Meedoen voor leden is gratis!
Schrijfwedstrijd De Zwarte Agenda
meedoen

Inzenden van een verhaal is mogelijk van 1 mei t/m 20 juli 2018 (24.00 uur).

Gebruikerswaardering: 4 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter inactief
 

Aan hun gezichtsuitdrukkingen te zien, is ze niet de persoon die zij verwacht hadden. In deze rol is ze dat zelden.
              Hannah gaat hen voor, de lange smalle gang in. Bij de ingang van haar kamer keert ze zich met een glimlach naar hen toe. Met een uitnodigend gebaar blijft ze voor de opengeslagen deur staan. Het echtpaar stapt langs haar naar binnen, de vrouw nerveus en nieuwsgierig, de man nors en verder niets.
              ‘Ga zitten,’ instrueert ze. Ze sluit de deur. ‘Willen jullie misschien iets te drinken?’
              De man neemt plaats, kruist zijn armen voor zijn borst en schudt zijn hoofd. De vrouw wil graag een kopje thee.

Hannah plaatst een kartonnen bekertje met dampend heet water op het tafeltje en schuift het bakje met theezakjes ernaast. Ze pakt het notitieblok van de stoelzitting en neemt haar plaats in. De vrouw zit keurig rechtop, haar handtas stevig in beide handen geklemd. De man geeft een uitstekende imitatie van een blok graniet weg.
              Hij had niet doorgegeven dat zijn vrouw mee zou komen. Niet dat het meebrengen van een partner ongebruikelijk of ongewenst is. In dit geval vermoedt Hannah dat ze zonder de vrouw, ook de man niet in haar spreekkamer zou hebben zitten. De hem vooraf toegestuurde vragenlijst leek te zijn ingevuld door een vrouw, het handschrift sierlijk en bol. De antwoorden gaven haar een beknopte levensschets: getrouwd, met pensioen, twee volwassen kinderen die beide het huis uit zijn. Meneer heeft 5 maanden geleden een hartaanval gehad. Sindsdien is hij gedotterd en slikt de voor hartpatiënten gebruikelijke pillencocktail van plastabletten, bloedverdunners en bloeddrukverlagers. De psychologische vragenlijst was oningevuld teruggekomen.

Hannah slaat haar notitieblok open en noteert zijn naam en de datum bovenaan de gelinieerde pagina. Wanneer ze opkijkt ziet ze dat de vrouw haar tasje tegen een stoelpoot gezet heeft en in haar thee blaast. De damp slaat tegen haar bril aan en verbergt voor een moment haar ogen.
              ‘Voordat we beginnen,’start ze het gesprek, ‘zou ik graag willen weten of jullie het prettig vinden om elkaar met “u” of met “je” aan te spreken.’
              De ogen van de man verwijden zich, de frons tussen zijn borstelige zwarte wenkbrauwen wordt dieper. Ze ziet hem denken: zo’n jong blond grietje als jij zou niet de vraag horen stellen of ze mij mag tutoyeren. Voordat hij zijn mond kan openen, klinkt de stem van zijn vrouw: ‘Zeg maar “je” hoor!’
              Hannah kijkt de man vragend aan. Hij ontwijkt haar blik en houdt zijn lippen op elkaar geperst.
              Dan zal hij het met deze beslissing moeten doen. In haar spreekkamer is het enkel tweerichtingsverkeer.
              ‘Goed, dan kunnen we beginnen. Voordat ik vraag waarom jullie hier zijn, wil ik jullie eerst laten weten dat dit slechts een kennismakingsgesprek is. Het belangrijkste doel hiervan is om te achterhalen of er een behandeling nodig is, en zo ja, of ik daar dan de meest geschikte persoon voor ben om deze uit te voeren.’
              De man en de vrouw wisselen een blik.
              ‘Je wordt dus niet zijn therapeut?’ vraagt de vrouw voorzichtig.
              ‘Dat hangt ervan af. Het is vooral van belang dat er een klik is tussen cliënt en therapeut. Het idee te hebben op dezelfde golflengte te zitten. Bij psychotherapie staat communicatie nu eenmaal centraal, en als deze niet lekker loopt, is de kans klein dat het een succes wordt.’
              De man verschuift wat. In zijn ijzige blik lijkt een minuscuul barstje te zijn gekomen. Of misschien is dit enkel wat ze hoopt te zien.
              ‘Maar voor vandaag zijn we aan elkaar toegewezen,’gaat ze verder, ‘en ik zou de tijd die we hebben graag nuttig willen besteden.’
              Ze wendt zich tot de man: ‘Wat heeft je doen besluiten om vandaag hier naartoe te komen?’
              ‘Zij,’ zegt hij, met een priemende, bijna beschuldigende vinger in de richting van zijn vrouw. ‘En ik heb toch liever dat we “u” gebruiken’.
              ‘Prima,’zegt ze, ‘dan doen we dat’.
              Er valt een stilte. Ze kijkt hem afwachtend aan.
              ‘Niet alleen ik,’ verklaart de vrouw zich nader. ‘De huisarts vond ook dat het verstandig was om eens met iemand te gaan praten.’
              De man houdt zijn kaken nog steeds stijf op elkaar. Door zijn stoppelige huid heen ziet ze hoe zijn kaakspieren zich aanspannen, alsof hij zich schrap zet. Hannah zou hem een opening kunnen geven. Ze zou kunnen zeggen: ‘Oh ja, is dat zo?’. Ze doet het niet. Hij zal zelf over de brug moeten komen.
              Als de stilte hem te ongemakkelijk wordt, heft hij zijn ogen ten hemel en laat een geërgerde zucht horen.
              ‘Mijn vrouw zegt dat ik niet meer mezelf ben sinds de hartaanval.’
              Brug. Overkant. Uitstekend.
              ‘En u,’ vraagt Hannah, ‘vindt u dat ook?’
              ‘Niet echt,’beweert hij. ‘Ik heb alleen minder zin om van alles te ondernemen.’
Zijn vrouw schiet overeind. ‘Van alles te ondernemen?’ echoot ze. ‘Je onderneemt helemaal niets meer! Je zit alleen nog maar voor de tv!’
              ‘Nou, mág het!’vaart hij uit. ‘Ik ben met pensioen! Mag ik nu ook eindelijk eens wat rust hebben?’
              ‘Heeft u dat dan?’ vraagt Hannah. ‘Rust?’
Hij werpt haar een verwarde blik toe.
              ‘Wat, met haar in de buurt zeker?’ mompelt hij met een zijdelingse duimbeweging richting zijn vrouw. Een bijzonder zwak weerwoord dat desondanks sterk genoeg blijkt om zijn vrouw de kast op te jagen.
              ‘Tuurlijk,’ snauwt ze, ‘geef mij maar de schuld! Je bent gewoon bang om in beweging te komen! Bang om weer een hartaanval te krijgen!’
              ‘Alsof jij dat niet zou zijn,’bijt hij haar toe terwijl hij zijn hand beschermend op zijn borst legt, ‘met een tikkende tijdbom in je borstkas!’
              Even vreest Hannah dat hij op zal staan en de kamer uit zal benen. In plaats daarvan zijgt hij ineen, een uitgeputte blik in zijn donkere ogen. Zijn vrouw ziet eruit alsof ze elk moment in huilen uit kan barsten.
              ‘Een tikkende tijdbom in uw borstkas,’overpeinst Hannah, ‘lijkt mij geen rustgevend idee.’
De man houdt zijn ogen strak op de vloer gericht. De vrouw bijt op haar onderlip.
              ‘Weet u,’begint Hannah. Ze leunt wat naar voren in een jammerlijke poging om zijn blik te vangen. ‘Het is vreselijk onnatuurlijk om een hartaanval te krijgen en deze te overleven. Inmiddels hebben we de kennis en middelen om dat te bewerkstelligen, en dat is prachtig. Maar het zorgt er wel voor dat u moet leren leven met de traumatische herinnering aan een falend hart. Dat tegenwoordig zoveel mensen iets soortgelijks moeten doormaken, maakt de ervaring er niet minder ingrijpend om.’
              De man staart haar met holle ogen aan. De vrouw kijkt naar haar man.
              ‘Heeft u deelgenomen aan een programma voor hartrevalidatie?’
De man schudt zijn hoofd. ‘Daar had ik geen behoefte aan,’ zegt hij effen.
              ‘En nu?’
De man wrijft met zijn wijsvinger langs zijn zwarte snor. ‘Misschien. Maar ik denk niet dat ik daar na zo’n lange tijd nog terecht kan.’
              ‘Het valt te proberen. En anders ken ik nog een fysiotherapeutisch centrum waar ze veel ervaring hebben met trainingsprogramma’s voor mensen met hart- en vaatziekten. Die weten precies hoe ze uw kracht en conditie rustig op kunnen bouwen. Daarnaast kan elke fysiotherapeut eerste hulp verlenen en hebben ze een AED beschikbaar, mocht dat nodig zijn.’
              Zijn ogen verwijden zich, flitsen heen en weer over de vloer.
              ‘Weet u wat,’oppert ze haastig, ‘denkt u er gewoon een weekje over na. We kunnen prima nog een tweede intakegesprek inplannen.’
              De man knikt gelaten. Blijkbaar lijkt een afspraak met haar op dit moment nog de minst gevaarlijke optie.
              Hannah pakt haar zwarte agenda van het bureau, trekt het elastiek dat de papieren weken bij elkaar houdt los en slaat het open op de plek waar het lint tussen de pagina’s hangt.
              ‘Volgende week dinsdag, zelfde tijdstip?’
              Ze kijkt hem afwachtend aan. 
              ‘Goed,’mompelt hij schoorvoetend.
Ze noteert zijn naam in het juiste tijdvak.
              ‘Mooi,’antwoordt Hannah, ‘dan komen we daar volgende week wel op terug.’
Ze schrijft de zojuist geplande afspraak over op een kaartje en overhandigt deze aan de man. Zonder ernaar te kijken geeft hij het door aan zijn vrouw, die het in haar handtas stopt.
               Hannah legt de agenda terug en neemt haar notitieblok ter hand. De armen van de man zijn weer gekruist, zijn blik vorsend naar de vloer gericht, zijn benen wat uit elkaar, het rechterbeen balancerend op de bal van zijn voet waardoor hij zijn knie heen en weer kan bewegen. Tijd voor poging nummer twee.
              ‘Kunt u mij vertellen hoe een gemiddelde dag er voor u ongeveer uitziet?’

Dit artikel delen?
Pin It
Ook gek op korte verhalen?
schrijfwedstrijd agenda

Wil je ons ook ontmoeten op de sociale media?

Teksten en afbeeldingen van deze website mogen alleen met schriftelijke toestemming gebruikt worden. © Schrijverspunt 2018