Welkom op Schrijverspunt

De Schrijversplek

Een Brein Zonder Lichaam 1

Ik heb als profielwerkstuk een verhaal geschreven. Het is niet zo lang als een roman maar het is wel een flinke lap tekst. Ik maak dit vooral zodat ik het met bekenden kan delen maar als andere mensen het lezen en gedachten er over hebben ben ik zeker geïnteresseerd. 
 
 

Inhoud:

1:Ruzie

2:Gezelligheid

3:Een ding

4:Thuis

5:Hallo?

6:Hallo!

7: Arif

8: Hoe gaat het?

9: Communicatie

10: Pacman

11: Kloteruzie

12: Een brein zonder lichaam

13: Terug in de tijd

14: Louis

15: Mijn broer

16: Spijt

17: Laatste loodjes

18: De dag



1: Ruzie


Ik sla mijn boek dicht. Ik vind het moeilijk me te concentreren. “Misschien kan ik daar wel een goede oplossing voor vinden,” denk ik bij mezelf. Ik moet iets omhanden hebben. Misschien iets te eten. Ik sta op, loop mijn kamer uit richting de koelkast in de keuken. Als ik langs de woonkamer kom, hoor ik gepraat. Mijn moeder en mijn broer, het klinkt niet erg vriendelijk maar ik ben nuchter genoeg om me er niet mee te bemoeien. Ze kunnen knallende ruzie krijgen maar na verloop van tijd zijn ze weer dikke maatjes. Het begint ook wel tijd te worden dat Louis op zichzelf gaat wonen. Ik mag nog wel even in de buurt blijven en profiteren van mijn moeder. Althans dat vind ik zelf.

Als ik in de koelkast kijk weet ik niet wat ik wil. Ik sla de deur dicht en kijk naar de fruitschaal. ‘Mandarijnen, natuurlijk.’ Ik pak er vier en loop terug naar mijn kamer. Ik negeer het feit dat er in de woonkamer nu flinke stemverheffing is.


Ik word op mijn rug wakker. Het boek waaruit ik aan het leren was ligt verkreukt naast mijn bed. Ik heb vannacht doorgeleerd totdat ik in slaap viel. Ik had toch niet kunnen slapen met al dat geschreeuw van beneden. Ik ken de stof nu wel. Dat is fijn. Ik dacht dat ik vandaag nog erg mijn best zou moeten doen, maar ik denk dat ik een mooi cijfer krijg als ik het zo nog even herhaal.


Ik ga vandaag naar het bos met vrienden. Om wat te kletsen, te lachen, verhalen te vertellen en waarschijnlijk iets te doen wat ik totaal niet had voorzien.

Daar ga ik gelijk in krijgen.



2: Gezelligheid


We fietsen, als groep. Naar daar waar het gezellig wordt. Dylan begint een verhaal. Ik luister met een half oor en lach op de momenten dat het gepast lijkt. Ook val ik in met nuttige uitspraken als, “Ja dat zou je niet willen.” of “Helemaal waar.” Onwillekeurig denk ik aan eergisternacht. Ik heb mezelf niet echt tijd gegund om eraan te denken maar nu begin ik me te realiseren dat er misschien iets mis is. Ik heb Louis gisteren de hele dag niet gezien en mijn moeder heeft zich nog niet verontschuldigd voor de hoeveelheid geluid die ze hebben gemaakt. Dat zou namelijk een pijnlijk gesprek betekenen over wat er is gebeurd. Mijn moeder houdt er niet van om het over serieuze dingen te hebben, zeker niet als ze ongelukkig zijn. Als er iemand dood gaat is het net alsof ze nooit hebben bestaan.

“Laat het.” Zeg ik tegen mezelf, “Ga door met het gesprek.” Hij heeft het over tijdreizen. Dat is wel een goed onderwerp om me mee af te leiden. Hij praat over het moment waarin de tijdlijn van back to the future niet meer klopt. “Het klopt sowieso niet.” Spring ik in. “Als hij namelijk weer vooruit gaat in de nieuwe tijdlijn is het ineens nooit gebeurd dat hij terug is gegaan in de tijd om alles te veranderen. Gelijk een paradox.” “Wow” Zegt Dylan alleen. “Dus het is altijd dom?” voegt Aaron toe. “Nee,” antwoord ik, “in sommige verhalen klopt het wel. Het derde Harry Potter boek bijvoorbeeld. Daar kon je niet echt iets aan de tijd veranderen. Alles wat was gebeurd, was al eerder gebeurd. Zo ging dat nou eenmaal. Ik kan ook een versie bedenken waarbij je teruggaat in de tijd en daarbij een nieuwe wereld creëert. Zodat de versie van jou in die wereld niet per se terug in de tijd hoeft te reizen en dat gewoon een soort andere versie van jezelf is.” “Ah.” Reageerde Dylan zonder veel overtuiging. “Zeg dat nog eens?”


Er is een weg, twintig minuten fietsen ten westen van de bebouwde kom. Ooit hebben wat mensen er asfalt overheen gelegd maar nu ligt er voornamelijk stof en bladeren. Onder deze laag zijn echter hier en daar sporen van versleten asfalt te vinden. Aan de Noordkant staan treurwilgen op een rij. De hangende groene bladeren bewegen mee met de wind. Aan de zuidkant staan jonge berken. Op de weg rijdt een luidruchtige groep van vijf jongeren al lachend, pratend en grappend van Oost naar West.


Eenmaal aangekomen gaan we op zoek naar een manier om comfortabel te zitten. Bo en Dylan vinden samen een grote boomstronk en besluiten dat het de beste gang van zaken is om deze met z’n vijven te verplaatsen en daar dan op te gaan zitten. Ik heb geen zin maar Aaron en Agnes springen op om te gaan helpen. Ik heb dus niet veel keus. Met tegenzin sta ik op om te helpen het grote blok hout richting de open plek tussen de bomen die we hebben gevonden te verplaatsen. Het duurt een paar minuten maar dat  is het wel een beetje waard. Er is niet genoeg ruimte voor ons allemaal dus Bo besluit alleen op een grote gladde steen te gaan zitten. Aaron gaat aan de slag met wat vuur.

In elke groep mensen kun je altijd zó aanwijzen wie het vuur zou maken als dat nodig is. Dat kan zijn omdat die persoon het het meest wilt of omdat ze het het minst niet willen of het best kunnen. Bij ons is dat Aaron. Wanneer ergens iets gedaan moet worden, voelt hij zich al snel uitverkoren om de handen uit de mouwen te steken. Terwijl hij zorgvuldig aan de slag gaat met het bouwen van een vuur kijkt de rest toe. Terwijl Aaron geduldig en precies de takjes tegen elkaar aan balanceert, is het even stil, waarna Dylan besluit een gesprek te beginnen: “Lijkt me eigenlijk best grappig om een sekteleider te zijn.” “Wat?” reageert Aaron verward terwijl hij opkijkt van het tentje. “Een sekteleider, dat lijkt me grappig om te zijn.” “Ja, ik hoorde je maar waarom?” “Gewoon,” antwoord Dylan, “lijkt me leuk om zo veel macht te hebben. Voor een week of zo. Nou, op de bucketlist dan maar.” Er volgt een korte stilte. “Wat voor sekte zou het zijn dan? Waar zouden de mensen in geloven?” vraagt Bo. “Noga.” Reageert Dylan direct en met zekerheid. Ik besluit me ook in het gesprek te mengen. “Noga? Wat houdt dat in?” “Ze zouden noga eten om zich van hun zonden te verlossen, of ze verbranden het of zo, weet ik veel. Noga is gewoon de shit.” “Maar als ze het opeten of verbranden kan jij het niet eten.” Zegt Bo. “Da’s een goed punt. Nou dan bedenk ik de details later wel.” Sluit Dylan af.

Zo gaat het door, droge gesprekken. Na een aantal minuten is Aaron klaar met het maken van een tipi van takjes. Hij stopt een prop papier in het midden en steekt deze aan. Na wat geklooi brandt er een redelijk vuurtje. Hij vertrouwt mij toe om op het vuur te letten en gaat op zoek naar brandhout. Dylan is Agnes en Bo een beetje aan het pesten. Agnes probeert er niet te veel op te reageren maar Dylan pakt de muts van Bo af en gaat er vandoor. Bo springt op en rent achter hem aan. “Kom op Dylan dit, is niet nodig!” Agnes loopt er quasi geïrriteerd achteraan en gedrieën verdwijnen ze, met veel lawaai, gegiechel van Dylan en geluid van brekende takken, in de nacht.

Ik blijf alleen over. Ik weet niet goed wat ik moet doen dus ik kijk in de vlammen. Ik vind het makkelijk om lang in vlammen te staren. Ze veranderen altijd, nooit ook maar een tiende van een seconde hetzelfde. Altijd krioelen de vlammen naar plekken waar ze nog niet eerder zijn geweest. Ook houdt het mijn gezicht warm. Ik realiseer me langzaam dat er ook een geur is. Het is niet de geur van een vuur. Het is niet een algemene geur van het bos. Ik weet niet wat het is. Het is er ook al de hele tijd dat ik hier ben geweest. Ik kan het totaal niet plaatsen. Er zit iets metaligs in. Het ruikt een beetje naar ijzer. Maar dat is niet waarom het mijn aandacht grijpt. Het ruikt bijna naar verbrande kleren. “Dat is gek.” Denk ik bij mezelf. “Ik word er bang van. Ik ben nog nooit eerder bang geworden door een geur.” Iets in de geur komt me gewoon zo ontzettend bekend voor maar ik kan het totaal niet plaatsen. Ik haat het om dingen niet te weten. Ik word onrustig dus ik ga staan en ga op zoek naar de bron van de mysterieuze geur.

Ik loop eerst achter de anderen aan maar dan wordt de geur minder duidelijk, dus ik loop de andere kant op. Ik loop tien meter, dan twintig en voor ik het weet zit ik ongeveer honderd meter van het vuur vandaan. Het wordt steeds sterker. Dan opeens, vlak naast een zwarteblakerde boom, zie ik een verwarrend tafereel.



3: Een ding


Aan de voet van de zwartgeblakerde boom zie ik een ding liggen. Het is ongeveer een halve meter in doorsnee, al is dat moeilijk te zeggen want het stopt niet met bewegen. Het is een ding, als je het zo kan noemen, het is een soort zilverglanzende massa. Alsof het bestaat uit miljoenen of miljarden ijzeren miniscule korrels die door magnetisme langs elkaar bewegen. Het geheel lijkt hierdoor te pulseren. Ik weet niet wat het is maar het lijkt wel te leven, te denken. Ik ben gelijk gefascineerd door de bewegingen van het object en ik krijg het gevoel  dat ik het maar niet moet aanraken. Zo sta ik daar, verbijsterd.

Na een paar minuten realiseer ik me weer waar ik ben. Zonder het vuur begin ik koud te worden. Ik besluit dat ik binnenkort maar terug moet gaan. ijn nieuwsgierigheid naar het object houdt me tegen. Ik wil er graag achter komen wat ik zojuist gevonden heb dus ik zorg ervoor dat ik het later weer terug kan vinden. Ik rol mijn felrode sjaal van mijn nek en bind deze rond de boom waar het object naast ligt. Ik sla de coördinaten op op mijn telefoon en gebruik deze om een foto van het ding te maken. Ik fotografeer alles wat eromheen is. Uiteindelijk fotografeer ik het ding zelf, uit alle hoeken, van ver weg en van ontzettend dichtbij zodat ik een goede foto heb van de textuur van het spul. Maar de kou eist zijn tol op mijn handen, mijn grip op de telefoon is zwak. Dus bij het maken van de laatste foto glipt de telefoon spontaan uit mijn handen en landt op het ding, het verdwijnt  volledig in de metalige substantie. “Kut!”, roep ik luid. Mijn stem galmt door het bos. Mijn telefoon is onzichtbaar achter het spul en ik hoop dat het misschien weer boven komt in het ding. Ik kijk er even naar en besluit dat het misschien een goed idee is om er wat in rond te porren met een stok en zo te kijken of het lukt om hem terug te krijgen. Ik wil het ding nog steeds liever niet met mijn blote handen aanraken. Voor ik iets gedaan heb komt de top van mijn telefoon plots uit het ding zetten. Waarna de rest ook langzaam boven komt.

Als ik bijgekomen ben van de verbazing grijp ik de bovenkant beet en probeer hem te pakken. Dat lukt niet zo makkelijk. Het ding lijkt het onderste deel van mijn telefoon vastgegrepen te hebben. Na een keer flink trekken geeft het mee. Verdwaasd besluit ik dat ik maar eens terug naar het vuur moet gaan. Mijn vrienden weten vast niet waar ik gebleven ben.

Bo vraagt waar ik heen was waarop ik automatisch reageer dat ik te veel had gedronken. Ik weet niet waarom mijn reactie op deze vondst zo overdreven is. Waarschijnlijk is het gewoon afval ofzo. We gaan door met praten, chips eten en in het vuur staren totdat we allemaal te moe zijn en besluiten terug naar huis te gaan.


Er is een weg, twintig minuten fietsen ten westen van de bebouwde kom. Aan de Noordkant staat een rij treurwilgen, die er  in het zilveren licht van de maan griezelig uitzien. De jonge berken aan de Zuidkant zorgen onder hun bladerdak voor een pikzwarte duisternis. Over het versleten asfalt fietsen 5 vermoeide jongeren van West naar Oost. Ze kletsen wat maar vooral één meisje in de groep is niet erg spraakzaam. Alles wat er gezegd wordt gaat langs haar heen terwijl ze in gedachten doorfietst.



4: Thuis


“Ik ga er later nog wel eens naar kijken.” Denk ik, terwijl ik de voordeur van mijn huis met een zachte klik opendoe en stilletjes doorloop naar de huiskamer. Op de bank ligt mijn moeder te slapen. In een ongemakkelijke houding die ze waarschijnlijk niet zelf heeft uitgekozen. Ze heeft blijkbaar voordat ze in slaap is gevallen een Amy Winehouse cd opgezet want haar regelmatig ademhalen wordt begeleid door “Rehab”. Ik probeer zo weinig mogelijk geluid te maken maar maak haar toch wakker.


Anouk: “Hé Sam.”

Ik: “Hé mam.”

Het is even stil.

Ik: “Mam?”

Anouk: “Ja?”

Ik: “Waar is Louis?”

Anouk: “Die is weg.”

Ik: “Waar heen?”

Anouk: “Dat weet ik niet precies.”

Ik: “Wanneer is hij weer terug?”

Het is even stil.

Anouk: “We hebben ruzie gehad.”

Ik: “Ik weet het, maar wat is er gebeurd?”

Anouk: “Hij is weggelopen. Hij slaapt ergens anders.”

Ik: “Waar?”

Anouk: “Ik geloof dat hij naar een van zijn vrienden is gegaan.”

Ik: “Oh... Waar ging de ruzie over?”

Anouk:” Afwas.”

Ik: “Afwas?”

Anouk: “We waren aan het afwassen en hij deed het steeds verkeerd…”

Ik: ” ... En daarom is hij het huis uitgetrokken?”

Anouk: “Ja hij wilde niet meewerken. Ik werd boos, hij werd boos.

Ik: “Ik ga wel met hem praten.”

Anouk: ”Liever niet. Hij moet maar uit zichzelf naar mij toe komen.”

Ik: “Gaat dat lukken?”

Anouk: “Dat weet ik niet.”


Ik besluit dat ik geen zin in dit gesprek heb en loop de kamer uit. Ik ga wel eens met hem praten. Zijn enige vriend is Lex dus het is best makkelijk uit te vogelen waar hij te vinden is. Al heb ik hem enige tijd niet gezien, ik weet waar hij woont dus het maakt niet uit.

“Wat was dat ding?” Ik lig in bed. Ik lig al een uur stil maar de slaap lijkt nog niet erg te komen. “Wat was dat ding?” Ik doe hard mijn best maar ik kan geen goede verklaring vinden afgezien van ontzettend wilde theorieën.


Ik word wakker. Ik heb niet heel lang geslapen. Ik wil dus ook zeker niet mijn bed uit. Vandaag hoef ik niks, morgen zal ik weer naar mijn school toe moeten maar vandaag kan ik, als ik wil, de hele dag blijven liggen. Dat doe ik ook bijna, liggend op mijn buik, met mijn ogen dicht. Maar ik slaap niet echt. Ik doezel hooguit. Uiteindelijk  besluit ik dat ik me verveel en pak mijn telefoon van mijn nachtkastje. Even kijken of ik nog een bericht van Bo of zo heb gekregen. Als ik op de ontgrendelknop van mijn telefoon druk is het enige wat ik zie echter een compleet zwarte achtergrond met één woord.



5: Hallo?


“Hallo?” staat op het scherm.  Waarom doet mijn telefoon dat nu weer? Mijn slaperige brein weet niet goed wat het hier mee aan moet. Ik besluit dat ik maar mijn telefoon opnieuw moet opstarten. Mijn telefoon gaat weer aan. Het opstartscherm, dat gewoonlijk het merk van de telefoon meldt, weergeeft nu alleen: “Hallo?” Eenmaal opgestart wordt het nog vreemder. Bijna alle tekst op mijn telefoon is plots veranderd in “Hallo?” Alsof er iets in deze wereld is gekomen wat er eigenlijk nooit had moeten zijn en nu wil weten of het alleen is. Ik ben verbijsterd. Ik scroll elke app door, overal staat het zelfde woord. Uiteindelijk kom ik tot een realisering. Misschien heeft het iets te maken met dat ding van gisteren. Misschien is er iets met mijn telefoon gebeurd toen ik het erin liet vallen.

“Ik moet terug!” Is mijn eerste gedachte. Ik moet verder onderzoeken wat er allemaal aan de hand is. Als ik denk dat er iets aan de hand is ga ik naar de overheid. Ik haast me naar mijn fiets.


Er is een weg, twintig minuten fietsen ten westen van de bebouwde kom. Aan de noordkant staat een rij treurwilgen, wier bladeren verrassend stil hangen in de koude ochtendbries. Aan de zuidkant staan jonge berken. Over de vermoeide weg fietst een meisje, onbewogen door de kille tegenwind. Ze fietst in een rap tempo achter haar schaduw aan.


Eenmaal aangekomen bij de plek van het vuur vind ik het moeilijk me te oriënteren. Ik probeer al mijn stappen na te gaan. Dus ik herinner me hoe het was gegaan. Hoe de anderen weg waren gegaan. Hoe ik een andere kant op was gelopen. Hoe vond ik het überhaupt? Ik volgde die rare geur,  dus ik doe mijn ogen dicht en snuif.

Grappig hoe geuren herinneringen terug kunnen brengen.

Op het moment dat ik de geur weer herken weet ik precies waar ik heen moet. Ik loop tien meter, dan twintig en voor ik het weet zit ik ongeveer honderd meter van de vuurplek vandaan. Daar zie ik de rode sjaal. Precies zo vastgebonden als ik het gisteren heb achter gelaten. Achter de boom vind ik ook het... ding. In het daglicht niet minder verwonderend.

Daar sta ik. Ik weet niet voor hoe lang. Ik weet nu eigenlijk niet wat ik wil doen. Ik geloof dat het ding kan denken, kan redeneren en heb geen idee wat ik hiermee moet. Hoe ik er dan mee kan communiceren. Of ik er überhaupt mee wil communiceren. Ik pak mijn telefoon met alle rare teksten erbij en scroll er een beetje doorheen. Uiteindelijk vind ik de notities. Daar kan ik misschien iets mee. Ik open een document waar 44 keer “hallo?” staat en begin, zonder goed te weten wat ik moet doen, te schrijven.

“Hoi.” Nee, dat is te onofficieel. “Gegroet.” Nee, dat is zo tuttig dat het enige wat ik er op kan laten volgen is: “Ik kom in vrede.” Ik besluit het dus te houden op: “Hallo, mijn naam is Sam. Ik ben 19 jaar oud en ik ben een mens. Wat ben jij?”

Ik houd mijn telefoon vlak boven het ding en laat het met een bijna onhoorbare “baf” vallen. Ik ga vlak naast het object staan terwijl mijn telefoon volledig opgezogen wordt. Dan schiet mijn telefoon als een boterham uit een broodrooster weer naar buiten . Ik weet hem nog net, met mijn bezwete handen, te vangen. Ik draai hem om in mijn hand om het scherm te kunnen lezen. Naast mijn eigen tekst staat nu een reactie. “Hallo Sam. Ik heb geloof ik geen naam. Ik weet ook niet zeker of ik een mens ben. Maar ik ben blij om met iemand te kunnen praten.”



H6 hallo!


Ik zet een paar stappen achteruit om mijn evenwicht te behouden maar tevergeefs. Ik val plat achterover en blijf daar zitten. Te verbaasd om iets te doen. Te verbaasd om na te denken. Te verbaasd.

Na een aantal minuten besluit ik om iemand te bellen. Iemand die hier iets van afweet, zodat ik niet hoef na te denken. Een noodnummer! Ik toets met trillende handen de cijfers in en bel. Ik krijg een vrouw aan de telefoon en heb nu geen flauw idee wat ik moet zeggen. Het enige wat ik uit mijn mond weet te krijgen is: “Ik heb iets gevonden.” “Mag ik eerst uw naam?” “Sam” Ze vraagt: “Wat heeft u gevonden mevrouw?” “Ik weet het niet precies,het is heel raar.” “Kunt u het beschrijven?” “Ik zal het proberen. Het is niet erg groot. Ongeveer dertig centimeter in omvang denk ik. Maar het is raar, ik heb nog nooit zoiets gezien.” Ik begin mijn woorden weer een beetje onder controle te krijgen. Ik ga verder. “Het lijkt van een soort magnetische klei te zijn. Het beweegt.” “Wat denkt u dat het is mevrouw?” Ik durfde het tot nu toe niet te denken maar het enige wat er in me opkomt is: “Ik geloof dat het een soort alien is.” “Oh... Heeft u even geduld?” Even later klinkt er een beleefde herenstem die mij weer meldt dat ik even geduld moet hebben en me geen zorgen moet maken.

“Hallo?” Klinkt een mannenstem even later uit de telefoon. Hij heeft een accent en klinkt een stuk minder zakelijk dan de vrouw.  “Hallo.” Reageer ik. “Als ik het goed begrijp heeft u een soort alien gevonden?” De man lijkt me te geloven. Dat is geruststellend, dat ik in ieder geval een beetje serieus genomen word. Of dat rechtvaardig is weet ik nog niet zeker. “Ja, antwoord ik. Volgens mij is het intelligent. Toen het contact maakte met mijn telefoon heeft het een groot deel van de codering veranderd.” “Oh.” Klinkt het. Nu neemt de man me in ieder geval serieus. “Kunt u me uw locatie geven? Dan komen we snel kijken.” Natuurlijk kan dat.


Nadat ik mijn coördinaten heb gegeven en ik de belofte heb gekregen dat er iemand in een uur zal zijn ben ik alleen. Ik kijk naar het ding en besluit dat ik het meer wil vragen. Misschien als ik gewoon vraag of het een alien is kan het me dat gewoon vertellen. Dus ik begin weer met typen. “Ben je een alien?” Ik stop mijn telefoon weer in het ding en krijg snel een reactie. “Ik weet het niet. Ik kan me alleen tot een bepaald moment herinneren wat er is gebeurd. En zelfs dat is weinig. Ik ben hier tot dit gesprek gewoon wezen denken.” “Hoe komt het dat je deze taal dan spreekt?” “Dat weet ik niet,” is de enige reactie. Om de intelligentie van de alien te testen geef ik het een natuurkundig probleem op: Ik weeg 63 kg en beweeg met een snelheid van 44 m/s. Wat is mijn kinetische energie? Ik ben erg benieuwd wat het ervan kan maken. Mijn telefoon heeft het ding nauwelijks aangeraakt of ik krijg al een reactie. “6.1*10^4 joule” Is de reactie. Ik gebruik de rekenmachine van mijn telefoon en kom tot dezelfde conclusie. Dit ding is intelligent. Ik besluit verder maar af te wachten tot de experts er zijn.


Na een verrassend koud half uurtje hoor ik stemmen en voetstappen. Ik rek me uit en roep: “Hallo?” Één van de stemmen reageert. “Hallo, ben jij Sam?” “Ja, volg mijn stem maar gewoon!” Ik loop ze tegemoet. Het zijn twee mannen, één is jong, een twintiger denk ik. Hij heeft niet een speciaal fysiek maar een opvallende moedervlek tussen zijn wenkbrauwen. De ander heeft een dikke buik en gespierde armen. Hij ziet er uit als iemand die is gestopt met sporten, maar er niet minder op is gaan eten. De laatste neemt mijn hand stevig beet en zegt: “Mijn naam is Bram. Dit is Frank, we zijn hier om een bijzonderheid te bekijken.” “Ja natuurlijk,” zeg ik. “Het is bij die boom daar, met de sjaal.” “Nou,” zegt Bram, terwijl hij in zijn handen wrijft, “laten we dan maar een kijkje nemen.” Hij loopt om de boom heen en zijn ogen worden groot. Bram en Frank zijn beiden even stil terwijl ze naar het ding kijken. Frank begint met praten. “We hebben naar de notities van het telefoongesprek gekeken. Je zei dat het volgens jou een alien was?” “Ik weet niet wat het is, maar ik geloof niet dat het hier hoort.” is mijn reactie. “Het enige wat ik kan bedenken is dat het een soort alien is.” Het is even stil. “Het is intelligent” voeg ik nog toe. “Intelligent? Hoe ben je daar achter gekomen?” wil Frank weten. “Ik demonstreer het wel even.” Ik pak mijn telefoon uit mijn zak. Typ in de notities, onder alle andere vragen en antwoorden: “Wat is je naam?” en laat het weer in het object vallen.

Na een paar seconden komt mijn telefoon, tot de hoorbare verbazing van Bram, weer naar boven. Ik pak mijn telefoon weer op en lees: “Ik geloof dat je me Arif noemde.” Frank laat nu ook van verbazing wat lucht los. Ik probeerde me tot nu toe cool te houden maar ik laat onwillig mijn verbazing blijken. “Ik heb je nog niks genoemd.” Typ ik. De enige reactie die ik krijg is: “Oh.” “Wat is dit voor ding?” zegt Frank nu hardop. “Vertel me eens wat er allemaal is gebeurd.” Dat doe ik.


Niet veel later zit ik thuis. Ik heb alles moeten uitleggen aan mijn moeder. Ze doet erg haar best om me hier aandacht voor te geven en heeft door dat het bijzonder is. Maar volgens mij zijn haar gedachten nog elders, bij Louis. Ik vraag haar daar maar weer naar. Of ze nog wat gehoord heeft. Ze zegt van niet. “Hoe laat is het?” Vraag ik. Het voelt alsof het 3 uur s’nachts is. “Weet ik niet, kijk zelf maar” krijg ik als antwoord. Ik kijk maar volgens mijn telefoon is de tijd: “Hal:lo?” dus daar kom ik niet veel verder mee. Volgens de klok op de magnetron is het 08:00. Eigenlijk is het geen goed idee voor mijn slaapritme om nu al naar bed te gaan maar dat maakt me niet zoveel uit. Ik ga in bed liggen. Ik ga morgen wel met Louis praten. Al snel val ik  in een onrustige slaap.



7: Arif

Als ik wakker word realiseer ik me pas dat het maandag is. Ik kijk op de klok en zie dat het 9:37 is en dat ik me heftig heb verslapen. Ik heb mijn eerste college zonder twijfel gemist.


Een kwartier later zit ik in de collegezaal. De leraar neuzelt wat over planeten en sterren maar mijn gedachten zijn elders.

Ik denk aan mijn vrienden, die rare opmerking van Dylan laatst. Ik denk aan Aaron. Ik denk aan Agnes, hoe ze nu waarschijnlijk zit te giechelen om een opmerking die nauwelijks grappig was.

Ik denk aan Bo, die altijd alleen maar lacht als iets grappig is. Die alleen dingen zegt als ze belangrijk zijn, of het iets toevoegt aan het gesprek.

Ik denk vooral aan dat ding wat ik in het bos heb gevonden. “Arif,” wilde het genoemd worden. Raar dat het dacht dat ik het een naam had gegeven. Uit verveling pak ik mijn telefoon erbij. Maar ik zie al snel weer dat het vrijwel onbruikbaar is. “Hallo?” staat er nog steeds overal. Misschien kan ik Arif vragen om het weer recht te zetten. Hij heeft het ten slotte zo gemaakt.


Als ls mijn telefoon trilt schrik ik. Ik word gebeld. Ik kijk naar het scherm maar het is een onbekend nummer. Dat bel ik zo wel terug.


Even later heb ik geen college meer. Ik bel het nummer terug en krijg de stem van Bram aan de lijn. “Hallo” zegt hij. “Hoi” reageer ik. “Ik werd net gebeld door dit nummer maar ik was in een college dus ik kon niet opnemen.” “We wilden je nog ondervragen. We hebben een beetje onderzoek gedaan maar dat wat je gevonden hebt wil niet echt meewerken.” “Oh wanneer heb je me nodig?” “ Ik hoopte eigenlijk dat je zo nog langs kon komen.” “Is goed.”


Drie kwartier later groet ik Bram. Volgens hem is het heel moeilijk om contact met het ding te krijgen. Ik loop ontspannen door naar de plek waar Arif ligt. Ik zie dat ze al een tent hebben neergezet en er een camper in de buurt staat. Ze zijn geloof ik niet van plan om iemand in de buurt te laten komen. “Behalve mij blijkbaar” denk ik met een glimlach bij mezelf.

Bij Arif aangekomen typ ik in de notities van mijn telefoon: “Kun je misschien mijn telefoon weer normaal maken? Zoals je het had gevonden.” Ik leg mijn telefoon weer op het ding en wacht. Als ik het terug krijg werkt alles weer normaal en staat er in de notities: “Natuurlijk, alsjeblieft.” Ik geniet er van om dit zo nonchalant te doen terwijl Bram vol ontzag staat toe te kijken. Ik zeg: “Ik vond het niet zo moeilijk om contact te krijgen.” Direct nadat ik het gezegd heb vind ik het te arrogant. “Nee, dat blijkt.” Zegt Bram. “Zou je ons misschien willen helpen met leren wat het is? Niet voor lang hoor, gewoon even dat we op gang komen.” “Sure.” Reageer ik. Zullen we dan maar aan de slag gaan?

Er volgen een paar uren waarin we proberen uit te zoeken wat Arif is. We komen niet veel verder. Wel hebben we Arif kunnen helpen te begrijpen wie wij zijn en wat we doen. We hebben hem verteld over de mensen:  over onze oorsprong, hoe we er uit zien, over de aarde, onze problemen, onze wetenschap en onze limieten. Als het donker wordt zeg ik Bram en Frank, hij is halverwege aangekomen met afhaaleten, gedag en fiets ik naar huis.

Thuis aangekomen realiseer ik me dat ik niet naar Louis ben gegaan. Hij zal maar moeten wachten. Op het aanrecht staat een wijnglas met een laagje van de rode vloeistof op de onderkant en naast de prullenbak staat een lege fles. De telefoon zit verkeerd om in zijn houder.



op juni 18 at 3:59

Reacties (0)

Schrijverspunt: Voor schrijvers, door schrijvers!