hou van Roderick. Niet meer en niet minder. De wetenschap dat hij veilig is, is een balsem voor de pijn van zijn haat. Het geluk dat ik hem toegewenst heb, heeft hem voor het eerst toegelachen toen hij jou ontmoette, Magdalena.
De nevels werden dikker. Ruperts gestalte nam snel een duidelijke afgelijnde en meer solide vorm aan. Magdalena begon gelaatstrekken te onderscheiden waaruit onmiskenbaar verdriet sprak.
Toen ze Roderick zijn aanwezigheid achter zich voelde, stak ze zwijgend haar hand uit. Roderick pakte hem vast en kneep er zachtjes in terwijl de kilte in zijn hoofd zijn hart verwarmde en hem deed rillen.
Toen Magdalena vroeg of hij oké was, antwoordde hij: “Het is terug.”
Magdalena haar ogen straalden met oprechte blijdschap. Een uitdrukking van oneindig geluk verscheen in Roderick zijn ogen terwijl een schijnbaar herrezen Rupert met open armen naar het koppel toeliep.

 

Enthousiast over deze inzending?

We nodigen je graag uit om je mening te geven over deze publicatie. Dat is mogelijk door een commentaar van jou toe te voegen en/of door een waardering te geven. Klik hieronder s.v.p. op het gewenste item!

  • Jouw commentaar toevoegen? Schrijvers stellen je tips en opmerkingen op prijs. Dat is mogelijk in de tekstbalk

    Voeg hier je commentaar toe...
    You are a guest ( Sign Up ? )
    or post as a guest
    Loading comment... The comment will be refreshed after 00:00.

    Wees de eerste om commentaar te geven.

    06.12.22
    Graag je feedback over de schrijfkwaliteit en schrijfstijl van deze inzending.
    Je woord gebruik is geweldig. Het verhaal einde teleurstellend.
    Show more
    0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
    Je kunt ook een waardering geven voor deze publicatie!
  • Graag jouw waardering voor de kwaliteit van deze inzending: 1=minimaal, 2=matig, 3= voldoende, 4=goed, 5=perfect.
    Schrijf een commentaar
    PLG_VOTE_STAR_INACTIVEPLG_VOTE_STAR_INACTIVEPLG_VOTE_STAR_INACTIVEPLG_VOTE_STAR_INACTIVEPLG_VOTE_STAR_INACTIVE
     
    Je kunt ook een commentaar toevoegen voor deze publicatie!
  • Toelichting

    Op Schrijverspunt kun je in principe bij elke publicatie, d.m.v. een commentaar en/of een waardering, je mening geven. Alleen als een auteur feedback niet op prijs stelt is de mogelijkheid niet zichtbaar. De praktijk heeft geleerd dat de meeste auteurs feedback op prijs stellen. We nodigen je dan ook graag uit om je mening te geven over een publicatie. Dat is op twee manieren mogelijk:

    Commentaar

    Je kunt jouw commentaar geven op een publicatie of reageren op een ander commentaar of reactie.
    • Je kunt jouw commentaar toevoegen in de tekstbalk (Voeg hier je commentaar toe...) van het blok commentaar. Je commentaar is dan direct zichtbaar. Bij je commentaar kun je b.v. ook een emoji toevoegen.
    • Wil je een reactie toevoegen bij een ander commentaar of reactie? Klik dan bij het betreffende commentaar op 'Reageer'. ook dan verschijnt er een mogelijkheid om je tekst toe te voegen.
    • Elk commentaar is welkom. Dus geef gerust aan als je de publicatie met plezier hebt gelezen, maar ook opmerkingen over de stijl en het taalgebruik van de publicatie worden op prijs gesteld. Een mooie manier voor auteurs om eigen schrijfwerk te verbeteren.
    Commentaren of reacties lezen.
    • Bij elke publicatie kun je de commentaren of reacties lezen. Op de homepagina is daarnaast ook nog eens een overzicht van de actuele commentaren/reacties te vinden.
    • Wil je een bericht ontvangen van nieuwe commentaren/reacties dan kun je dat bovenin het blok Commentaar aangeven bij 'Ontvang een bericht bij nieuwe commentaren' of als je zelf een commentaar of reactie geeft.
    • Wil je alleen de commentaren zien bij een publicatie en geen reacties daarop? Klik dan bovenin het blok Commentaar op 'Inklappen alles'.
    Voorwaarden:
    Schrijvers en dus ook wij stellen een commentaar bij een publicatie erg op prijs. We proberen daarbij de mogelijkheid op Schrijverspunt om feedback te geven liefst zonder regels te laten. Dat vraagt alleen soms wat tolerantie en misschien wat invoelingsvermogen voor de ander. Samengevat respecteer elkaar.
    Is een commentaar of reactie volgens jou ongepast? Door met je muis over het commentaar of de reactie te gaan verschijnt er rechts een vlaggetje. Klik daar op om dit te melden bij websitebeheer.

    Waardering:

    Je kunt  commentaar geven op een publicatie, maar het is ook mogelijk om een waardering in cijfers te geven. Bij een waardering gaat om een beoordeling door jou van de kwaliteit van de publicatie. Je kunt kiezen uit 5 mogelijkheden om op te stemmen. 1=minimaal, 2=matig, 3= voldoende, 4=goed, 5=perfect.  De waardering is anoniem.
Hits: 122
Lekkerboek voor betaalbaar leesplezier
Tweedehands boeken
Nu opruiming!

Laura Sebastian: Ember Queen

- Klik hier!-

Meer publicaties lezen of zelf meedoen aan een schrijfactiviteit?

Klik op een van de mogelijkheden.