Welkom op Schrijverspunt

De Schrijversplek

Een Brein Zonder Lichaam 2

8:  Hoe gaat het?

 

Ik druk de bel van de voordeur in. Op het midden van de deur staat een bordje met de namen van Lex en zijn ouders. De ouders van Lex wonen er al een tijd niet meer maar hij mocht er blijven. Net op het moment dat ik de bel voor de tweede keer wil indrukken doet mijn broer de deur open. Hij heeft een joggingbroek met een opvallende vlek en een door de motten aangevreten t-shirt aan. Hij stinkt een beetje. “Hoi” zeg ik zo vrolijk mogelijk. “Oh, hoi,” reageert hij.

 

Ik: “Dat klinkt niet erg enthousiast.”

Louis: “Nee, sorry. Het ligt niet aan jou.”

Ik: “Hoe gaat het met Lex?”

Louis: “Hij is in Frankrijk met Alice.”

Ik: “Alice?”

Louis: “Z’n vriendin.”

Ik: “Ik wist niet dat hij die had.”

Louis: Ik ook niet.””

Ik: “Wat is er aan de hand met jou en mam?”

Het is even stil.

Louis: “Ze heeft het idee dat ze beslissingen voor me kan nemen.

Ik: “” Wat, zoals over de afwas?”

Louis: “Ik deed het gewoon goed! Maar daar gaat het niet over. Ze begon ook al te lullen over mijn baan, over mijn studie.”

Ik: “Dat doen moeders wel eens ja. Het is alleen wel handig om ‘r in de buurt te houden. Ze zou zo veel voor je doen.”

Louis: “Ik kon het gewoon even niet hebben. Vind jij niet dat ze wat ver ging?”

Ik: “Het boeit me eerlijk gezegd niet zo veel waar jullie ruzie over ging. Jullie zijn alleen volwassen genoeg om er iets aan te doen.”

Louis: “Laat me hier gewoon even mee zitten. Ik deal er wel mee.”

Ik: “Kom op. Ik geloof dat mam je heeft gebeld. Ze had de telefoon gebruikt. Ze zei er vanmorgen niks over,  dus ik neem aan dat het niet goed ging.”

Louis: “Nee niet echt. Ze noemde me een “son of a bitch.” Ik zei: “Inderdaad” en ze hing op.”

Ik: “Dat was ook weer niet nodig man.”

Louis: “Wat? Zij begon.”

Ik: “Hoe oud ben je? Laten we dit gewoon even normaal oplossen.”

Louis: “Weet ze dat je hier bent?”

Ik: “Dat is niet…>”

Louis: “Weet ze dat je hier bent?”

Ik zoek even naar woorden.

Ik: “Ze denkt dat ik bij Bo ben.”

Louis: “Wil je een wit voetje halen of zo?”

Ik: “Nee, ik wil gewoon dat je je verontschuldigt.”

Louis: “Ah, dat is het dus! Je vindt gewoon dat zij gelijk heeft.”

Ik: “Nou, ik geloof dat je wel wat overdreven hebt.”

Louis: “Kan ik godverdomme niet eens op jou rekenen?”

Ik: “Niet als mam gelijk heeft. Moet ik even binnenkomen? Volgens mij hebben we wel wat te bespreken.”

 

Terwijl ik naar binnen probeer te komen gaat hij in het zicht staan zodat ik niet in de woonkamer kan kijken. Ik krijg wel een glimp te zien van een potje pijnstillers dat hij had gekregen na een ski-ongeluk, waarbij hij zijn sleutelbeen had gebroken. Het was geloof ik niet het enige potje. “Volgens mij hebben we niks meer te bespreken!” zegt Louis een stuk harder dan ik van hem gewend ben en slaat de deur voor mijn neus dicht.

Ik ben zomaar weer bij dat moment, dat hij zijn sleutelbeen brak. Het was nog in de tijd dat mijn moeder en Louis het wel goed konden vinden. Ze hadden wel al ruzies gehad maar daar waren ze steeds blijkbaar overheen gekomen. Al begin ik daar nu een beetje aan te twijfelen.

Louis was alleen gaan skiëen en nog voordat we hem terug verwachtten kregen we een belletje van hem dat hij in het verband zat. Hij kreeg die pijnstillers om door de nacht heen te komen. Blijkbaar heeft hij er nog steeds last van.

Ik sta voor de deur van Lex. Op het midden van de deur staat een bordje met de namen van Lex en zijn ouders. Ik hoor even wat gestommel van mijn broer, maar dan hoor ik geloof ik niks meer. Ik besluit te ontkennen dat ik een zacht gesnik hoor.



9: Communicatie

 

Als ik de volgende morgen wakker word, vind ik het moeilijk om mezelf tot iets te brengen. Dus blijf ik liggen. Er spookt zo veel door mijn hoofd dat ik niet in slaap kan vallen maar ik ben te moe om uit bed te komen. Mijn eerste college begint pas in het begin van de middag en ik heb geen reden om iets anders te doen. Ik staar naar het plafond. Naar alle bobbeltjes die over zijn gebleven nadat het was geverfd. Ik wil eigenlijk met Bo, Aaron, Dylan en Agnes zijn maar dat is nu te moeilijk. Ze zitten nu samen in de collegezaal van hun school. Ze zijn allemaal na de middelbare school naar de zelfde plek gegaan omdat ze niet alleen wilden zijn. Ze beweren dat ze allemaal erg geïnteresseerd waren in kunstgeschiedenis, maar ik ben vrij zeker dat Agnes achter Aaron aan is gegaan, Dylan haar is gevolgd en Bo tot de conclusie kwam dat zelfs als het bleek dat de studie saai zou zijn dat ze in ieder geval naar het gelul van de anderen kon luisteren. Ik ben gaan kijken naar wat ik zelf wilde. Niet dat ik daar nu helemaal weg van ben.

Zo lig ik hier. Totdat ik op de klok kijk en me realiseer dat ik echt op moet. Met tegenzin ga ik uit bed en maak ik ontbijt. Mijn moeder zit in de huiskamer. We groeten elkaar goede morgen en praten verder niet totdat ik zeg dat ik weg ben.

 

Na mijn colleges bel ik het nummer van Bram en Frank. Frank neemt op. “Hoi.” zeg ik. “Moet ik zo weer langskomen?” “Is goed.” zegt Frank. “We willen je iets graag laten zien.” “Nou dan kom ik er aan. Tot zo.” “Tot zo.” Ik vind het wel fijn om voor nu niet naar huis te gaan.

 

Als ik er aankom staan er weer net wat meer dingen dan gisteren. Er staan nu ook een tafel, drie kleine stoelen en een gasstel. ”Hoe gaat het met je?” zegt Bram met een net iets te luide stem. “Goed” lieg ik. “Nou, met ons ook” zegt Bram, we zijn achter iets geweldigs gekomen.” “Is dit wat je me wilde laten zien?” vraag ik. Bram is zo enthousiast dat hij mijn hand bijna plat knijpt als ik hem groet. Ik loop met hem mee richting Arif.
Daar aangekomen zegt hij: “Oké, zie je die twee oortjes?” Hij wijst naar een oortelefoon die met de headphone jack in Arif steekt. “Doe ze eens in je oren” sluit hij vrolijk af. Met een kleine aarzeling pak ik de oortjes en doe ik er één in mijn oor. “Zeg dan iets,” dringt Bram aan. “Eh… Hallo?” Terwijl ik dit zeg realiseer ik me dat ik dat woord te veel heb gehoord en gelezen de afgelopen tijd. Het is even stil.

“Hallo? Wie is dat?” Klinkt het opeens uit de oortjes. Het is geen mannenstem en geen vrouwenstem en er klinkt in de spraak niet eens een klein beetje een accent door. Aan mijn verbazing kan Bram zien dat ik wat heb gehoord. “Hallo, ik ben Sam” reageer ik op de stem. Als ik zie dat er aan de oortjes een klein blokje zit met een microfoon er in snap ik wat er aan de hand is.

Ik ben aan het praten met Arif. Arif kan de oortjes de opdracht geven om deze geluiden te maken. Er zijn geen verschillen in toonhoogte als Arif praat. Ik kan de verbazing uit zijn woorden echter wel opmaken door zijn ritme, als Arif zegt: “Jij bent Sam. Dit is de eerste keer dat we praten.” “Ja.” Zeg ik. “Dit is geweldig!” Ik kijk Bram glunderend aan. Die glimlach verandert in verbazing als Arif in mijn oor zegt: “Ik ken je stem.”

 

We zitten er een paar uur maar we komen niet veel verder dan: Arif kan praten. Ik neem afscheid van Bram en Frank en ga op weg naar huis. Bram blijkt een hele gezellige man te zijn en Frank is niet erg aanwezig maar duidelijk erg intelligent. Zijn intelligentie komt echter niet eens in de buurt van die van Arif. Ik had mijn schoolboeken nog mee en ik ben met hem naar sterrenkunde stof gaan kijken. Ik heb Arif de stof uitgelegd en ik heb hem de vragen gesteld. Hij wist het antwoord iedere keer al voordat ik de vraag volledig had geformuleerd.

Ik zet mijn fiets neer en open de voordeur. Naast de prullenbak staan nu twee wijnflessen. De telefoon is niet aangeraakt en de deur naar mijn moeders slaapkamer is dicht. Ze ligt al lang en breed te ronken. Ik ga haar voorbeeld maar eens volgen. Mijn hoofd tolt. Dit is niet de eerste keer dat dat gebeurt in deze afgelopen dagen.



10: Pacman.

 

Ik krijg de volgende dag de resultaten terug van de toets die ik heb gemaakt. Ik heb er een voldoende voor dus ik ben tevreden. Ik vraag aan mijn vrienden of ze nog willen afspreken maar geen van hen heeft tijd. Niet een hele succesvolle woensdag.

Op donderdag ga ik met mijn moeder naar de film. Het is een film over een klein kind dat in Parijs zijn ouders kwijt raakt. Dan wordt hij gevonden door een man die met hem op zoek gaat naar zijn ouders. Het lukt mij en mijn moeder allebei redelijk goed om te doen alsof Louis nooit heeft bestaan. Ik heb haar al eerder verteld dat ik bij hem langs ben geweest maar heb er niet bij gezegd dat Louis zo boos was geworden.

 

Op vrijdag ben ik ziek. Ik ga dus maar niet naar de colleges. In plaats daarvan zit ik de hele dag thuis. Ik zit een paar uur voor het raam, naar buiten te kijken. Te kijken naar de vuilnismannen die achteloos de zware vuilniszakken in de achterkant van de wagen gooien. Ik kijk naar de mensen die langs komen fietsen. Een jonge man op een fiets. Zijn haar bestaat alleen maar uit krullen die op en neer gaan in zijn snelle, regelmatige fietsritme. Een blond meisje dat met een grote bobbel in haar vestzak schichtig en met haast voorbij loopt. Een paar minuten later een lange serene vrouw die vastberaden doorstapt in dezelfde richting als het meisje. Terwijl ik dit allemaal zie gebeuren denk ik na. Over Louis, over mama, over Bo en Dylan, over school en over Arif. Wat Arif zou kunnen zijn. Hoe hij mijn stem herkende. Zelfs terwijl ik een hele dag heb om over deze dingen na te denken kom ik niet veel verder.

 

Als het pas 8 uur is ga ik naar bed. Als ik slaap hoef ik er in ieder geval niet meer over na te denken. Ik slaap tot elf uur ‘s ochtends.

 

Op zaterdag besluit ik te kijken hoe het met Louis gaat. Ik bel aan maar hij doet niet open. Hij zal wel ergens heen zijn. Dat is goed voor hem. Ik maak me al een tijd zorgen over hem. Zijn fiets staat nog voor de deur aan een lantaarnpaal vast.

 

Op zondag komen Dylan, Bo, Aaron en Agnes langs. Dylan vroeg of ik tijd had. Ik probeerde door te laten schemeren dat ik er niet veel voor voelde. Dat boeide Dylan echter niet zo veel en hij heeft de rest van de groep maar meegesleept. Nu ze er zijn heb ik daar geen spijt van.

Nadat het even stil is geweest begint Dylan één van zijn geliefde kletsverhalen over alles en niks. “Ik was laatst aan het praten met Aaron over Pacman.” Zegt hij. “Wat voor gesprekken hebben jullie?” vraagt Agnes hem. “Rare gesprekken. Anyway, we hadden het dus over pacman en hoe tering raar het eigenlijk is. Ik bedoel: Wat de fack is pacman? Waarom wordt hij achterna gezeten door spookjes? Waarom moet hij die witte dingetjes eten? Wat zijn de witte dingetjes? Waarom zijn ze in een doolhof?” Dylan valt even stil en kijkt de kamer rond. Duidelijk verwacht hij meer nieuwsgierigheid uit ons dan we tonen. Na een paar voor hem vernederende seconden gaat hij zo dramatisch mogelijk verder. “Ik denk dat we eindelijk na al die jaren een verklaring hebben gevonden voor al deze mysteries. Dames en heren, al het bewijs kan er alleen op wijzen dat het volledige Pacman verhaal symbool staat voor...” Hij valt even stil om spanning op te bouwen. Dat lukt niet zo goed maar het lijkt hem niet uit te maken.  “...Depressie.” “Wat?” zegt Agnes. Ik vul aan: “Het gaat over een rond geel balletje, ontspan.” “Ik heb hier niks mee te maken,” zegt Aaron. “Nou” zegt Dylan, de negatieve reacties negerend. “Denk er even over na. Je vlucht voor de geesten... van je verleden. Dat zijn de spookjes. En de enige manier om daaraan te ontsnappen is door het nemen van witte dingetjes. Of pillen.”

Ik ben weer heel even bij mijn broers huis waar ik naar binnen kijk en het potje pilletjes zie staan.

“En hoewel het even werkt om de geesten te verslaan komen ze onherroepelijk terug. Want ze respawnen gewoon weer.” “Damn.” Zegt Bo. “Dat slaat nergens op.”

Zo gaat de conversatie door. Alleen Dylan zelf is het eens met zijn theorie. Er ontstaat een vrolijke discussie over de oorsprong en het verhaal van Pacman.

Dat doen we voor de rest van de middag. We hebben droge gesprekken. We eten koekjes en chips. We praten over televisie of films en voor een paar uur ben ik Louis, mijn moeder, school en Arif, voor heel even, vergeten.



11: Kloteruzie

 

Maandag ben ik laat klaar met school. Als ik bij het fietsenrek sta bel ik Louis. Na een paar seconden klinkt zijn stem: “Hallo, dit is Louis, ik kan mijn telefoon blijkbaar niet opnemen. Je weet wat je moet doen.” Hij klinkt vrolijker dan ik hem in tijden heb gehoord.

Ik ga maar bij hem langs. Ik wil weten hoe het met hem gaat omdat onze laatste ontmoeting niet echt goed afliep. Ik fiets naar het huis van Lex toe en zet mijn fiets neer. Nadat ik heb aangebeld moet ik weer een aantal seconden naar het naambordje van Lex en zijn ouders kijken. Louis doet open. “Oh, hoi” zegt hij niet erg enthousiast. Dan pakt hij zichzelf op en ziet er vrolijker uit dan bij de eerste twee woorden. “Hoe gaat het met je? ‘T is goed om je weer te zien,” zegt hij. “Ik hoop het” reageer ik met een glimlach. “Je ziet er beter uit dan dinsdag.” Dat klopte. Hij had zich geschoren. Zijn kleren waren niet zo gevlekt als eerder en deed zich in ieder geval vrolijk voor. “Wat houdt dat in?” vraagt Louis mij. “Gewoon dat je er toen nogal gaar uitzag.” Hij maakt een soort bromgeluid.

Zonder toestemming te vragen loop ik naar binnen. Hij houdt me dit keer niet tegen. Ik loop de woonkamer binnen en probeer te kijken of ik uit het zicht in de woonkamer kan opmaken hoe het met Louis gaat. Als ik in de eetkamer kom ga ik aan de tafel zitten.

“Wat kom je hier eigenlijk doen?” vraagt Louis en hij gaat tegenover me zitten. “Ik verveelde me en wilde even kijken hoe het met je ging” antwoord ik hem. “Aha.” Het is even stil.

Om de stilte te verbreken vraag ik hem: “Heb je weer last aan je sleutelbeen?” “Nee,” antwoordt hij. “Waarom zou dat zo zijn?” “Ik zag dat je weer je potje met pijnstillers had staan.” “Ik heb dat potje geloof ik nog thuis staan hoor” zegt Louis met een gezicht dat ik herken. Het is het gezicht dat hij vroeger trok als ik hem vroeg of hij mijn koekjes had opgegeten. Zijn mond in een onschuldige glimlach, zijn ogen iets groter dan natuurlijk en zijn linkerwenkbrauw bijna uitdagend omhoog. Ik besluit het maar over iets anders te hebben. “Wanneer kom je terug? Mama mist je nogal geloof ik.” “Dus het gaat toch over de ruzie?” Louis blijft rustig maar het is duidelijk dat hij niet blij met me is.

 

Ik: “Wil je gewoon even met mama gaan praten?”

Louis: “Laat haar maar met mij praten.”

Ik: “Ze heeft het me uitgelegd, heb je niet een beetje overdreven?”

Louis: “Ik was redelijk. Ik wil dat ze dat gewoon even doorheeft.”

Ik: “Laat ook maar. Wanneer is Lex terug?”

Louis: “Over een maand ofzo.”

Ik: “Wat doe je dan? Blijf je gewoon bij hem wonen?”

Louis: “Hou er over op.”

Ik: “Nee, je moet een idee hebben wat je doet de komende tijd. Het is echt best wel kut wat je met mama hebt gedaan. Ze is zichzelf niet meer.”

Louis: “Oh… Misschien moet ze me gewoon even bellen ofzo.”

Ik: “Dat gaat dus niet lukken.”

Louis: “Ik ga het niet doen.

Ik: “Dat is duidelijk. Ik heb echt geen zin meer om me de hele tijd met jullie kloteruzie te bemoeien.”

 

Ik sta op, pak mijn jas en loop naar buiten. Mijn broer blijft versteend zitten. Ik kijk niet meer om.



12: Een brein zonder lichaam

 

De volgende dag word ik gebeld. Het is het nummer van Bram. Ik heb hem nog nooit zo enthousiast gehoord. “Je had er gister bij moeten zijn meid. We hebben echt toffe dingen gedaan.” “Ja, zoals wat?” “Nou ten eerste hebben we eindelijk meer geld gekregen om Arif te onderzoeken en we hebben meer mensen gekregen om te helpen. Frank heeft nu de leiding over een team van 15 mensen.” “Wauw” zeg ik. “Dat klinkt alsof er flink wat is gebeurd.” “We hebben Arif ook eindelijk wat ruimte gegeven om na te denken. Beste beslissing van de eeuw! Hij is superslim meid.” “Ik had al zo’n vermoeden ja.” Dan hoor ik een doffe klap van de andere kant van de lijn. Ik moet lachen en een paar seconden later hoor ik de vrolijke stem van Frank. “Hey Sam. Bram heeft een beetje glibberige handen geloof ik. Maar hij heeft gelijk het gaat heel goed hier. Je moet nog eens langskomen. Volgens mij zou Arif dat ook waarderen.” “Ik heb nu nog wel tijd.” “Nou tot zo dan.”

 

Er is een weg. Op de fiets twintig minuten ten westen van de bebouwde kom. Er fietst een meisje over het stoffige wegdek. Ze fietst snel al lijkt ze geen haast te hebben. Ze let niet op de bomen aan weerszijden van de weg. Het begint al avond te worden maar het is nog licht genoeg om goed te kunnen zien.

 

Bij de plek van Arif aangekomen ben ik verbaasd over hoeveel er in zulke korte tijd is veranderd. Het kleine kampeertentje is veranderd in een grote tent waar gemakkelijk een klaslokaal in zou passen. Er staan hekjes rond Arif en er is een boel meer technologie te vinden. Binnen de hekjes staan Frank en een half dozijn andere mannen en vrouwen. Bram die in conversatie was met een strak kijkende man onderbreekt dat gesprek om op mij af te lopen. Met een uitgestoken hand groet hij me. Ik schud zijn hand en begin met praten. “Nou, je had gelijk toen je zei dat er veel gebeurd was. Tof hè. Het is een stuk lekkerder slapen zo, moet ik zeggen.” “Daar kan ik me iets bij voorstellen” reageer ik met een glimlach. “Waar komen al deze dingen vandaan dan?” “De regering had eindelijk door dat het een goed idee was om even te kijken wat we aan dit ding zouden kunnen hebben” antwoordt Bram. “En? Hebben jullie nog iets goeds gevonden.” “Nou, de naam Arif blijkt goed te passen. We hebben het opgezocht en het betekent blijkbaar: veelwetend. We zijn hem al een paar dagen voorzichtig wetenschap aan het voeren. Dit ding blijkt slimmer te zijn dan Einstein, Schrödinger en Newton samen.” “Dat is geweldig” weet ik door Brams constante woordenstroom heen te krijgen. “Hij vroeg ook specifiek naar jou. Volgens mij vertrouwt hij je meer dan de rest van ons. Zeg, heb je al een baantje?” “Op het moment niet” antwoord ik. Zijn volgende vraag maakt me blij verrast: “Zou je hier een parttime job willen hebben bij de communicatie met Arif? Het zou niet goed betalen maar we kunnen je zeker gebruiken. Ook ben je duidelijk slim en kwam je er heel snel achter hoe je met Arif moet praten.” “Ja natuurlijk wil ik dat.” “Dan geef ik je maar een rondleiding” zegt Bram enthousiast. Hij neemt me in zijn kielzog rond het kleine kampement dat is ontstaan.

“Natuurlijk slaapt niet iedereen in de grote tent. we hebben een heel team aan mensen die ons helpen met dit hele gebeuren. We hebben forensische wetenschappers, natuurkundigen, programmeurs, filosofen  en biologen” vertelt hij vrolijk. Het voelt goed om hier deel van uit te mogen maken.

Ik praat nog even met Arif. Hij lijkt er niet echt last van te hebben dat het zo druk is geworden. Hij heeft een webcam geinstalleerd gekregen zodat hij ons kan zien. De verwarring van de oorsprong van Arif is nog lang niet opgeheven. Wat hij allemaal kan lijkt wel steeds meer opgehelderd te zijn, en wat hij kan is indrukwekkend.

Als ik besluit om weg te gaan wordt mijn pad geblokkeerd door Frank. Hij kijkt serieuzer dan eerst. “Ik ga ervan uit dat je nog niet veel mensen hebt verteld wat je hebt gevonden.” Zegt hij. “Je bent hier nu lid van en je bent verplicht om het geheim te houden. We willen niet dat er plotseling allemaal dingen hier over op het nieuws komen terwijl we eigenlijk nog niks weten.” “Dat kan ik me voorstellen” antwoord ik. “Ik heb het mijn moeder verteld maar verder niemand.” “Hou dat zo en druk haar op het hart dat ze ook niemand iets moet vertellen. Ik vind dit niet leuk om te zeggen maar als je deze belofte verbreekt gaan er flinke gevolgen zijn. Je bent nu gedwongen tot zwijgen.” “Ik snap het” zeg ik ongeduldig. Hij gaat verder. “Je hebt nog de mogelijkheid om uit dit project te stappen. maar dan mag je nog steeds niks zeggen.” “Dat is niet nodig. Ik vind het leuk” sluit ik af. We nemen afscheid en ik fiets naar huis.

 

Als ik thuis aangekomen ben zit mijn moeder op de bank naar de tv te kijken. Als ik binnen kom zet ze het op stil. “Hoe ging het met Louis?” vraagt ze. “Hoe wist je...?” begin ik maar ze onderbreekt me. “Ik ken je langer dan vandaag Sam. Je zei dat je met hem wilde praten, dus dat heb je ook gedaan.” “Oh. Het ging wel goed met hem. Hij was nog een beetje zuur maar ik denk dat hij snel weer belt.” lieg ik. Ik realiseer me dat ik de haat voor confrontatie misschien wel van mijn moeder heb geërfd.



13: Terug in de tijd

 

Een week gaat voorbij. Er gebeurt niet veel. Behalve op één dag. Arif is alles wat de mensheid ooit heeft gedaan, ontdekt en bedacht, aan het leren. Op die ene dag ga ik bij hem langs. Als ik aankom bij de plek van Arif word ik weer gegroet door een enthousiaste Bram. Hij zegt dat er nog meer aandacht van de overheid is voor Arif en dat er geweldige dingen gebeuren. “Het gaat zo ontzettend snel” zegt hij. “Ze zijn al allemaal onderzoeken aan het doen.” “Waar heb je het over?” vraag ik hem. “Vraag dat maar aan Arif.” Dat ga ik dan maar doen. Er staat nu in een cirkel van twintig meter een flink hek rond Arif, wiens monotone stem nu uit luidsprekers komt. “Kan je me horen Arif?” vraag ik in het algemeen. “Zeker Sam” komt uit de luidsprekers. “Vertel op” moedig ik hem aan. “Waarom is Bram nu weer zo enthousiast?”

 

Arif: Weet je nog dat ik zei dat ik een paar dingen aan het uitzoeken was waar mensen nog niet echt een idee van hadden?

Sam: Ja.

Arif: Nou één van die dingen hebben we behoorlijke stappen in gezet gisteren: tijdreizen.

Sam: Tijdreizen?

Arif: Tijdreizen. Het is gisteren zelfs gelukt. Op hele kleine schaal we hebben een proton 12.3 milliseconden terug in de tijd gestuurd.

Sam: Wauw. Hoe hebben jullie dat gedaan?

Arif: Ik denk niet dat je het zou begrijpen. Ik kan het alleen uitleggen door middel van een sonische computertaal.

Sam: Welke taal?

Arif: Ik heb er zelf één bedacht maar niemand begrijpt het als ik het gebruik. Je kan er vierdimensionale ruimte mee beschrijven.

 

Ik moet lachen. “Dat lijkt vast niet erg op Nederlands?” zeg ik. “Nee” reageert Arif. “Ik demonstreer het wel even.” De tien seconden erna produceert Arif een ruis, ondersteund door een aantal ritmische en zelfs bijna melodieuze tonen. “Daar begreep ik inderdaad niet veel van” reageer ik met een lach in mijn stem. “Gaat het nog meer dan protonen worden?” “Dat weten we nog niet” zegt hij. “Die ene proton kostte een enorme hoeveelheid energie.” “Dus het gaat waarschijnlijk nog wel even duren?” “Dat weet ik niet precies. Het kostte een erg korte tijd om van helemaal geen tijdreizen naar 12.3 milliseconden te gaan. Wat in mijn belevenis best een tijd is.” “Ik denk wel dat we voorzichtig moeten gaan doen. Als het zo ver is. Ik heb genoeg sci fi films gezien om te weten dat je moet uitkijken” zeg ik. Waarop Arif reageert: “Ik geloof dat dat wel los zal lopen.”



14:  Louis

 

Mijn moeder doet veel. Ze werkt of ze kijkt tv. Ze doet zo veel mogelijk om niet na te hoeven denken. Daar heeft ze geen zin in. Ik ben of op school of bij Arif. Mijn vrienden zijn allemaal bezig met hun stage. Agnes en Aaron hebben dates. Dat was een leuk nieuwtje.  Ik hoor niks van Louis. Op vrijdag vind ik het genoeg geweest. Ik ga maar bij hem langs.

Ik had de afgelopen keren niet goed genoeg naar Louis geluisterd. Misschien had hij een punt. Ik wil me alleen niet meer bemoeien met de ruzie. Als hij graag niet meer bij Anouk wil wonen mag hij dat weten maar ik wil niet dat hij geen deel meer is van mijn leven. Ik ga er dus heen om mijn excuses aan te bieden. Misschien moet ik dan maar bloemen meenemen. Dus ik neem een afslag eerder om bij de bloemist te komen.

Ik moet dan wel de goede bloemen uitkiezen. Voor de bloemist blijf ik stilstaan en pak mijn telefoon erbij. Daar sta ik even ongemakkelijk op het internet op te zoeken welke bloemen bij welke emoties passen. Waarom is dit zo ingewikkeld? Waarom kan je niet gewoon een briefje met wat je bedoelt er op plakken. Dan is er ook geen verwarring. Een roos kan blijkbaar afhankelijk van de kleur honderd dingen betekenen. Hoe kan dezelfde bloem: “het is uit” en “ik hou van je” betekenen. Ik kan ook nog eens nergens een bloem vinden die “het spijt me” betekent. De geranium betekent volgens deze site:  “Ik ben blij dat je er bent.” Die neem ik dan maar. Ik loop naar binnen en koop een plantje met fel paarse geraniums. Dan fiets ik weer naar Louis.

Daar aangekomen druk ik op de bel van de voordeur. Ik kijk naar het bordje met de namen van Lex en zijn ouders en wacht tien, twintig, dertig seconden. Dan bel ik nog een keer en wacht weer tien, twintig, dertig seconden. Er gebeurt nog steeds niks. Ik wil terug lopen maar zijn fiets staat er nog. Hij gaat altijd overal heen op zijn fiets. Misschien als ik hem op zijn telefoon bel. Ik toets het nummer in en bel. Ik hoor zijn telefoon zachtjes over gaan in het huis. Hij is dus binnen. “Louis!” schreeuw ik naar binnen. “Het spijt me, ik wil gewoon even met je praten!” Hij was boos op me, maar ik denk niet dat hij me zo erg zou negeren. Dat vertel ik mezelf vooral omdat ik wil dat het waar is. Misschien slaapt hij. Het gaat niet goed met hem, dan gebeurt het wel eens dat het slaapritme nergens op gaat slaan.

Ik ben hier nu gekomen ik zal dan ook maar met hem gaan praten. Als ik om het huis heen loop kom ik erachter dat er aan de tuinkant van het huis een raam half open staat. Ik weet me op een of andere manier doorheen te krijgen en schrik van de stank. Het ruikt verschrikkelijk in dit huis. De vorige keer dat ik er was was het veel minder erg. Ik ben door het keukenraam gekomen. Ik loop door naar de woonkamer en sta stil. De haren in mijn nek en op mijn armen gaan overeind staan en ik sta helemaal stil.

Op het koffietafeltje staan twee potjes met pillen en een fles jenever. Op het kleed voor de bank staan twee voeten. Ze zijn omwikkeld door dikke sokken en zitten vast aan twee bleke benen. De benen zitten op hun beurt vast aan een bovenlichaam dat op de bank rust.  Dat bovenlichaam is vermagerd en duidelijk niet goed verzorgd. De armen hangen slap en nutteloos aan weerszijden van de ribbenkast. Het gezicht is wit en ingevallen. De wangen zijn hol. De ogen zijn open en staren wezenloos voor Louis uit.

Op de bank in de woonkamer van het huis van Lex ligt mijn broer helemaal slap, helemaal bleek en helemaal dood.

Het potje geraniums valt op de grond in stukken.



 



op juni 18 at 4:06

Reacties (0)

Schrijverspunt: Voor schrijvers, door schrijvers!