Voor schrijvers, door schrijvers
T.g.v. een mogelijke poging om malware toe te voegen aan de website op 30 november is de website helaas enige tijd niet bereikbaar geweest. Op dit moment is het probleem opgelost en zijn de website en alle inzendingen weer nagenoeg volledig beschikbaar. Mogelijk zijn inzendingen voor schrijfactiviteiten en aanmeldingen als lid, door onze automatische beveiliging, tijdens een korte periode niet volledig afgehandeld. We verzoeken je deze opnieuw te verzenden, resp. je opnieuw aan te melden. Onze excuses voor het ongemak.

Proefstuk

Hotel Edelweiss ****
Inzendingen: 4
Je schrijft veel en graag en bent meestal tevreden over je schrijfresultaten. Je deed al mee aan schrijfactiviteiten en schrijfwedstrijden maar je kunt nu ook een verhaal of gedicht laten zien waar je echt trots op bent of... waar je juist nog over twijfelt maar wat je wel graag aan anderen wilt laten zien.
Dat is nu mogelijk in deze rubriek. Leden van Schrijverspunt kunnen in deze rubriek een schrijfresultaat tonen wat gezien kan worden als een proefstuk van eigen kunnen. Er zijn geen voorwaarden voor genre, aantal woorden, etc. Het is jouw proefstuk wat jij graag aan anderen wilt laten lezen.
Van lezers verwachten we respect voor de publicatie. Beloon de schrijver voor zijn/haar durf en inzet met serieuze feedback. Feedback is een reactie geven (geen advies) op dat wat je gelezen hebt. Het is aan de schrijver om die reactie te vertalen naar een actie.

Hotel Edelweiss ****

Tags: Proefstuk
Leestijd: 15 min.
 
 woensdag 18 januari
 
 
Zijn ogen wennen stilaan aan de flauwe, groenige schijn. Vormen beginnen zich af te tekenen in het duister. Alles is anders. Schots en scheef. Hij ligt op een hellend vlak, ongemakkelijk, geklemd tussen over en door elkaar geschoven meubilair. Wanneer hij zich wil bewegen schiet de pijn als een bundel naalden in alle richtingen doorheen het zachte, verdovende deken van zijn sufheid. Planken liggen over zijn benen, een stoel, een lampenkap. In zijn rug drukt de zijkant van de schrijftafel. Een wonde schroeit boven zijn linker slaap. Een snee. Kleverig.
Hij moet het bewustzijn verloren hebben. Hij probeert zich te oriënteren. Geen bedden meer op de plaats waar ze horen te staan. Ergens in de puinhoop onder hem moeten ze beland zijn. Waar is het raam? Daar kan hij zich op richten. Vandaar moet hij de kerstverlichting buiten kunnen zien. Er zit een gitzwarte rechthoek op die plaats.
Waar is broer? Waar is Vic nu? Nog steeds in de biljartzaal? In de bar? Het zal er vast beter zijn dan hier. Hoe laat zou het zijn? Is het al nacht? Zijn smartphone! Door de klap moet hij hem kwijt zijn geraakt.
Eigenaardig dat er helemaal niets te horen is. Deze namiddag, toen hij zijn boek kwam halen omdat hij genoeg had van het biljarten, was er dat gerommel, als van een onweer dat dichterbij kwam. In enkele seconden tijd zwol het aan tot een hels gedruis en barstte het uit met een oorverdovende knal. Een blikseminslag leek het. De kamer wipte met kracht omhoog. Hij kreeg klappen tegen zijn rug en zijn hoofd en kwakte ergens tegenaan. Door de schok moet hij een tijd buiten westen zijn geweest.
En nu die absolute stilte. Niet het minste geluid. Geen spoor van drukte op de gang, of van enige beweging in de kamers ernaast. Alleen het stille geruis van zijn ademhaling, en het geritsel van zijn kleren wanneer hij wat gaat verzitten. Waar is iedereen? Hij moet hieruit geraken. Zijn broer zoeken.
De noodverlichting in het gangetje naar de deur wijst plichtsgetrouw de uitgang aan. De weg naar de redding. Hij moet erbij geraken.
Hij duwt de rommel weg die op en tegen hem aan drukt, wringt zich los uit de warboel. Vingers, armen, benen, alles doet pijn maar werkt gelukkig.
Rechtstaan lukt niet. Daarvoor helt de vloer te erg. Minstens dertig graden, zwarte piste, schatten zijn hersenen. Planken, bedden, tafel, stoelen, spiegel, boeken, koffers, alles is naar het laagste punt geschoven, tegen de buitenmuur. Voorzichtig klautert hij over de janboel naar de deur toe. Zijn voeten zoeken steun op de brokstukken. Hij hijst zich op de schuin liggende badkamerwand om in het gangetje te komen. Links van hem hangen de deuren van de wandkast open. Een ervan hangt nog slechts aan één scharnier. Hij kruipt over schoenen, een lege koffer, een donsdeken, legplanken en kleerhangers. Rechts van hem gaapt de diepte van de badkamer. De deur ervan hangt open, naar binnen toe. Beneden glinstert er glas. Hij schuift een legplank over het gat en kruipt erover tot bij de deur. Hij richt zich op. Het geplastificeerde evacuatieplan dat op de deur kleeft, toont met een rode lijn welke kant hij uit moet: links de gang door. Dan de trap naar de begane grond.
Hij draait het slot open. Legt zijn hand om de ijskoude klink. Er sijpelt water tussen de spleten. De deur klemt. Hij rukte er met beide handen aan. Een plens water gulpt naar binnen. Als een wit spook weerkaatst de sneeuwmassa het licht. Er valt een brok naar binnen. Hij schreeuwt. Tot boven toe is de opening dichtgemetseld met sneeuw. Snel gooit hij zijn volle gewicht tegen de deur, beukt er een paar keer met de schouder tegen tot de deur weer in het slot klikt. Hij voelt het bloed uit zijn gezicht wegtrekken. Dit is een ramp! Het gebouw gekanteld, de gang vol sneeuw. Er moeten muren zijn weggeslagen door de lawine. Of het dak heeft het begeven.
Door zo'n massa is er geen doorkomen aan. Hij zit opgesloten. Hij moet het hoofd koel houden. Paniekeren lost niets op. Diep ademhalen. Vic zal hem wel komen zoeken. Hij zal de hulpdiensten verwittigen. Wellicht zijn ze al onderweg. Hij moet geduld hebben. Het kan nog even duren. De sneeuwruimer zal eerst de weg moeten vrijmaken.
 
Zaterdag, in de vroege ochtend, is de zware sneeuwval begonnen. Voor hun vertrek hadden ze zich nog afgevraagd of er wel voldoende sneeuw zou liggen voor hun jaarlijkse skivakantietje. Achter de sneeuwschuiver aan zijn ze naar boven moeten rijden, hij en Vic, in het bestelwagentje van diens werkgever. Plaats zat voor bagage, sneeuwschoenen, ski's en skilaarzen. Ze konden ze gewoon op de vloer liggen tussen de rekken met pluggen, draden, schakelaars, schroeven, gereedschap, meters, lampjes die tegen de wanden bevestigd zijn. Ze zijn in een colonne van een vijftal voertuigen de berg op gereden naar hotel Edelweiss. De hoteldirectie had hen ge-sms't dat ze beneden moesten wachten op de sneeuwschuiver. De gigantische machine op rupsbanden reed als een shuttle heen en weer om telkens een groepje gasten op te halen en de sneeuw voor hen uit te ruimen zodat er een berijdbare strook vrijkwam. Door de dichte vlokken zag je nog nauwelijks het oranje zwaailicht van de sneeuwschuiver flitsen achteraan in de sliert. Vic moest zijn blik vastklampen aan de lichten van de voorligger en in zijn wielspoor rijden om zich niet in de diepe sneeuw bezijden vast te rijden.
Sindsdien is het niet opgehouden met sneeuwen, dag en nacht. De ski's zijn in die vier dagen niet eens uit de wagen geweest. Skiën is voorlopig toch niet mogelijk. Brute pech. Gelukkig heeft het vijfsterrenhotel een breed aanbod van ander vermaak om het ongemak van slecht weer te compenseren. Daarom heet het ook een luxehotel.
Het zal ongetwijfeld enkele uren duren, beseft hij, eer ze met een ploeg gespecialiseerde werklieden de weg hebben vrijgemaakt en met hun materieel hierboven geraken om iedereen uit deze benarde positie te bevrijden. Hij kan maar beter wat slapen. Eens ze aan het werk zijn zal de herrie hem wel wekken.
Hij wringt de loshangende kastdeur los en legt hem zodanig dat er een min of meer horizontaal vlak ontstaat om op te slapen. Van tussen de rommel onder zich, vist hij de donsdeken op die uit de kast is gevallen.
Hoelang zou de batterij van zo'n noodverlichting het uithouden? Een uur? Drie uur? Een dag? Lang zal het wel niet zijn. Van zulke dingen weet zijn broer alles. Als hij het hem maar vragen kon. Tientallen moet Vic er al geïnstalleerd hebben. Hij legt een stoel dwars tussen bergkast en badkamer als een verhoog om bij de lamp te kunnen. Hij neemt de kap eraf en schroeft de lamp los. Hij moet zuinig zijn met de batterij voor als het er echt op aankomt.
Hij gaat liggen op de harde plank en trekt de donsdeken over zich. Dit is alles wat hij kan en moet doen: slapen en afwachten.
 
donderdag 19 januari
 
 
Hij wordt wakker. Nu zou het dus donderdag moeten zijn, al heeft hij geen vermoeden hoelang hij heeft geslapen. Zijn rug voelt beurs aan. Misschien heeft de pijn hem voortijdig gewekt en is het nog woensdag. Om structuur in het tijdsverloop te krijgen en om zijn hoop te voeden, gaat hij ervan uit dat het donderdag is.
Er heerst een duisternis die zo dicht is dat je hem in plakken kunt snijden. Met die absolute stilte erbij is het alsof hij in een rommelig graf ligt, meters onder de grond. De doden op het kerkhof zijn er beter aan toe, zij voelen tenminste nog leven. De trillingen van de bezoekers die rond de graven slenteren, bloemen verversen, prevelen of huilen en het bonken van de lijnbus die er zijn halte heeft, geven hen de zekerheid dat ze niet vergeten zijn.
Hij moet zijn krachten sparen. Zo weinig mogelijk bewegen. Geen energie verbruiken. Hij heeft niets te eten en het is berekoud. Ergens hoort hij het trage druppen van water, gedempt als wordt het opgevangen op een doek. Hij heeft dorst, beseft hij. Dorst!
Op de tast kruipt hij naar de stoel, klautert erop, schroeft de noodlamp weer vast. Als een schijnwerper verblindt het povere licht hem. Hij wacht enkele tellen tot zijn ogen weer wennen. Een schraal stroompje water sijpelt door de deurkieren en zoekt door alle hindernissen heen onverstoorbaar zijn weg naar het laagste punt, zoals het hoort volgens de zwaartekracht, en verdwijnt in de zwarte krocht van de badkamer.
Uit zijn broekzak diept hij zijn zakdoek op en houdt hem in het lekkende smeltwater. Wanneer hij doorweekt is, stopt hij hem in de mond en slurpt er gulzig het water uit. Water is het allerbelangrijkste heeft hij ooit gelezen. Belangrijker dan eten. Je kunt er weken op overleven. Dat herinnert hij zich uit acties van hongerstakers.
Hij maakt zijn verblijf weer donker en bouwt een zitje tegen de helling van de vloer met de dubbelgevouwen donsdeken als een kussen onder zijn zitvlak en rug. Het verwondert hem hoe bedreven hij in die korte tijd is geworden om als een blinde zijn weg te vinden en dingen te herkennen met zijn vingers.
De paniek en de angst die hem gisteren overmanden, heeft hij het zwijgen opgelegd. Het ging bijna vanzelf toen hij inzag dat ze niets te bieden hadden. Ze blokkeren het functioneren als mens. Lijk parasieten zuigen ze je zelfvertrouwen weg. Tot je gek wordt. Roepen? Schreien? Ze zouden al de energie verslinden die hij nu broodnodig heeft.
Er is niets dat hij nu kan ondernemen, tenzij wachten, hopen en nadenken. Had hij maar wat om handen om de tijd te doden. Konden zijn notarisklerkhandjes, zoals Vic ze noemt, maar iets zinnigs doen, schrijven bijvoorbeeld, om de uren te kunnen afvinken.
Hij houdt zijn geest actief met haikoe's en tanka's te bedenken. Die herhaalt hij tot hij ze uit het hoofd kent. Hij wil ze onthouden voor achteraf. Ter afwisseling rekent hij sommen uit. Eerst vermenigvuldigingen met eenvoudige, tweecijferige getallen. Dan geleidelijk aan moeilijkere. Daarna probeert hij met driecijferige getallen. En delingen.
Die berekeningen hoeft hij niet te onthouden.
 
vrijdag 20 januari
 
 
Hij heeft geslapen. Is het nu dan vrijdag?
Waarom duurt het zolang eer er hulp opdaagt? Zoiets begrijp je toch niet? De Italianen staan wel niet geboekstaafd als vlotte organisatoren en zijn berucht om hun administratieve rompslomp, maar dit is een noodgeval!
Morgen huiswaarts keren kunnen ze alvast vergeten. Elektro Express zal het maandag zonder de ploegbaas moeten stellen. Bij de notaris zal het wel loslopen met een klerkje minder. Hij moet zijn werkgever absoluut kunnen inlichten. Afwezig zijn zonder enig seintje vooraf? Hij zal wat te horen krijgen: waarvoor dient dan die smartphone die hij van het kantoor heeft gekregen? De tandarts moet hij ook verwittigen. Die afspraak was op dinsdag, dacht hij. Misschien haalt hij die ook niet. Maar dat is minder erg. Als de man erop staat, zal hij de consultatie wel betalen.
Elk jaar gunnen de broers zichzelf een weekje vakantie in de sneeuw. De hele dag rode en zwarte pistes af roetsjen en zich 's avonds, zalig vermoeid, van a tot z laten verwennen in een luxueus hotel. Nog nooit heeft het weer hen zo erg parten gespeeld als nu: nog niet één keer op de latten kunnen staan. Hun dagen hebben ze moeten slijten in de fitnessruimte, in het welnesscentrum, in de biljartzaal, de bar. Gelukkig was er niet veel volk, een twintigtal gasten, schatte hij, en zo’n negen à tien personeelsleden. Veel gasten uit de omliggende steden hadden hun verblijf immers op het laatste nippertje geannuleerd omdat er slecht weer was aangekondigd. Wie, zoals zij tweeën, enkele honderden kilometer had gereden, kon het zich niet veroorloven om dan maar terug te keren. Er waren toch nog altijd de vele charmes van hotel Edelweiss om zich te vermeien.
De spectaculairste attractie was het zwembad. Als je onder een reeks doorschijnende plastic flappen dook, kwam je boven in een uitloper die in open lucht een heel eind de tuin in liep, tussen kniehoog besneeuwde boorden. Terwijl je in het warme water rondploeterde en de vlokken op je hoofd vielen had je zicht op de flanken van de hoge bergen rondom. Heerlijk decadent, vond Vic, en rekende hem grofweg voor, in liters, graden Celsius, joules en kilowattuur, hoeveel dit grapje wel niet per dag zou kosten.
Maar nu zit hij in deze kerker opgesloten zonder verwarming. Zonder licht. Zonder eten. Zonder drinken. In de perfecte stilte nu ook het doffe druppen is opgehouden.
Hij moet drinken. Hij maakt het noodlicht weer aan. Het schijnt nog amper. Zijn adem vormt witte wolkjes. Het moet hierbinnen vriezen of net niet. Er lekt geen water meer uit de speling rondom de deur. Een gladde ijslaag glanst in het flauwe schijnsel. Vergeefs probeert hij er met zijn vingers een schilfer af te breken. Uit zijn broekzak diept hij zijn sleutelbos op. Met de huissleutel breekt hij er een pegel af en vermaalt hem krakend tussen zijn tanden.
Meedogenloos valt het licht uit.
Hij wikkelt zich in de donsdeken. Stilliggen en afwachten. Een gelovige zou nu aan het bidden slaan. Als je het er warmer van kreeg, zou hij het ook wel proberen.
 
Met een schok veert hij op. Brutaal verstoort het riedeltje van zijn smartphone de stilte. Niet te geloven, de batterij van het ding doet het nog! Het klinkt een eind van hem vandaan. Het anders zo irritante gerinkel klinkt nu als de geruststellende stem van een familielid of vriend. Iemand denkt aan hem, dat maakt hem warm vanbinnen.
Zijn broer kan het niet zijn. Die moet zich ook in een netelige toestand bevinden, anders zou hij meteen na de schok hebben gebeld. Intussen zal het nieuws over de lawine al wel het thuisfront hebben bereikt. Iemand wil hem horen, maakt zich zorgen om hem, wil horen dat alles kits is. Moeder? Vader? Hij moet ze antwoorden, zeggen dat hij het al bij al relatief goed stelt. Dat alles in orde komt, kwestie van wat geduld. Als hij niet opneemt kunnen ze denken dat hij dood is.
De blauwe schijn van het schermpje belicht spookachtig de chaos van verhakkelde meubelen en beddengoed van onder uit, als het voetlicht van een toneelpodium waarop zich een drama afspeelt. Onbereikbaar ver en diep ligt zijn reddingsboei, zijn contact met de wereld. Het is onbegonnen werk, ziet hij, maar begint toch een paar brokstukken te verleggen, zodat hij zichzelf niet kan verwijten dat hij niets heeft ondernomen. Tot het melodietje zwijgt en de kamer weer volloopt met stilte en duisternis. De plek waar de telefoon ligt probeert hij te onthouden.
Niemand die hij kent zou hem 's nachts opbellen. Dus moet het nu dag zijn. Vrijdag dus. Allicht.

Een luide ping zegt dat er een sms binnengekomen is. Dat kunnen zijn ouders niet zijn. Zij bellen nog met een vaste huistelefoon, een oerdegelijk toestel, met duidelijke toetsen waar je niet naast kunt tikken en dat enkel doet en ook niet meer hoeft te doen dan waarvoor het is gemaakt: telefoneren.
Zou het dan Eef kunnen zijn? Zou zij het zijn? Dat zou mooi zijn. Het verwarmt zijn gemoed.
 
zaterdag 21 januari
 
 
Hij heeft nauwelijks geslapen. Dat durfde hij niet. Voor je het weet ben je doodgevroren. Het is zoals bij een chauffeur die beseft dat hij moet kiezen tussen het onmogelijke doen om zich wakker houden, of zich zalig in de slaap te laten wegzakken en de kans te lopen dat hij de laatste minuut van zijn leven niet meer zal beleven. Alleen heeft die automobilist ook nog de mogelijkheid om even opzij te gaan staan en een verkwikkend dutje te doen vooraleer hij zijn weg verderzet. Beter te laat aankomen dan nooit.
Het is een worsteling geweest. Telkens hij indommelde, schrok hij wakker. Een geluidloze stem binnenin wekte hem elke keer, een ingebouwd alarmpje tegen het nooit meer wakker worden.
Het moet nu weer een dag verder zijn, schat hij. Zaterdag, veronderstelt hij. Elke dag dat deze marteling duurt, is een etmaal dichter bij de redding, troost hij zich. Valse troost is ook troost.
Nu kan het toch niet lang meer duren? Nee, dit begrijpt geen mens, dat men er dagen over moet doen om hem hieruit te helpen? Met al die hoogtechnologische machinale monsters, al dan niet op rupsbanden, warmtedetectors, snuffelhonden, infraroodcamera's, sondes, echotoestellen, helikopters, drones. Hallo, waar blijven jullie?
 
Hij is verstijfd van de koude. De mouwen van de trui heeft hij over zijn handen getrokken. Zijn vuisten klemmen de donsdeken bij de hoekpunten vast, om hem strak om hem heen gewikkeld te houden, dicht, zonder de ijzige lucht kans te geven om binnen te glippen. De koude bijt in zijn neus. Nu en dan trekt hij de deken over zijn hoofd en maakt het binnenin warm met zijn adem. De adem van Eef. Het samen warm maken, daarbinnen.
Hij ruikt de geur van haar haren, van haar hals. Een zoetig parfum.
De geur van dampende wafelen slaat in zijn neus. Zijn speelselklieren herinneren zich het kraken van de krokante korst, de kleffe malsheid van de kruim, de zachte zoetheid van poedersuiker, het wolkige schuim van slagroom, de vierkante vakjes tot de rand ermee gevuld. De honger schreeuwt in zijn hoofd. Wordt hij waanzinnig?
Eef. Fee, noemde hij haar. Noemt hij haar, vanaf nu nog meer dan ooit. Zijn fee.
Hun laatste foto brandt in zijn portefeuille. In deze gitzwarte duisternis ziet hij hem beter dan in volle licht. Twee mooie jonge mensen. Half september was het. Een uitzonderlijk mooie dag. Wolkeloos en schier windvrij. Een hoogzomerse temperatuur. Ze stonden in de zacht kabbelende branding. De voeten half weggezakt in het zand. In short. De benen licht gespreid. Gebruind. Zonnebril bovenop het hoofd geschoven. Rug aan rug. Rug tegen rug. De ronding van haar achterhoofd passend in de holte van zijn nek. Haar malse billen als een donskussen tegen zijn tot beton getrainde kont. Ze hielden de armen gekruist voor de borst waarbij zij met de rechterhand naar de zee wees en hij met de linker naar de duinen.
De golfjes speelden rond de voeten van de fotograaf, een paar meter verderop. 'De ogen niet dichtknijpen,' zei hij.
Ze deden hun best om tegen het licht van de avondzon in te kijken.
'Lachen,' zei hij.
Ze lachten.
 
Het mooie jonge koppel sierde de voorkant van de uitnodiging voor een bescheiden feestje dat ze voor een groepje intimi hadden georganiseerd. Bescheiden omdat er niet zoveel te vieren viel. Het was hun scheidingsfeestje. Of hoe noem je zoiets?
Vic, de eeuwige vrijgezel, had maar wat cynisch gedaan over de foto. Jullie staan er bij als ging het om een duel. Elk tien passen zetten, omdraaien. Vuren.
Een jaar woonden ze samen. Hoewel ze van elkaar hielden - dachten ze toch, wisten ze zelfs bijna zeker - wilde het maar niet vlotten. Niet dat hun appartementje daverde van de slaande ruzies maar ze hadden de balans tussen wat hen bond en wat hen uiteendreef nog niet in evenwicht gekregen. Zo had Eef het verwoord voor de verzamelde familie en vrienden. Ze zouden een tijd uit elkaars buurt blijven, elkaar de ruimte geven, tijd gunnen om zich te bezinnen, alle wederzijdse contact stilleggen. Geen telefoon, e-mail, sms of wat dan ook. Een jaar lang. Of tot ze overtuigd waren dat ze onvoorwaardelijk voor elkaar kozen.
Haar vinger op de foto gaf het aan, legde ze uit: de zee zou haar naar Engeland voeren. Daar zou ze een jaar bijstuderen. Hij zou zijn vinger volgen naar het binnenland waar hij zich verder aan zijn baan van notarisklerk zou wijden. En vooral aan zijn sporten.
Hij werd niet slecht betaald. Hij kon er zich ruimschoots het beste materiaal voor zijn sporthobby's mee veroorloven.
Tegen hem had ze het iets duidelijker uitgedrukt dan ze voor de verzamelde genodigden had gedaan: als je maar eens half zoveel tijd aan mij zou besteden als aan jouw lichaam.
Hij trainde zijn lijf maniakaal. Diëten, joggen, fitnessen, fietsen, skaten, maratons lopen. Hij waakte er angstvallig over dat er zich geen greintje vet aan zijn lichaam zou nestelen. Eens hij de gestrengheid voor zichzelf zou loslaten, zou alle moeite voor niets zijn geweest. Al zijn vrije tijd besteedde hij er aan. Zijn figuur mocht dan ook gezien zijn. Een Griekse god, Apollo, maar dan van marmer, had Eef hem eens genoemd.
Hoe moet hij er nu wel niet uitzien? Al dagen naeen heeft hij nauwelijks bewogen, opgehokt als een kip. Geen morzel gegeten. Niet gewassen, niet geschoren, stinkend naar de lucht van zijn eigen uitwerpselen die hij noodgedwongen vanaf de plank over de badkameropening naar beneden laat kletteren. Hij houdt zijn hart vast voor het ogenblik dat hij zichzelf voor het eerst weer in een spiegel zal kunnen zien. Wat een schok moet het zijn als je een landloper ziet staan in de plaats van je eigen opgeblonken zelf. Wat rest er nog van al dat trainen? Hoe zinloos was deze lichaamscultus. Zou Eef hem wel nog herkennen? Zou zij hem nog willen in zulke ontaarde toestand?
Zijn tanden klapperen. Alles aan hem bibbert. De koude zit tot in zijn gebeente. Of is er iets anders aan de hand? Zijn handen schudden. Hij slaagt er niet in ze stil te houden. Ze daveren. Hij wordt duizelig. Zou de zuurstof op raken? In deze hermetische doos ademt hij voortdurend zijn verbruikte adem in. Bij elke ademtocht zuigen zijn longen er weer enkele moleculen zuurstof uit waardoor er steeds minder overblijven voor de volgende keer. Tot er geen meer resten. Tot hij zal stikken in zijn eigen uitgeademde lucht. Alsof er een kamergrote plastic zak over hem heen is geschoven en dichtgebonden.
 
Zijn rug detecteert een lichte zindering in de vloer. Is dit geen zinsbegoocheling?
Enkele tellen later een schokje. Een lichte trilling nu. Zouden ze er zijn? Eindelijk! Als ze hem maar op tijd vinden.
Het eerste wat hij zal doen, het allereerste zodra hij kan, is Fee bellen. Haar zeggen dat hij heeft nagedacht. Dat hij vol overtuiging voor haar kiest. Dat hij met haar zijn leven wil delen.

Als een duivel springt een gedachte hem naar de keel: het sms’je kan ook van de tandarts gekomen zijn. Om hem aan de afspraak te herinneren.
 
Dit artikel delen?

Publicatie op .
Hits: 76

geef een waardering voor: "Hotel Edelweiss ****"

Geschreven door Roel Slabbinck . Geplaatst in Proefstuk.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
13.11.20
Feedback:
Heel mooi geschreven Roel, ik vond het erg lang lijken en heb daarom gewacht met lezen tot ik tijd had, maar ik heb het in één adem uitgelezen. Nu verwacht ik natuurlijk wel de rest van het boek
Grammatica & Spelling:
Goed
  • Lezenswaardig:
    100%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
  • Roel Slabbinck 14.11.20
    Dank je, Janneke. Zelf zie ik er ook soms tegenop om een lange bijdrage te lezen.
    Nu heb ik de gemiddelde leestijd erbij vermeld zodat de lezer kan beslissen of hij die tijd ervoor over heeft.
13.11.20
Feedback:
Boeiend verhaal.
Heel bijzonder, triest, einde.
Grammatica & Spelling:
Goed
  • Lezenswaardig:
    80%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
  • Roel Slabbinck 14.11.20
    Dank je, Manuel.
    Bij een verhaal met open einde bepaalt de lezer zelf hoe het afloopt.
    Je kunt er immers van uitgaan dat de man tijdig zal gevonden worden en dat de angstwekkende gedachte die bij hem opwelde, fout was. Eind goed al goed dus. Maar dat doen we niet. Als lezer voelen we liever de tanden van het noodlot. Dat is spannender.

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Emoticons: ;o = wink:d = bigsmile, :-$ = blush, (^) = cake, (h5) = clapping, 8) = cool, ;( = crying, (x) = handshake, :? = thinking, (hartje) = heart
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!

Snelmenu: Klik, voor belangrijke pagina's, aan de rechterkant op de blauwe button !