Meedoen voor leden is gratis!
Sprookjes schrijfwedstrijd
Meedoen is niet meer mogelijk!

Inzenden van een verhaal is mogelijk van 1 mei t/m 20-07-2018 (24.00 uur).

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Licht duwt op mijn oogleden. Als ik mijn ogen openmaak, heb ik daar per direct spijt van. Op de achtergrond is het geluid van klotsend water te horen. Met een ruk kom ik overeind. Water? Ik zit naast een of andere rivier, waarvan het water op het ritme van de wind tegen de kade spettert. Eerlijk gezegd heb ik geen flauw idee wat ik hier doe. Wanneer ik me probeer te herinneren hoe ik hier gekomen ben, schiet er echter een steek van pijn door mijn hoofd. Het voelt alsof iemand mijn brein met bloten handen uit elkaar trekt. Ook als ik erover na denk wat ik dagen, weken, maanden en zelfs jaren geleden heb gedaan, ontvang ik enkel pijn. Geen gezichten van mensen. Geen goede of slechte herinneringen. Niet eens mijn eigen naam. Alleen pijn. Zodra ik het memoreren opgegeven heb, verschijnt er een vaag beeld in mijn achterhoofd. Ik zie een tafel waarop een klein zwart boekje ligt.

Blijkbaar heb ik hardop geschreeuwd, want er is een man de berm in gelopen. Hij kijkt me met grote ogen van bezorgdheid aan. ‘Is alles goed, meisje?’ Om een of andere reden lijkt het mij niet verstandig om hem te antwoorden, dus ik staar met gefronste wenkbrauwen terug. Zijn ogen glijden mijn lichaam af. Wanneer ik naar mezelf kijk, snap ik de bedenkelijke uitdrukking op zijn gezicht. Over mijn ledematen zijn vlekken bloed verspreid. Wat is er in hemelsnaam met me gebeurd? ‘Meisje?’ Voorzichtig raakt de man mijn schouder aan. Voor ik zelf goed en wel doorheb waar ik mee bezig ben, grijp ik zijn arm beet. Zonder enige moeite werp ik hem over mijn rug. Met een plof landt hij in het gras naast me. Zijn lichaam staat strak gespannen van angst en verbazing, maar ik weet vrij zeker dat hij niet half zo verschrikt is als ik. Ontzet inspecteer ik mijn trillende handen. Mij valt op dat mijn knokkels paars gekleurd zijn. Terwijl de man overeind krabbelt, werpt hij me een kwade blik toe. Ik mompel een verontschuldiging, waarna ik de benen neem.

Eenmaal ver buiten het bereik van de man stop ik om op adem te komen. Het enige probleem is dat ik helemaal niet op adem hoef te komen. Ik heb zojuist een heel park doorgerend zonder me ook maar een klein beetje moe te voelen. De spieren in mijn benen komen over alsof ze me nog kilometers zouden kunnen dragen. Plots scheurt er een motor voorbij. Ter bescherming sla ik mijn handen tegen mijn oren. Waarom maakt dat ding zo veel lawaai? Zodra ik me op geluid concentreer merk ik dat de motor niet het enige is dat veel te veel geluid maakt. Alles om me heen is oorverdovend. Het gezang van de vogels klinkt alsof iemand een stereo in mijn hoofd heeft aangesloten, het lijkt alsof iedereen die loopt zo hard mogelijk met zijn voeten op de grond stapt en de vrouw die drie straten verderop staat had net zo goed in mijn oor aan het schreeuwen kunnen zijn. Dan hoor ik ineens een heel ander geluid. Een gebrom vanuit mijn buik. Nu pas voel ik hoe droog mijn keel is en hoe erg mijn maag verlangt naar eten.

Met mijn handen nog op mijn oren gedrukt, loop ik het stadje in dat recht tegenover het park ligt. Natuurlijk herken ik deze plek ook niet. Steeds dichterbij komt de verstikkende deken van lawaai. De straten krioelen van de mensen en alle indrukken en geluiden worden mij te veel. Wanneer ik me omdraai ondervind ik echter tot mijn schrik, dat de mensenmassa me ingesloten heeft. Ik draai een rondje om mijn as. Een vreemde vrouw botst tegen me aan. Alsof ik de kauwgom onder haar schoen ben kijkt ze naar me. Omdat iets in haar oordelende blik me op een negatieve manier bekend voor komt, deins ik achteruit. Zo stoot ik nog iemand anders aan. Zijn gezicht vertoont een diepe frons. Zowel hij als de vrouw bekijken me. Het meisje een eindje verderop staart me ook aan en de jongen in de zwarte jas en de oude dame met het hoedje en de groep pubers die roken en… Ik begin te rennen. Het moet er bizar uitzien, maar dat laat me momenteel koud.

Plotseling prikkelt een overheerlijke geur mijn neus. Koffie. Abrupt sta ik stil. Verderop in een klein cafétje zit een man de krant te lezen. In zijn hand houdt hij een heerlijk dampende kop koffie. Zodat ik het beter kan ruiken, doe ik een aantal stappen naar voren. Hij heeft er suiker en melk in gedaan. Het dringende verlangen naar koffie overmeestert mijn angst voor de mensen binnen. Met een ruk trek ik de deur van de winkel open. Vol goede moed en een tikkeltje haastig, stap ik in de deuropening. Een knal. Ik val naar achteren. Verdwaasd bekijk ik het gat van de deur. Ik zou zweren dat ik tegen een muur aan knalde, maar mijn zicht bedriegt me niet. Er is daar geen muur. Voorzichtig schuifel ik terug naar de deuropening. Mijn hand beweeg ik langzaam naar voren. Precies op de plek waar normaal een gesloten deur zou zitten, wordt mijn hand tegen gehouden. Nadat ik mijn andere hand naar de onzichtbare wand heb gebracht, duw ik uit alle macht. Geen centimeter kom ik verder. Uit wanhoop sla ik met mijn vuisten naar het gat van de deur. Een pijn verkrampt mijn hand, zodra ik de wand raak.

Paniek slaat toe. ‘Laat me erin!’ Mijn stem klinkt schor en bijna net zo uitgedroogd als ik me voel. Vanachter de kassa kijkt de jonge caissière me aan alsof ik compleet gek geworden ben. Ik zie een groep jongens me uitlachen. Een van hen roept: ‘Ben je een mimeshow aan het opvoeren of ben je gewoon psychisch gestoord?’ Nog harder dan eerst schateren de jongens. Ondertussen geven ze de spreker bemoedigende klopjes op zijn rug. Een laatste keer sla ik met mijn vuist op de onzichtbare muur, maar dit keer trek ik mijn hand niet van de pijn terug. Ik blijf ze strak aankijken. Een zacht gegrom komt uit mijn keel. Ineens worden alle jongens bleek. Een van hem fluistert dat het hem spijt. Net als ik me af vraag waar die plotselinge verandering van houding vandaan komt, zie ik mijn reflectie in het glas van een raam. Zelf voel ik me ook bang worden. Mijn hoektanden zijn lang en scherp geworden. Mijn ogen zijn zwart. Ik sla mijn hand voor mijn mond, waarna mijn gezicht weer normaal wordt.

‘Ze hebben echt de pik op ons, of niet? We kunnen niet eens meer normaal een kop koffie bestellen.’ Verschrikt draai ik me om. Naast me staat een lange jongen met ongetemde zwarte haren. Weer zie ik even het beeld van het zwarte boekje op de tafel. Omdat de jongen een antwoord verwacht, blijft hij me aanstaren. Ik open mijn mond en sluit hem weer. ‘Wat is er? Krijg ik geen sarcastische opmerking naar mijn hoofd geslingerd?’ Ondanks mijn ernstige blik, lacht hij om zijn eigen grap. ‘Waarom kan ik niet naar binnen?’ Zijn grijns vaagt weg. ‘Omdat ze bang zijn voor onze soort. Dat weet je toch wel?’ Ik schud mijn hoofd. Nu is zijn speelse blik helemaal getransformeerd tot serieuze angst. Uit zijn tas haalt hij een zwart boekje tevoorschijn. Het is het boekje dat ik me herinner. Mijn hoofd slaat op tilt. Met een opgetrokken wenkbrauw schudt hij het boekje heen en weer. ‘Weet je überhaupt nog wat deze agenda is?’

Dit artikel delen?
Pin It
Een link naar jouw website op Schrijverspunt
sprookjeswedstrijd

Wil je ons ook ontmoeten op de sociale media?

Teksten en afbeeldingen van deze website mogen alleen met schriftelijke toestemming gebruikt worden. © Schrijverspunt 2018