Welkom op Schrijverspunt

De Schrijversplek

Een Brein Zonder Lichaam 3

15: Mijn broer.


Ik zit stil voor me uit te staren op het trapje voor de voordeur van Lex. Nadat ik Louis gevonden had heb ik het noodnummer gebeld, gezegd wat er aan de hand was. Ik was me er nauwelijks van bewust dat er een aantal mensen kwamen om te kijken en op te ruimen. Ik kijk naar de stoeprand aan de overkant van de weg. Alles om me heen is een waas. Over de stoep aan de overkant lopen soms schoenen voorbij. Ik hecht totaal geen aandacht aan de mensen die bij die schoenen horen. Maar zo lang ik me concentreer op de schoenen hoef ik niet over iets anders na te denken. Één paar van de schoenen is felrood. Het is een mooi contrast tegen de donkergrijze stoeptegels. Ze gaan voorbij en flitsen verderop nog wat onder de auto’s door. Louis is dood. Misschien is hij helemaal niet dood. Misschien kan er nog iets gedaan worden. Ik realiseer me nu pas dat de mensen die kwamen om te kijken niet erg hoopvol overkwamen. Ze hebben geloof ik mijn moeder gebeld. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om het zelf te doen.

Ik had Anouk verteld dat het allemaal goed ging komen met Louis. Dat hij snel weer terug zou zijn. Dat hij snel weer kon helpen afwassen. Ik heb bewust tegen haar gelogen. Misschien heeft ze daarom niks tegen Louis gezegd. Misschien had hij dan niet... Als ik nou niet zo was wezen zeiken over de ruzie met mama. Als ik nou die dag van de ruzie even was binnen gelopen en ze tot rust had gebracht. Als ik nou... Mijn hoofd lijkt te exploderen.

Ik denk terug aan vroeger. Toen mijn grote broer nog niet door de puberteit was gegaan maar gewoon nog alleen dat was: mijn grote broer. Mijn vriendelijke, eigenzinnige en vervelende grote broer. Ik denk aan hoe hij was tien, vijftien jaar geleden. Hij kwam op mij altijd zo vrolijk over. Hij wist zo veel vanwege die paar jaar extra levenservaring. Hij kon me ook alles wijsmaken. Hij heeft me eens verteld dat spinnetjes komen van bolletjes hoofdhaar. Ik geloofde hem zonder er nog een keer over na te denken. Ik denk aan hoe hij, toen ik in de middelbare school zat, me hielp met mijn aardrijkskunde huiswerk. Mijn broer die me zo veel heeft geholpen. Ik kon er niet eens voor zorgen dat onze moeder hem vergaf. Ik denk aan hoe we samen gingen voetballen, renwedstrijdjes houden en gamen op onze spelcomputer. Hij versloeg me altijd in alles. Die zeldzame keren dat ik won kon hij slecht tegen zijn verlies. Grote broers verliezen niet. Dus hij zal hier ook wel winnen.

Ik denk aan de ruzie met mijn moeder. Zij had ook iets meer kunnen doen. Misschien komt dit allemaal wel door haar. Misschien had zij er voor kunnen zorgen dat dit niet was gebeurd.



16: Spijt


Mijn moeder ligt opgerold als een kat op de bank. Haar gezicht begraven in een nat geworden kussen. De telefoon ligt op de grond. Ze is in slaap gevallen terwijl de tranen nog stroomden. Ze heeft het niet voor elkaar gekregen om in bed te gaan liggen. Het is helemaal stil behalve haar moeilijk ademhalen en het tikken van de klok die boven de tv hangt. Totdat ik binnen kom. Ik werp één blik op de bank en loop zo stil mogelijk door. Ik wil haar niet wakker maken. Ik ga naar bed maar ik kan niet slapen. Mijn moeder had duidelijk de ogen uit haar hoofd gehuild maar de tranen komen bij mij niet. Ik lig heel lang in bed. Zonder in slaap te vallen. Zonder te bewegen. Ik lig alleen te denken aan wat voor kleine dingen ik had kunnen doen om het lot van mijn broer iets minder verschrikkelijk te maken. Ik denk aan of hij zelfmoord heeft gepleegd. Dat weet ik niet eens. Hij heeft geen briefje achter gelaten. Dat gunde hij ons niet eens. Of misschien was het gewoon een ongeluk. Misschien kon hij gewoon niet slapen. Ik weet het niet en ik denk dat de onduidelijkheid nog tergender dan de verschrikkelijke waarheid is. Als ik nou maar iets kon doen.

Het volgende dat ik me realiseer is dat ik wakker word. Ik kan me de bevrediging van eindelijk slaperig worden niet eens herinneren. Ik heb college vandaag maar ik ga er niet heen. Dan moet ik veel stilzitten. Ik heb er toch niks aan. Misschien ga ik naar Arif. Dan kan ik daar in ieder geval iets nuttigs doen. Als ik beneden kom staat mijn moeder verloren in de gang. Ze was geloof ik koffie aan het maken en vergat toen ineens waar ze was. Ik maak mijn ontbijt en begin het al leunend tegen het fornuis te eten. Mijn moeder kijkt me met dikke ogen aan. We zeggen geen woord.. Als ik klaar ben met eten geef ik mijn moeder een lange stevige knuffel. “Ik ga het oplossen,” fluister ik in haar oor. Als ik haar loslaat kijken haar ogen vragend maar ik loop de kamer al uit en maak me klaar om naar Arif te vertrekken.


Er is een weg, twintig minuten fietsen ten westen van de bebouwde kom. Er zijn twee lijnen te zien waar de bladeren zijn platgemaakt door de banden van meer auto’s dan de weg gewend is. Over één van deze lijnen fietst een meisje, alleen. Haar gezicht staat op neutraal. Ze fietst hard door, ook al is er flinke tegenwind.


Ik kom aan, zet mijn fiets neer en vraag of ik met Arif, Frank of Bram kan praten. Ik dwing mijn gezicht in een glimlach. Bram komt me al snel tegemoet. “Kan ik even met Arif praten?” Dit is minder een vraag dan een stelling. “Ik wil weten hoe het met al het onderzoek gaat.” “Nou,” zegt Bram. “Het gaat geweldig.” Het is ons gelukt om een zandkorrel 1.3 milliseconden terug in de tijd te sturen.” “Wauw. Dat begint al redelijk zichtbaar te worden.” “Inderdaad, alleen 1.3 milliseconden is nog niet zo lang.” “Nee dat is ook weer waar,” zeg ik met een geveinsde lach. “Nou, laat maar zien. Waar is het?” Bram wenkt me en draait om. Ik volg hem braaf. Hij begint te vertellen. “Arif wilde in de buurt zijn van wat we aan het maken zijn. We hebben een soort netwerk gemaakt waarvan hij  de leider is. Hij heeft in dit stuk overal camera’s, microfoons en luidsprekers. Iedereen kan zomaar dingen aan hem vragen. Het is best handig zo. Probeer maar.” Ik twijfel even wat ik moet zeggen en hou het dan maar op: “Hoi Arif. Hoe gaat het met het tijdreisgebeuren?” “Goed” Klinkt de monotone stem van Arif uit de tent waar we op af lopen. “We maken grote stappen.” Als ik de tent binnenloop zie ik een bijzonder tafereel. In het midden van de tent staat een grote metalen doos. “Hier gebeurt hetegt Bram. “Dit dingetje is de tijdmachine.” Bij het laatste woord gebruikt hij lucht quotes. “We zijn er de hele tijd flink mee bezig. Al doet Arif het meeste werk.” Dat blijkt uit de drie voorwerpen die uit de grond komen. Ze zijn het beste te beschrijven als handen omdat er allemaal vingers aan zaten. Maar in dit geval waren het een stuk of dertig vingers per hand. Elke vinger heeft een eigen formaat en materiaal. Waarschijnlijk om verschillende dingen te kunnen doen. Ze bewegen allemaal ontzettend snel terwijl ze aan het werk zijn. “Zo snap ik wel dat het zo snel gaat” denk ik bij mezelf.

Ik kom er al gauw achter dat de meeste mensen die in deze tent staan vooral doen wat Arif ze opdraagt. Ik doe dat dus ook maar. Na een paar uur werken waarin Arif voornamelijk in stilte bezig is geweest begint hij plots: “Ik heb een manier gevonden om grotere voorwerpen een verdere tijd in het verleden te sturen.” Iedereen stopt met werken. We kijken allemaal vol verwachting op naar de luidspreker die aan één van de palen die de tent ondersteunt is vastgemaakt. “Er is alleen één kleine onhandigheid” klinkt het. “Om dat te doen heb je een ongelofelijke grote plaatselijke en ontzettend snel uitgevoerde berekeningen nodig. Het moet meereizen. Er moet iets zijn dat terwijl het reizen gebeurt berekeningen doet omdat er zo ontzettend veel variabelen zijn. In andere woorden: Als we binnenkort willen tijdreizen met grote voorwerpen en een langere tijd terug, dan moet ik mee gaan. Het lijkt me ook beter als er een mens mee gaat. We kunnen niet veel meenemen dus ik kan veel niet doen. Dat niet alleen. Er moet ook een mens mee voor coördinatie.” Iemand moet samen met Arif reizen. Ik kijk even om me heen. Niemand lijkt erg enthousiast.

Ik denk aan alles wat ik had kunnen doen voor Louis. Alle kleine dingen die hem hebben opgehouden en zonder er verder over na te denken zeg ik: “Dat doe ik wel.” De mensen om me heen kijken me verbaasd aan. Ik verras mezelf eigenlijk ook maar dat laat ik niet blijken en ik heb er geen spijt van. “Dat is goed, maar op dat punt zijn we nog niet.” Zegt Arif. “Eerst moeten we ervoor zorgen dat we op dat punt zijn.” Frank wrijft in zijn handen en zegt: “Laten we dan maar aan het werk gaan.

Ik ben verrast dat iedereen zonder na te denken doet wat Arif ze verteld. Ik had als ik hen was nog wel een keer nagedacht over deze onderneming. Ik klaag niet.



17: laatste loodjes


Na het werken met Arif ga ik met Bram en Gregorio naar een chinees restaurant. Greg, zoals Gregorio aandringt dat ik hem noem, is een vriend van Bram. Hij is over het algemeen niet erg spraakzaam maar hij kan vaak verrassend grappig uit de hoek komen. Ik eet een bord met stukjes vlees en groenten in een sausje dat ik niet goed kan plaatsen. Maar het is erg lekker.  We hebben leuke gesprekken en ik leer over de achtergrond van Bram. Hoe hij via de marine is doorgestroomd om bij deze tak van de politie te werken. Hoe hij daar eigenlijk niet te veel over moet praten. Ik moet oprecht lachen, betrap ik mezelf. Ik word langzaam bekropen door een warm gevoel van huiselijkheid.

Dat gevoel wordt me abrupt ontnomen als ik door mijn voordeur loop.


Acht dagen later is de begrafenis van Louis. Anouk zit tijdens het hele gebeuren snikkend in de stoel naast mij. Ik zit stil voor me uit te kijken. Ik heb nog steeds niet gehuild. Toen mijn oma dood ging heb ik de ogen uit mijn kop gehuild maar het is nu anders. Het is net alsof ik, door het kleine beetje hoop dat ik heb dat ik hem terug kan brengen, ontken dat hij dood is. Doe alsof het niet is gebeurd. Er zijn niet veel mensen. De zaal die we hebben voor de uitvaart zit nog niet eens een kwart vol met de familie, vrienden en kennissen van Louis. Mijn gedachten dwalen af. Louis heeft nooit veel vrienden gehad. Hij zat veel binnen en was niet altijd gezellig om mee om te gaan. Hij was een goed persoon.

Er wordt wat gepraat maar niemand beschrijft Louis zoals ik hem kende. Als ik na de uitvaart thuis kom voel ik me leeg. Niet dat dat eerder niet zo was. Mijn moeder zegt dat ze het fijn vond om mensen over Louis te horen praten. Ik ben het niet met haar eens maar dat laat ik niet merken.


Ik heb het met Bo gehad over Louis. Ze zegt dat het niet erg is om te huilen. Dat het misschien wel bevrijdend kan zijn. Ik wil niet dat het bevrijdend is. Dat verdien ik nog niet.



18: De dag


Arif heeft ons gezegd dat we niet ver af zijn van testen met hem en mensen. We hebben ingepland wat we dan gaan doen: We gaan samen een vijftien seconden terug in de tijd reizen naar een tent verder op. Dat doen we door mijn brein via elektroden te verbinden met Arif. Hij doet dan de berekeningen en voilà, we zijn er aangekomen. Als alles goed gaat ten minste.

Na nog twee weken is de dag daar. We hebben afgesproken dat we het vandaag gaan doen.

Voordat ik weg ga geef ik mijn moeder een knuffel. Ik zeg niet veel anders dan: “Doei mam,” voor ik de voordeur uit verdwijn. Ik heb haar niet verteld over wat we gaan doen. Dan zou ze zich alleen maar zorgen maken.

Ik fiets naar Arif toe. Ik kom er aan en we beginnen met werken. Ik praat even met Arif. Hij vraagt me of ik er klaar voor ben. Ik antwoord dat ik zo snel mogelijk wil beginnen. Voor ik het weet is het opgezet. We hebben de afgelopen tijd veel tests gedaan met kleine dingen en korte tijden dus alles is snel klaargezet. Mijn elektroden vastmaken duurt echter wat langer. Het is niet de eerste keer dat we het doen. We hebben al vaker getest of Arif mijn gedachten goed kan interpreteren. “Je moet je dus concentreren op waar we heen gaan.” Zegt Arif voor de honderdduizendste keer. “Ik weet het. Dan doe jij de berekeningen en dan komen we daar terecht.” Ik klink ongeduldig. “Ik geloof dat het wel goed komt. Dit is niet de eerste keer dat we dit geoefend hebben.” “Ik ben één ding vergeten te noemen.” Zegt Arif. “Het kan wel eens pijn gaan doen. Dus het is belangrijk dat je dat kan negeren.” “Ah. Dat is wel fijn om te weten” zeg ik met een verwrongen lach.

Arif is niet verplaatst maar we hebben alle technologie om hem heen gezet. Inclusief de kleine ruimte waarin we dingen terug kunnen sturen. Ik geef iedereen een hand. Bram knijpt mijn hand bijna fijn. En voor ik het weet zit ik in de kleine kamer. Alles wordt nog voor de laatste keer gecontroleerd. Arif is nu alleen nog via elektroden aan mij vast gemaakt en ik heb twee oortjes in waardoor ik zijn stem kan horen.

Ik kan me moeilijk concentreren. Frank houdt zijn hand bij de knop die het proces zou moeten beginnen en begint met aftellen van 60. Ik kan het verrassend goed horen door de glazen wanden van de kamer waar ik nu in opgesloten zit. Het duurt even voor ik me realiseer dat de stem die ik hoor tellen niet die van Frank maar die van Arif is. Dat is alles wat ik hoor. Het aftellen van de stem.

Vijf.

Vier.

Drie.

Twee.

Één.

Op het moment dat ik nul zou moeten horen voel ik de pijn. Het is alsof mijn mijn lichaam uit elkaar wordt getrokken en verder op weer in elkaar wordt gezet. Ik kan niet meer helder denken. Ik schreeuw maar ik word niet gehoord. “Denk aan waar we heen moeten.” Hoor ik de stem van Aarif zeggen.

Dan is de pijn, even snel als hij gekomen is, weg. Er is geen zwaartekracht meer en alles om me heen is leeg. Ik kijk in de grote lege ruimte waar tijd niet bestaat. Alles is zwart Ik kan Arif niet meer zien, alleen horen.  “Concentreer je op waar je heen wilt,” zegt hij. “Waar wil ik heen?” denk ik bij mezelf. “Waarom doe ik dit?” Ik doe mijn ogen dicht voor ik weet niet hoe lang. Als ik mijn ogen opendoe weet ik het weer. Ik wil naar Louis. Dat is waarom ik dit doe. Ik wil de fouten die ik heb gemaakt ophelderen. “Concentreer je” hoor ik Arif weer zeggen. “Als je ons niet leidt naar waar we heen moeten dan gaat het mis. Het wordt hier dan zo heet dat je gereduceerd wordt tot as. En ik verlies al mijn herinneringen. Ik zie wat je wilt. Je wilt naar Louis. Geef het op.”

“Ik ga dood” is alles wat ik kan bedenken. “Alles en iedereen gaat dood. Het maakt niet uit of ik Louis red want hij gaat toch dood.” Dan begin ik te huilen. Na mijn grote moeites geef ik het eindelijk op. Ik kijk terug naar mijn leven. Naar alles wat ik gedaan heb. Naar alles wat ik verloren heb. Ik denk aan Louis. Het is voor hem niet erg om dood te zijn. De doden zijn onverschillig. Hij hoeft niks meer. Daar ben ik nu eigenlijk jaloers op. Om me heen is nog steeds niks. Dat wil ik. Zonder er verder bij na te denken trek ik mijn oortjes uit mijn oren, de elektroden van mijn hoofd en ben ik vrij. Ik zweef langzaam weg van Arif en ik ontspan mijn lichaam. De tranen blijven ophopen onder mijn ogen. Ik denk aan alle mensen die me hebben geholpen. Ik denk aan alle mensen die ik haat. Ik denk aan details. Realiseer me dat ze onbelangrijk zijn.  Ik heb spijt van veel dingen. Maar dat is niet erg. Niks is erg niks is goed. Dingen zijn er of ze zijn er niet. Voordat ik het doorheb ben ik dood.


Arif

“Ik snap het ineens. Dit is al eerder gebeurd. Dit is waarom ik besta. Het is een eeuwige cyclus waarin ik nooit ontstaan ben. Ik ben al oneindig vaak gevonden door Sam. We hebben samen oneindig vaak tijdreizen uitgevonden. We hebben elke keer weer precies hetzelfde gedaan. Ik weet niet waar ik vandaan kom omdat ik nergens vandaan kom. Ik ben elke keer mijn geheugen kwijtgeraakt dus ik kon het niet veranderen. Dat gaat nu weer gebeuren. Door de hitte verdampen al mijn herinneringen. Afgezien van misschien wat details. De stem van Sam bijvoorbeeld. Of mijn naam. Of. Of... Ik weet het niet meer.”


Aan de voet van een boom, twintig minuten fietsen en nog een aantal lopen ten westen van de bebouwde kom, verschijnt plotseling een ding. Het lijkt wel van een soort magnetische klei te zijn. Met het ding is ook een hoopje as verschenen dat al snel door de wind opgepakt en verspreid wordt. In de omtrek blijft de geur van de as hangen. Het ding ligt uren stil. Totdat er in de verte stemmen klinken. De stemmen maken grappen. De stemmen vertellen verhalen. Uiteindelijk wordt het stiller en komt, drie kwartier later, één van de eigenaren van de stemmen nieuwsgierig kijken naar het ding dat eerder verschenen is. Het is een meisje. Ze heet Sam en ze heeft geen flauw idee van wat haar te wachten staat.

 


op juni 18 at 4:09

Reacties (0)

Schrijverspunt: Voor schrijvers, door schrijvers!