Meedoen voor leden is gratis!
Sprookjes schrijfwedstrijd
Meedoen is niet meer mogelijk!

Inzenden van een verhaal is mogelijk van 1 mei t/m 20-07-2018 (24.00 uur).

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

‘Maar waarom wil je dan niet naast vader liggen?’ vraag ik, en daarna: ‘mag ik de boter?’
‘Alsjeblieft,’ zegt ze. ‘Het is een lekkere boter. Roomboter. Ik dacht, wat maakt het uit, ik word toch niet meer dik.’
Ik kijk naar haar bolle buik. Overal is ze bottig, een zakje takken, maar haar buik is rond. Die blijft maar groeien, totdat haar buik het enige is wat er nog leeft.
‘Lekker,’ zeg ik. Ik kuch. ‘Wil je dan gecremeerd worden?’
‘Nee,’ zegt ze. Ze legt haar handen in haar schoot. De gleuven bij haar mondhoeken verlengen zich, wijzen nog verder naar beneden. Met haar laatste kracht houdt ze haar kin omhoog. Bibberend.
‘Ik wil je iets laten zien,’ zegt ze.
‘Oké.’
Ze staat op, wankelt even. Ze schudt haar hoofd, alsof ze zo de duizeligheid kwijt zou raken. Haar leren tas staat op een tafeltje naast de deur, naast de zwarte agenda die ze altijd gesloten laat. Alles heeft ze op heuphoogte neergelegd, zodat ze nooit meer hoeft te bukken. Terwijl ze naar de tas schuifelt zie ik dat ze haar riem niet goed heeft omgedaan, dat hij niet door alle bandjes van haar broek is gestoken. Het valt niet erg op, alleen als je goed kijkt zie je dat ze er eentje heeft overgeslagen, maar toch. Een kledingfoutje staat vreemd bij mijn moeder, dat zou ze nooit laten gebeuren.
Maar dat ik er nu iets van zou zeggen, dat laat ze vooral niet gebeuren.
Ze gaat zitten, laat de tas even in haar schoot rusten terwijl ze op adem komt. Haar ingevallen borst beweegt op en neer. Ik was altijd jaloers op de borsten die daar zaten voordat ze langzaam ineenschrompelden. Het was oneerlijk dat ik die niet geërfd had. Nu kan je de ribben erachter zien.
Ze haalt een Libelle uit haar tas. Na even bladeren heeft ze gevonden wat ze zocht. ‘Het is een artikel over vrouwen die het anders hebben aangepakt,’ zegt ze. ‘De eerste leeft al jaren in een bungalow, een ander in een tent. En nog eentje slaapt gewoon bij vrienden op de bank. Ze hebben allemaal zelf voor een leven gekozen.’
‘Goh.'
‘En wat zo’n vrouw dan zegt…’ haar vermoeide ogen scannen de regels. ‘Ja, hier. Diegene die in een tent woont… Kijk, een fotootje.’ Ze draait het blad om en laat een foto zien van een vrouw met dreadlocks, even oud als ik, die blij in de camera kijkt.
'Zie je haar stralen? Geen van hen heeft kinderen en allemaal zijn ze tevreden.’ Ze leest voor: ‘“Door mijn leven een creatieve wending te geven heb ik geleerd dat materie niet gelukkig maakt, en de geur van gras wel.” Kom je nu mee, dacht ik.’
Ik moet het vragen. ‘Ben je gelukkig geweest?’
‘Ach,’ zegt ze. ‘Ik was er om jullie te baren. Heb je genoeg gehad, of wil je nog een broodje?’
‘Nee, ik zit vol. Dank je wel,’ zeg ik. Ik kijk haar aan – althans, ik probeer haar aan te kijken, staar al minuten naar haar, maar ze blijft naar haar bord of naar buiten kijken. Dan vraag ik: ‘Heb je ergens spijt van?’
‘Wat bedoel je?’
‘Gewoon, wilde je het allemaal zo?’
‘Je doet wat je op dat moment het beste lijkt. Spijt heeft geen zin. Kom je mee naar het aanrecht?’
Ze probeert op te staan, maar wankelt. Ik loop naar haar toe en bied mijn arm aan.
‘Ik kan het zelf,’ briest ze en met geperste lippen komt ze overeind. ‘Ik heb mezelf aangeleerd breed te lopen, zodat ik niet val. En de verpleegster komt elke ochtend even controleren, dus jullie hoeven me hier niet op de grond te vinden terwijl ik af lig te koelen.’
Ze geeft me een bord aan, ik was het af en ik weet dat die verpleegster een collega moet zijn. Straks word ik nog ingeroosterd op dit adres. Iedere dag maak ik ze schoon, de stervende mensen, help ik met boodschappenlijstjes en veeg ik billen af. Dat laten ze allemaal gebeuren. Fijn vinden ze het zelfs. En nog fijner dat ze me kunnen vertellen hoe ze dat nou vinden, doodgaan.
Even zie ik voor me hoe ik een wisseltruc doe met haar verpleegster, dat ik me vermom en bij mijn moeder langskom om haar te verzorgen. Dan móet ze mijn hulp wel aannemen. Maar dan geeft ze me nog een bord aan, met die dwingende ogen, en ik weet dat ze alles door zou hebben.
Op werk had ik verteld dat ze ziek is. Ze reageerden geschokt, sommigen kenden haar. Gelukkig was ze al oud, zeiden ze. Ik wilde iets positiefs over haar zeggen, iets specifieks. Maar ik kon alleen bedenken dat ik mijn leven aan haar had te danken. Ik weet niet of ze al dan niet wilde baren, maar doordat ik ze me liet groeien in die buik wandel ik toch maar rond op deze wereld.
En nu groeit er in die buik een gezwel dat groter is dan een foetus.
'Zou je de kopjes niet in het bovenste kastje kunnen doen?’ vraagt ze. ‘Daar kan ik niet meer bij.’
‘Is goed. Mam, waarom wil je niet naast vader liggen?’
‘Omdat ik niet naast papa wil liggen. Ik heb al een andere ligplaats gevonden. Alles is geregeld, hij is al betaald. Nee, ook niet in die kast, daar moeten de borden. Laat ze maar op het aanrecht staan.’
‘Oké,’ zeg ik. ‘Mama, ben je bang?’
‘Nee, ik ben niet bang. Zo, het laatste bordje. Wil je nog koffie, voordat je weer gaat?’
‘Ja, lekker,’ zeg ik. ‘Waarom ben je niet bang?’
‘Er is niets. Waarom zou ik bang zijn voor niets? Het bestek kan in deze la.’

Ik heb mijn jas al aan als ze zegt: ‘Ik wandel nog wel even met je mee naar de auto.’
‘Weet je het zeker? Het is best een eind lopen.’
‘Natuurlijk,’ zegt ze. ‘Als ik niet te moe ben haal ik zelf boodschappen, dat is ook even lopen en dat lukt nog best. Ik vind het zonde als die verpleegsters dat moeten doen. Boodschappen haal ik zelf, zo lang als het gaat.’
‘Vooruit. Maar zodra je te moe wordt, loop je weer terug. Oké?’
Ze doet haar jas aan en kijkt naar beneden, naar haar rode sloffen. Die heeft ze al jaren, cadeau gekregen van mijn zoon, ik weet nog dat hij blij was iets aan haar te mogen geven.
Ze pakt haar sjaal. Doet die om.
Ze kijkt weer omlaag, stapt voorzichtig uit de sloffen. Op haar sokken gaat ze naar het schoenenrek en ik zie dat ze inderdaad breder is gaan lopen.
Bij het schoenenrek blijft ze weer staan. Even lijkt het erop dat ze me wat wil vragen, maar dan probeert ze haar tenen in een schoen te wringen. Ze beweegt steeds langzamer, lijkt te bevriezen.
Haar buik. Eindelijk begrijp ik het. Het kankergezwel zit in de weg.
Ik wacht geduldig, knoop mijn jas langzaam dicht. Ik hoor de wandklok in de woonkamer tikken. Mijn broer erft hem, als ik me niet vergis. Hij is gek op dat ding, toen hij klein was vroeg hij altijd of hij hem opnieuw mocht opwinden.
Ik rek nog wat meer tijd door een schilderij in de gang te bestuderen. Ik doe er mijn leesbril voor op, bestudeer de penseelstreken.
Dan gebeurt het, eindelijk. Ze zegt: ‘Ik kan niet zo goed meer bukken. Wil je me even helpen?’

Dit artikel delen?
Pin It
Een link naar jouw website op Schrijverspunt
sprookjeswedstrijd

Wil je ons ook ontmoeten op de sociale media?

Teksten en afbeeldingen van deze website mogen alleen met schriftelijke toestemming gebruikt worden. © Schrijverspunt 2018