Loading...
Meedoen is gratis!
Schrijfwedstrijd Magie en Tovenaars

Inzenden van een verhaal is mogelijk van 25-2-2019 t/m 25-4-2019 (24.00 uur).

KLIK HIER
om een verhaal
in te sturen.
Uitgeverij Keytree organiseert in samenwerking met Schrijverspunt een schrijfwedstrijd. Als genre voor de schrijfwedstrijd gaan we uit van Fantasy, een genre dat zich kenmerkt door het gebruik van fictieve verhalen, verzonnen wezens en imaginaire werelden.

Als thema voor deze wedstrijd is gekozen voor: Magie en tovenaars.

De voorwaarden voor deelname zijn:

  • Deelname is mogelijk van 25-2-2019 t/m 25-4-2019 (24.00 uur) en alleen voor leden van Schrijverspunt (registratie is gratis!).
  • Verhalen dienen online geplaatst te worden op de website van Schrijverspunt. Je moet hiervoor eerst inloggen.
  • De maximale lengte is 1500 woorden.
  • Je inzending mag nog niet eerder zijn gepubliceerd, zowel op internet of in gedrukte / elektronische media.
  • Het gebruiken van een pseudoniem is toegestaan.
  • Je mag slechts eenmaal deelnemen.
  • Door deelname aan de wedstrijd verleen je Schrijverspunt toestemming om je ingezonden verhaal op de website en in de nog uit te geven bundel te publiceren.
  • Je verhaal is geschreven in de Nederlandse taal.

Wat kun je winnen?

Bij voldoende kwalitatieve inzendingen zal uitgeverij Keytree een bundel uitgeven van de beste verhalen. De redactie van Uitgeverij Keytree en Schrijverspunt bepalen welke verhalen in de bundel worden opgenomen en kiezen de winnaar. Stemmen, likes e.d.zijn welkom maar spelen geen rol in de beoordeling.

Schrijverspunt stelt een boekenpakket samen voor de winnaar. Daarnaast ontvangt de winnaar een gratis exemplaar van de uit te geven bundel.

Schrijfwedstrijd Magie en Tovenaars

Windruiter

‘Rennen,’ zei Alwin en hij trok Yuki achter zich aan mee. ‘Ze mogen ons niet te pakken krijgen.’
Het meisje rende zo hard ze kon, maar kon Alwin met zijn grote passen niet bijhouden. Ze struikelde en belandde op de grond. ‘Niet zo snel, Alwin,’ zei ze terwijl Alwin haar overeind trok.
‘Geen tijd,’ zei hij, ‘we moeten door.’ Hij keek met een jachtige blik om zich heen en voelde de paniek in zijn lijf. Ze konden niet terug. Daar waren soldaten. Dan maar door. Ze renden zo snel Yuki het kon bijhouden door het grottenstelsel van de Koepel. Ze hadden geen idee waar ze naar toe gingen. Hoe kon dat ook, Alwin en Yuki waren hier nog nooit eerder geweest en kenden de weg niet. In het halfduister van de Koepel zag Alwin in een flits een afslag voorbijkomen naar een andere gang. Geen tijd, schoot het door zijn hoofd. Blijf rennen!
Ze sloegen een hoek om. Daar stonden een vijftal soldaten hen op te wachten. Alwin stopte zo abrupt dat Yuki tegen hem op botste. ‘Staan blijven,’ klonk het.
Alwin bedacht zich geen moment en draaide zich om. Hardhandig sleepte hij Yuki achter zich aan. Yuki wist niet wat haar overkwam. ‘Auw, je doet me zeer,’ riep ze.
‘Geen tijd,’ zei hij opnieuw. ‘Rennen.’
En ze begonnen weer te rennen, terug de gang in waar ze vandaan kwamen. Toen ze op het punt kwamen waar Alwin de eerdere afslag had gezien, sloeg hij af. Hij hoopte maar dat ze een goede keuze hadden gemaakt en dat ze zo uit deze nachtmerrie bevrijd zouden worden. Die hoop was echter tevergeefs. De gang waarin ze zich bevonden liep namelijk dood, zo ontdekten ze na enkele tientallen meters de gang in te zijn gerend. Er doemde een blinde muur voor hen op. Ze minderden vaart en stopten hun wanhopige vlucht. Vertwijfeld staarde Alwin naar het einde van de gang. Yuki keek naar hem en zei: ‘Alwin, wat nu?’
Alwins gedachten raceten door zijn hoofd. Terug konden ze niet, daar werden ze aan beide kanten ingesloten door soldaten. Vooruit ging ook niet. Daar was overduidelijk niets. Maar waarom zou deze gang dan gegraven zijn? Er moest hier toch iets zijn? In zijn wanhoop riep hij: ‘misschien is er een uitgang. Geheim of verborgen. Help mee zoeken.’
Alwin liep op de blinde muur af en strekte zich uit. Hij probeerde met zijn gave te voelen of er ergens een luchtstroom liep die verraadde waar een eventuele uitgang zich zou kunnen bevinden. Yuki voelde ondertussen met haar handen of ze iets van een handel of handvat van een deur of doorgang kon vinden.
Op dat moment klonk er achter hen een stem: ‘het is over, prooi.’
Alwin draaide zich om en stelde zich voor Yuki op. Hij zag verderop in de gang zeker vijftien, misschien wel twintig soldaten staan, allen met hun wapens getrokken. Hij zag zwaarden, speren en zelfs een kruisboog op hen gericht.
‘Blijf achter me, Yuki,’ zei Alwin.
Tussen de soldaten vandaan stapte een man naar voren. Hij droeg een glimmend borstpantser met daaronder een leren wapenrusting. Op zijn borst prijkte het wapen van een jagende adelaar boven een groen landschap. Hij droeg een lederen riem om zijn middel die bezet was met edelstenen. Aan de riem hing de rijkversierde schede van een zwaard. Het materiaal aan de buitenkant van de schede was kunstig versierd en details op de schede waren met edelmetalen bezet. Dit was een belangrijk persoon en dat straalde hij ook in zijn voorkomen uit. Hij had een air van autoriteit om zich heen en er ging dreiging van hem uit.
‘Het is over,’ zei de man opnieuw. ‘Hier eindigt je vlucht.’
Alwin schatte zijn mogelijkheden in. De paniek was weg. Hij voelde zich rustig en scherp.
‘Als jij je overgeeft, zullen wij het meisje niets doen. Beloofd.’ De man deed een stap naar voren en Alwin en Yuki deinsden onwillekeurig achteruit. Ze konden echter niet verder en voelden de wand van de doodlopende gang tegen zich aandrukken. Ze stonden letterlijk met de rug tegen de muur.

Alwin besloot dat hij iets moest doen. Hij schatte in dat hij al deze soldaten niet in zijn eentje aankon, maar misschien kon hij wel genoeg tijd winnen om toch te ontsnappen uit deze val. Als hij voldoende verwarring kon stichten en genoeg chaos kon veroorzaken, was er wellicht een kans. Hij deed het enige dat hij kon bedenken en strekte zich uit om de lucht om hem heen te verzamelen. Hij maakte er een grote bal van, die hij licht samendrukte. Ondertussen verzamelde hij al zijn kracht en richtte de bal naar voren in de richting van de soldaten. Zo meteen zou hij met alles wat in hem was de bal in hun richting sturen. Als hij het hard genoeg kon doen, zouden soldaten tegen de grond gesmeten worden en over elkaar heen vallen. Misschien vlogen hun wapens wel uit hun hand. Dan was het rennen en hopen dat ze erlangs kwamen.
Hij ademde in en werd nog kalmer. Nu moest het gebeuren. Net toen hij echter zijn kracht los wilde laten, opende zich de muur achter Yuki en Alwin. Voordat Alwin doorhad wat er gebeurde, vielen hij en Yuki naar achter. Alwin schrok zo dat hij zijn focus verloor en de lucht van zich vandaan voelde schieten. Er klonk een luide klap, gevolgd door het geluid van een harde windvlaag. Hij hoorde mannen schreeuwen, terwijl hij achterover tuimelde. Zeker een meter lager, landde hij op zijn billen. Yuki lag naast hem. Boven hen beide had de muur zich weer gesloten.
Yuki krabbelde overeind en Alwin deed hetzelfde. ‘Ben je ongedeerd?’
Yuki knikte. ‘Het gaat wel.’  
Alwin keek naar de muur waar ze net door waren gekomen. Het leek weer een doodnormale muur. Hij luisterde, maar hij hoorde niets meer. Kennelijk waren ze voor nu veilig.

Hij haalde zijn hand door zijn haar en keek in wat voor ruimte ze beland waren. Het was een grote ovalen kamer, een holle uitsparing in de rotsen rondom hen. De ruimte was gevuld met dingen die hij nog nooit eerder gezien had. Tafels met glazen platen erop, stoelen van materiaal dat hij niet herkende en overal spinnenwebben, zand en stof. Hier waren in eeuwen geen mensen geweest. Misschien wel langer nog.
‘Waar zijn we?’ Vroeg Yuki. ‘Ik heb zoiets als dit nog nooit eerder gezien.’
‘Ik ook niet,’ zei Alwin.
‘Moet je dit zien,’ zei Yuki terwijl ze naar de verste muur van de ruimte liep. ‘Ieuw, goor.’
Alwin liep naar Yuki die gefascineerd en met een opgetrokken neus stond te kijken naar wat ze gevonden had. Toen Alwin dichterbij kwam zag hij wat haar zo fascineerde. Op een bank uit de rotsen gehouwen zat, half onderuitgezakt, een vrouw. Of beter, dat wat ooit een vrouw was geweest. Ze droeg de restanten van een jurk, halfvergaan door de tijd. Haar huid was als leer. Ze had geen ogen meer en haar lippen hadden zich teruggetrokken. Maar verder was ze nog redelijk intact. Het droge woestijnklimaat had ervoor gezorgd dat ze niet vergaan was.
‘Dit noemen ze een mummie,’ zei Alwin.
Yuki bestudeerde de dode vrouw alsof ze een onderzoek aan het doen was. ‘Kijk,’ zei ze, ‘ze draagt een ketting.’
Alwin zag het: een ketting met een hanger eraan. Onwillekeurig strekte hij zijn hand uit en raakte de hanger aan.
‘Wat doe je nou?’ Riep Yuki, maar hij hoorde haar niet. Zo gauw hij de ketting en de hanger aanraakte was het alsof zijn hart pijn begon te doen en iemand hem riep. Geschrokken trok hij vlug zijn hand terug.
‘Wat is er?’ Vroeg zijn kleine vriendin.
‘Die hanger leeft,’ zei Alwin.
‘Hè?’
Op dat moment lichtte de hanger twee keer op.
‘Dat is raar,’ zei Yuki.
Alwin voelde opnieuw de onbedwingbare behoefte om de hanger aan te raken. Nogmaals strekte hij zijn hand uit. Dit keer pakte hij de hanger van de dode borst van de vrouw en negeerde hij de sensaties die de hanger afgaf. Voorzichtig nam hij vervolgens de ketting met zijn andere hand van de nek van de vrouw. Toen hij met de ketting in de hand naar de hanger keek, zag hij dat deze een sluiting had. Hij deed de hanger open en zag de afbeeldingen van twee personen: een man en een vrouw. Op dat moment hoorde hij in zijn hoofd zo helder als maar mogelijk was, een stem: ‘kom en vind mij.’ Direct daarna voelde hij de trek van iets heel ver weg. Hij keek in de richting van waar het vandaan kwam. Er overspoelde hem een gevoel van gemis en heimwee.
‘Gaat het?’ Yuki keek met een bezorgde blik naar hem. ‘Je huilt.’
Verbaasd besefte Alwin dat er inderdaad tranen over zijn wangen rolden. Terwijl hij wees in de richting van waar hij naar toegetrokken werd, zei hij: ‘ik geloof dat we daarheen moeten. Dat zegt de hanger.’
Dit artikel delen?
Pin It
  • Hits: 46
Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

ZOEKEN?