SCHRIJFACTIVITEIT: PROEFSTUK

Je schrijft veel en graag en bent meestal tevreden over je schrijfresultaten. Je deed al mee aan schrijfactiviteiten en schrijfwedstrijden maar je kunt nu ook een verhaal of gedicht laten zien waar je echt trots op bent of... waar je juist nog over twijfelt maar wat je wel graag aan anderen wilt laten zien. Dat is mogelijk in deze rubriek. Leden van Schrijverspunt kunnen in deze rubriek een schrijfresultaat tonen als een proefstuk van eigen kunnen. Er zijn geen voorwaarden voor genre, aantal woorden, etc. Het is jouw proefstuk wat jij graag aan anderen wilt laten lezen. Je mag max. 1 proefstuk insturen!
Van lezers verwachten we respect voor de publicatie. Beloon de schrijver voor zijn/haar durf en inzet met serieuze feedback.

Klik voor meer schrijfactiviteiten in het menu op SCHRIJFACTIVITEITEN.

Het meisje met het rozenhoedje

Publicatie: | Hans Van Battel

Het meisje met het rozenhoedje. 

 

I

        Het was een miezerig weertje. M'n eerste dag op de unief zat erop en ik had net boodschappen gedaan in het boekenwinkeltje 'de Maretak', gespecialiseerd in werken van filosofische, bijbelse en occulte strekking. De winkelier, een beer van een vent, had eerst handenwrijvend m'n boekenlijst bestudeerd, om daarna, rondsnorrend als een vlijtige dikke tor, het ene boek na het andere aan m'n allengs groeiende stapel toe te voegen. Vol enthousiasme had ik er maar ineens de volledige reeks ‘Wichtige Wijsgeren’ bij gekocht. 

Met m'n spiksplinternieuwe uitpuilende aktentas in de ene hand, een zware plastic zak in de andere en een lege portemonnee in m'n broekzak, zag ik me genoodzaakt te voet naar m'n studentenkamer te wandelen.

Het gewicht van al die wijsheid voelde prettig licht aan. Nu pas besefte ik welk een verstikkende invloed de jarenlange goed bedoelde katholieke zorgen hadden, waarmee m'n moeder me elke dag van m'n jeugdjaren had omringd. 

M'n eerste stappen in deze studentenstad waren een verademing. Ik wist zeker dat de jaren die gingen volgen een openbaring voor me zouden worden. Hier zou ik komaf maken met de blind te volgen regeltjes die elke brave katholiek volgde van de wieg tot het graf. De zondagse kerkgang, het bidden voor en na het eten en vóór elk 'belangrijk werk', de catechismus met zijn tien geboden en duizend valkuilen van doodzonden, taboes en dagelijkse dwalingen... Dat alles ging ik aan kant zetten en moest plaats maken voor de bevrijdende weg van de waarheid!

Al mijmerend botste ik haast tegen een parkeermeter aan: de motregen had op m'n brilleglazen een waas van piepkleine druppeltjes afgezet, waardoor ik nog slechts met moeite het voetpad kon onderscheiden. Bovendien stonden m'n armspieren op het punt te capituleren tegen het overweldigend literaire gewicht. Grootmoedig vatte ik dit echter op als een triomf van de geest over het zwakke vlees. Een poging om m'n bril schoon te vegen met m'n mouw moest ik halverwege staken: ik was niet bij machte m'n uitgerekte arm ook maar één centimeter omhoog te hijsen en de gedachte om m'n wijsgerige schatten zomaar op de natte straat te deponeren, vervulde me met afschuw.

Pierend door m'n aangeslagen bril, meende ik rechts van me, langs de huizenkant, een open deur te ontwaren van één of ander ondefinieerbaar openbaar gebouw. Een beetje op de tast volgde ik een vaag figuur die juist naar binnen stapte en struikelde haast over enkele treden die de ingang markeerden. 

De figuur vóór me draaide zich naar me toe en hielp me krachtdadig de trap op, me aan m'n bovenarm ondersteunend. Ik geneerde me behoorlijk. Dit strookte nu niet direct met de visioenen die ik daarnet nog voor ogen had. 


Boven aangekomen zette ik m'n boeken op de grond (wat een verlossing!) en droogde m'n bril af, onderwijl wat bijziend rondturend in het halfduister. Toen ik hem weer op m'n neus parkeerde, keek ik recht in het hartelijk gezicht van een beeldschoon meisje dat me een meewarende blik schonk. 

"Zal het een beetje lukken verder?", vroeg ze lief en reikte me moeiteloos met één hand zowel de zware aktentas als de plastic zak aan. 

Ik knikte een beetje wezenloos en ontdekte tot m'n ontsteltenis dat ik terecht was gekomen in een kerk. Een kérk! De weg naar de waarheid bleek vol angels, schietijzers en wolfsgeweren te zitten. 

Ik nam m'n boeken van haar over, maar de pijn in m'n armen verplichtte me ze dadelijk weer neer te zetten. Zij tilde ze weer resoluut van de vloer.

"Ik zal ze wel even voor je dragen, dan kunnen we daar wat gaan zitten."

Nog voor ik haar kon tegenspreken keerde zij zich om en ging me voor naar een rijtje kerkstoelen.

Ik had altijd een hekel gehad aan die rieten stoeltjes: de zitting is te laag, de leuning te recht en te hard maar gelukkig hoog genoeg om je op je ellebogen omhoog te duwen zodat je je knieën kon sparen tijdens de consecratie. Maar de bevalIigheid waarmee ze haar stoeltje als het ware aankleedde met haar gracieus figuur, maakte van het foltertuig een overheerlijke fauteuil.

Daar zaten we dan samen stil naar het kerkelijk meubilair te kijken. Het altaar trok natuurlijk het eerst de aandacht. 

Verdikkeme! Ik wist wat me ging overkomen; de architecten van zulke ouderwetse kerken hadden het heel leep uitgedacht: de blik van het goedgelovige zieltje wordt stelselmatig omhoog gekrikt, langs het tabernakel en de monstrans, via de streng vermanend kijkende pilaarheiligen, verder omhoogwaarts langs de gekleurde glasramen en het hangende kruis (de plek daaronder had ik altijd gemeden sinds ik de film "The Omen" had gezien) om dan uiteindelijk 'als van nature' te belanden bij het gewelfde plafond. Hier wordt van de argeloze toeschouwer verwacht om, met het hoofd in de nek, zich te vergapen aan het ingewikkelde kruisbogenpatroon. Aangezien je je mond in die positie nauwelijks dicht krijgt, geeft dit (uiteraard in de gegeven context) een zeer devote indruk. 

Ik merkte dat we gelijk waren aangekomen: m'n hoofd zo min mogelijk bewegend, begluurde ik haar stiekem vanuit m'n ooghoeken en kreeg haast een kramp in m'n nek toen onze blikken elkaar betrapten. We glimlachten mekaar wat oenig toe en vervolgens ging het 'en retour' van het plafond naar de grond. 

Er kroop een kille stilte uit de gebarsten tegels, die de kerk in een doodse leegheid hulde. De groteske omvang van het kerkschip maakte een archeologische karikatuur van de enkele stil prevelende kwezeltjes. Ik kende dat soort wereldvreemde fossielen: een bibliothecaresse van de plaatselijke parochieboekerij, waar je nu nog dezelfde boeken terugvindt die je daar als kind had verslonden (er komen echter geen kinderen meer), een koorzanger van de ouderlingenbond (die dringend een tweede zanger zochten), een op rust gestelde leraar, die zijn hele leven, in uiterst celibataire toewijding, zich ten volle had overgegeven aan de christelijke opvoeding van zijn pupillen (sinds z'n pensioen heeft geen van hen nog ooit iets van zich laten horen) en nog een paar andere, aan elkaar verwante verloren zielen, die ergens daarbuiten in de grote wereld het spoor zijn bijster geraakt. 

Gewoonlijk zette deze sfeer een naargeestige domper op m'n humeur, maar met háár naast me, werd de overweldigende kerkruimte omgetoverd in een oeverloze zee vol van beloften en onbevroede mogelijkheden. Een beetje bedeesd als ik was, en nog helemaal bleu, durfde ik haar niet zo gauw meer aan te kijken. 

De stille eerbiedigheid, waarmee je wordt geacht om vredig op je stoel genageld te blijven zitten, kwam m'n verlegenheid uitstekend van pas. Het simpele feit dat we daar vroom en devoot gezamenlijk zaten te niksen, gaf me het gevoel dat ik elke seconde vooruitgang boekte. 

Haar jurk ritselde toen zij haar handtasje op haar schoot opende. Ik kon het niet laten er een steelse blik in te werpen. Haar fijne lange vingers rommelden wat tussen allerlei opmaakspulletjes, ik zag halvelings een foto van iemand die ik vaag meende te herkennen en tot m'n verbazing haalde zij er een paternoster uit. Het was zulk een antiek geval met dikke zwarte kralen en een gouden bewerkt kruisje aan het eind. Ha! Dit gaf me een mooi voorwendsel om een gesprekje met haar aan te knopen. 

"Dat is een mooi ding zeg," fluisterde ik haar toe, "is dat een erfstuk of zo?"

Ze lachte wat timide. "Zoiets ja, het is nog van m'n oma geweest", waarbij ze vluchtig een kruisteken maakte. Toen, met de eerste dikke kraal tussen haar vingers, begon ze prevelend aan het rozenkransje. 

Het drong tot me door dat ik hier de enige was die vroom en devoot zat te niksen. Hier moest dringend wat aan gedaan worden! Dus, met m'n vingers gekruist, viel ik haar bij in elke onzevader en weesgegroet. Ik dankte m'n lieve moeder dat ik deze proef, zonder één keer te haperen, met glans kon doorstaan. Het timbre van haar zangerige stem trachtte ik te laten resoneren met m'n ietwat geforceerde basklanken.

Ons gelijkstemmig gebed bracht me in een haast dronken overmoedige toestand en alweer voelde ik me een heel stuk dichter bij haar. 

Na wat me een zoete eeuwigheid leek, borg ze de rozenkrans terug op in haar handtas. Ze keek me stralend aan. "Kom je hier dikwijls?" vroeg ze me.
"Eh, neen...," zei ik wat spijtig, maar opgetogen voegde ik er vlug aan toe: "Ik ben hier net in de buurt komen wonen, dan kan ik hier misschien 's zondags naar de mis komen! En jij? Kom jij hier vaak?"
Nogal ja, af en toe kom ik hier te biechten, zoals nu.

De afgesloten houten biechtstoel naast ons was me tot dan toe nog niet opgevallen. Ik keek haar verwonderd aan: wat had een Goddelijk beeldschoon wicht als zij te biechten?
Het was de eerste keer dat ik haar onbevangen aankeek. Het was of de hemel neerdaalde en ons in een koepel zette van zuiver kristal. Heel haar wezen gloeide op me in als een duvelkacheltje. Zij was het heerlijkste schepsel op aard en de gedachte dat zij een zonde zou begaan hebben, maakte haar nog begeerlijker. Het was waarlijk een wonder Gods, dat wij hier, haast voor het altaar, waren bijeen gebracht. Begeleid door een jubelend halleluja, braken er duizenden vlinders los in m'n buik. Ik keek haar stomverliefd aan. 

Als om de spanning te breken, boog zij zich voorover om de reclame op m’n plastic zak te bestuderen. Haar ogen kregen een opgetogen glans. Ik meende zelfs een lichte blos op haar perzikwangetjes te bespeuren. Ze was duidelijk onder de indruk. 'Heregod’, dacht ik, 'we hebben zelfs dezelfde literaire smaak!' 

Vooraan opzij van het altaar, ging krakend de deur van de sacristie open. Als een anachronisme binnen deze eeuwenoude kerk, kwam een jong paterke fluks de zijbeuk ingestapt en, een tikkeltje te gehaast leek het me, stevende hij recht op de biechtstoel af. 

Ze boog zich schrijlings naar me toe. 
"Koop je daar dikwijls je boeken?" vroeg ze me half fluisterend. Haar ritselende jurk, haar zoete parfum, haar kittelende adem in m'n overspannen oren... Half gesmoord trachtte ik achteloos een leugentje eruit te flappen. 

"Ja hoor,... 't is te zeggen... nogal," en m'n stem sloeg, tot m'n paniekerige verbijstering, een toonladder over toen ik vervolgde: "waarom?"
Sinds m'n bakvisjaren had ik zulk een piepgeluidje niet meer geproduceerd. Ik begon ergens diep van binnen te zweten. 

Maar blijkbaar had ze er, tot m'n grote opluchting, niks van gemerkt. Integendeel: ze schonk me een stralend mijmerende glimlach, haar ogen draaiden een beetje de hoogte in, het puntje van haar tong flitste even vlinderig tussen haar halfopen lippen en met een warme hese stem zei ze: "Een fantastische kerel hé?"

M'n zintuigen niet meer vertrouwend, vreesde ik iets gemist te hebben. 
"Eh... wie bedoel je?"
''Welja,'' zei ze, haar hoofd een beetje afgewend, "Hans... , die van de Maretak hé!" en op haar perzikwangen begonnen welig tomaten te tieren. Toen stond ze op en heupwiegend volgde zij het jong paterke de biechtstoel in. 

Het wou eerst niet tot me doordringen. Kleine beestjes waren koortsachtig bezig in m'n hersens een noodbarricade op te gooien. Langzaamaan vormde het beeld van de winkelier zich voor m'n ogen. De foto in haar tasje! M'n brein begon het alsmaar kleiner wordende mannetje ijverig te boetseren: hij kreeg een bocheltje, een horrelvoet, begon te stinken naar knoflook en keek scheel. Het was het soort gedrocht dat stante pede van de aardbodem getrapt moest worden. Ik duwde met m'n vuisten haast gaten in m’n jaszakken en voelde me vernederd, verguisd, in de grond getrapt, door het slijk gehaaId... Ik zou hem al z'n rotboeken één voor één naar z'n kop slingeren en hem vervolgens levend begraven in dat occult snertwinkeltje van hem! 

Zo zat ik daar een tijdje wat allenig uit te zieden. Heimelijk keek ik naar de biechtstoel. Met hevig gemengde gevoelens keek ik naar haar geknielde benen die vanonder het gordijntje piepten. 'k Vond het verdacht lang duren voor zij het terugschoof. Met een haast sacrale blik in haar ogen, wandelde zij me straal negerend voorbij en ging naar buiten. 

Dit was meer dan ik incasseren kon. Ik merkte dat m'n gezicht nat was van tranen. Slap hing ik daar als een vod gedrapeerd over het kerkstoeltje. 

Het middendeurtje van de biechtstoel ging open. Met een gelukzalige mystieke uitdrukking op z'n gladgeschoren gezicht kwam het paterke naar buiten. Hij keek me even vriendelijk aan en met een uitnodigend gebaar naar het gordijntje vroeg hij me: “Wil je misschien nog biechten?"

Ik keek hem verbouwereerd aan. Hoe durfde hij! De kip werd uitgenodigd in het hol van de vos! Met een driedubbel geknoopte prop in m'n keel trachtte ik nog een zweem van eigenwaarde in m'n schorre stem te leggen, maar tot m'n woedende ergernis hoorde ik mezelf zeggen: "Ik heb niks gedaan!", waarop ik een opwellende snik smoorde in m'n zakdoek. 
De pater keek me vol begrip aan. Uit z'n heldere ogen straalde een moedgevende blik. "Dan is nu misschien de tijd gekomen om daar juist wél iets aan te doen, nietwaar?"

Hij draaide zich om, liep langs de zijbeuk terug naar het krakend deurtje en liet me platgeslagen alleen achter met de rest van de verloren zielen. 


II

        De straten blonken dof en kleffig van de nog steeds druipende grauwe nattigheid. De grijze lage hemel sloop in een mistgordijn door de stad en vulde gans m'n lijf met een verdovende zompige stilte. Verder dweilend van de ene plas naar de andere, dreef een soort nestinstinct me voort in een doffe slaapwandel richting huis. 

Op een gegeven moment trok een vreemd aanhoudend gejammer kleine scheurtjes door de voze stilte in m'n kop. Ik draaide me om. Aan de overkant van de drukke straat zag ik een dreumes van hooguit een jaar of vijf. Het jongetje stond op de stoep van een huis en reikte naar de veel te hoge bel. 

Even nog leek het me of het ventje een geluidloze playback gaf van het hinderlijk gejammer in m'n oren, maar plots tuimelde heel het stadsgewemel knallend door m'n kop: auto's raasden voorbij, een trambestuurder tingelde verwoed voor een bestelwagen die z'n vracht met veel gedaver stond te lossen, paraplu's scheerden vervaarlijk langs m'n ogen en ergens ver weg hoorde ik een klokketoren monotoon het uur slaan. Alhoewel het ventje duidelijk nog hard stond te schreeuwen en nu furieus met z'n vuistjes tegen de houten deur bonkte, slokte het straatlawaai alle geluiden op. Hoe ik me ook inspande, het was vreemd genoeg onmogelijk om nog iets van z'n krijsend stemmetje te horen. 

De blokkerende bestelwagen vertrok, bussen en vrachtwagens zetten zich grommend in beweging. De jongen leek wat uitgeraasd te zijn en keek vijandig om zich heen. Het klein scharminkel stond, weggedoken voor de regen, haast geplakt tegen de deur van het smalle halfduister portiekje. Z'n gescheurde bruine speelkleren camoufleerden hem tegen de achtergrond van de gebarsten deur. Plots kreeg hij me in de gaten. 

In een intens ogenblik focusten onze blikken elkaar. Ik schrok van de venijnige grijns die als bij toverslag een masker over z'n bolle gezichtje trok. Het ventje straalde iets bijterigs uit, iets gemeen stekelig. Het was of hij uit z'n gebalde vuistjes een intense haat perste, die hij met z'n gifgroene oogjes naar me toe siste. Verstard bleef hij tegen de deur aankleven: een gevaarlijk kameleonachtig trolletje, toevallig betrapt in het holletje waar hij zich onzichtbaar en veilig waande. De drukke straat tussen ons in werd een vertraagde poppenfilm met glazen nepfiguurtjes maar dwars er doorheen boorden onze blikken in elkaar als een stalen gespannen vlecht. 

Het hypnotisch contact werd abrupt afgesneden door een voorbijdenderende tram. Met een schok belandde ik terug in de realiteit en haalde opgelucht diep adem. Ietwat beschaamd bedacht ik dat dit gewoon een bang jongetje was dat z'n huis niet binnen kon. Ik zou hem maar even gaan helpen door op die bel te gaan drukken. Ik was halverwege de straat toen de tram het huis gepasseerd was. Verbouwereerd bleef ik staan: het kind was verdwenen. Voor zover ik de inmiddels donker wordende straat kon afspeuren, was de jongen nergens meer te bekennen. Ach ja, natuurlijk! Waarschijnlijk had z'n mama of papa hem net het huis binnengelaten. 

Ik wou me alweer omkeren, toen me het briefje opviel wat langs de buitenkant tegen het venster van het huis geplakt zat. Het zag er op één of andere manier officiëel uit, als een bericht voor de bevolking (waar geen kat ooit naar kijkt). Daarenboven merkte ik nu pas dat het huis er verlaten bij lag: geen gordijnen achter de vuile ramen, reclame die uit de brievenbus puilde, onkruid opschietend vanuit het keldergat... Ik werd allengs door een ongezonde, bijna gluurderachtige nieuwsgierigheid bevangen die me naar de overkant van de straat trok. 

Het vergeelde papier was wel degelijk een officiëel document: een deurwaardersexploot, afgestempeld, met fiscale zegels gefrankeerd en bezegeld met een zwierige doortastende handtekening. De datum waarop de boel openbaar zou verkocht worden, was haast niet meer te lezen: 7 ok..ber 19.. 

Door het vuile raam keek ik in een stoffige kale kamer, behangen met een ouderwets tulpenmotiefje. Ondanks het verval had het huis nog iets uitnodigends. Gek genoeg hing er nog een foto aan de muur van een wat oudere dame met een kind op de arm. Vreemd: hun gelaatstrekken kwamen me bekend voor. 

Verder was er geen teken van leven te bespeuren. 

Het was duidelijk: dit pand was compleet verlaten. Peinzend keek ik nog even naar de datum: 7 oktober. Door m’n jarenlange katholieke indoctrinatie kon ik er niet aan ontsnappen: de dag van het OnzeLieveVrouwtje van de Rozenkrans... En de jongen was blijkbaar opgelost in het duister. 

Ik bukte me. Bovenop enkele reclamefolders lag verfrommeld een beduimeld visitekaartje. Het was nog zulk een ouderwets kartonnen dingetje met bruine sierlijke lettertjes. Het adres erop klopte met dat van het huis. Op de achterkant stond in een kinderlijk hanepotengeschrift het woordje ‘MoT’, met daaronder drie kruisjes. Besluiteloos bleef ik nog even rondkijken, in de hoop alsnog z'n bolle gezichtje ergens te zien opduiken. Vruchteloos...

Ietwat de kluts kwijt, stak ik de straat weer over en dwaalde verder de straten af op zoek naar m'n studentenkot. 

Hoe ik uiteindelijk thuis raakte, kan ik me onmogelijk nog herinneren. Op een gegeven moment zag ik vóór me de afgebladderde zijdeur van de winkel, waarboven ik op de derde verdieping een zolderkamer had gehuurd. Ik was doornat, m'n vingers stonden stijf in kramp van het gesleur met m'n boeken en ik kon amper de sleutel uit m'n doorweekte broekzak friemelen. Daarenboven voelde ik me helemaal gedemoraliseerd en verlangde hevig naar de warme vergetelheid van m'n bed. 


III

        Boven aangekomen, zette ik m'n oranje kacheltje op de hoogste stand, stroopte m'n kletsnatte kleren uit en wierp me op m'n matras, m'n gezicht begravend in de kussens en begon onbedaarlijk te wenen. 

Wat was me in 's hemelsnaam overkomen?! Het heldere ideaalbeeld waarmee ik deze ochtend nog fris en welgemoed m'n studies had aangevat, was terstond ter ziele gegaan in een hectische emotionele mangel, verbrijzeld tot het naakte hoopje verdriet dat hier z'n zelfmedelijden niet opkon! 

Samen met het gesis van het gaskacheltje, hield het getokkel van de regendruppels op het dakvenster boven m'n hoofd gestaag aan en werkte hypnotisch op me in, tot nog slechts een kale stilte overbleef. Na een tijdje lag ik wat hol te staren naar de wit bepleisterde muren. Van op m'n matras op de grond keek ik op de blote houten planken van het lichtjes afhellend Frans dak.

M'n gedachten vlogen terug naar het afscheid gisteren van m'n ouders. Als in flarden mist zag ik m'n moeder met haar gezicht doorploegd van tranige bezorgdheid, m'n vader met een ietwat geforceerde glimlach en een iets te harde handdruk. Ik herinnerde ik me z'n goed bedoelde clichématige woorden: ‘Wat je ook doet in je leven, m'n jongen, doe het goed!’

Ik stond op, zocht m'n rode markeerstift, en op de dakbalk boven m'n matras schamperde ik in blokletters: "DOE IK HET GOED?", waarop ik diep onder de dekens weg kroop. 

Ik was bijna in slaap gesukkeld toen er plots een alarmbel door m'n hoofd schoot: m'n boeken! Miljarde! Vergeten op de stoep voor de deur! Als de weerlicht schoot ik vliegensvlug in m'n onderbroek en stormde de trappen af. Met een ruk trok ik hijgend de deur open en... stond oog in oog met het meisje van het rozenhoedje. 

Ze keek me alweer stralend en opgewekt aan en in haar handen hield ze alweer de plastic zak en de aktentas. Voor de zoveelste keer die dag stond ik haar als een volslagen idioot perplex aan te staren. M'n verstand was het stilletjes afgedropen en er bleef slechts een luchtig gat over in m'n bovenkamer. Een gemiddelde Zenboeddhist moest hier beslist jaren voor mediteren, of anders de lege wereld instappen van de seniliteit. Als een schilder penseelden m'n ogen de kleinste details van haar gezicht op het blanke doek in m'n holle hoofd: de puntjes in haar donkere irissen, haar zacht wijkende wenkbrauwen, de strakke huid rond haar lachkuiltjes... 

Het geknipper van haar wimpers schudderde me zachtjes wakker en alweer keek ik haar stomverliefd aan. Het gevoel bekroop me een derderangsfigurant te spelen in een goedkoop déja-vue-achtig filmpje. Gelaten wachtte ik dan maar de volgende scène af.

Hoi!, ik zag die boeken hier staan voor de deur, dus ik dacht... eh... "
Vrijelijk liet ze haar blikken over me glijden en vervolgde met een fijn dun stemmetje: "zat je soms onder de douche of zo?"

Toen pas besefte ik dat ik haast niks aan had. M'n hoofd schoot in brand en met een slap gevoel tussen m'n benen mompelde ik iets in de zin van "Sorry, ben zo terug... ", terwijl ik de deur met een ruk voor haar neus dichtsloeg. 

Verdomd nog aan toe! Er moest dringend een eind komen aan die karikaturale presentatie van mezelf als de stomste oelewapper der Belgen! Als ik niet oppaste kreeg ik straks nog politieke ambities! 

Kom jongen, denken, denken! Hoe moet je in je onderbroek het meisje van je dromen versieren, nadat je net de deur voor haar neus hebt dichtgeknald? Een hopeloze vraag. Ik maakte me sterk dat zelfs de vier jaar filosofische wetenschappen die ik nog voor de boeg had, hier geen uitkomst konden bieden. En zelfs al was dat zo, dan stond het antwoord in één van die rotboeken waar zij me al de halve dag mee achtervolgde. En zelfs als ik die doemboeken te pakken kon krijgen, dan schoot het hele idee z'n doel voorbij omdat juist het afgeven van die boekerij het enige doel was waarvoor ze nog achter deze deur stond. En ik kon de deur niet nóg eens openen met alleen m'n adamspakje aan. En tegen de tijd dat ik de drie trappen naar boven zou gerend zijn, één of ander 'Johnny-kostuum' had opgevist en de trap afrennend dat ding had aangetrokken, zou ze het allang voor bekeken hebben. En zelfs al stond ze er dan nog (ze zou wel gek zijn met die regen), wat moest ik dan in 's hemelsnaam tegen haar zeggen? En zelfs al... 

Radeloos stond ik daar tegen de deur aangeleund. M'n gedachten schoten kriskras vol met dergelijke paniekerige doolhofprietpraat, toen het koude klepje van de brievenbus tegen m'n billen werd aangeduwd. Een fris stemmetje schalde tussen m'n benen. 
"Hallo! Zal ik ze er één voor één doorduwen? Ze worden hier kletsnat, zie je. Onderwijl kan je misschien iets warms aantrekken en dan kan ik je je aktentasje geven... Wat denk je?

Dat was dé oplossing! Simpel, voor de hand liggend, vrouwelijk. 

Ik bukte me en keek naar haar glunderend gezicht door de brievenbus. Ze leek er heimelijk een haast giechelend plezier in te beleven. Ik had haar wel een zoen kunnen geven als het klepje niet in de weg had gezeten. 
"Ja, da's goed... bedankt! Ik ben er direkt weer!", en vloog met drie treden tegelijk de trappen op. 

Als een dolgedraaide gek wrong ik tegelijkertijd m'n beide armen in m'n hemdsmouwen, m'n linkervoet in m'n rechterschoen, ontdekte te laat dat ik m'n broekspijpen niet meer over m'n schoenen kreeg, trapte dan maar hard door, waarbij de zoom het ergens krakend begaf, moest tenslotte m'n schoenen alweer uitschieten om m'n sokken aan te trekken, waarbij ik al hinkend tegen de ‘Doe ik het goed?’-balk aanbotste en m'n bril van m'n neus vloog. Met m'n open hemd vlaggend uit m'n broek, struikelde ik haast over m'n losse veters en na wanhopig alle rommel in m'n enige kast gepropt te hebben, sprong ik als een hitsige berggeit wederom de trappen af. Ergens halverwege plakten m'n longen tegen m'n gehemelte en begonnen voor m'n ogen blauwe en zwarte vlekken met elkaar te flirten. 

Volkomen buiten adem en met een kop als een draaimolen, trok ik de deur open, net op het moment dat m'n rozenkransmeisje zich voorover bukte om het elvendertigste boek door de brievenbus te wurmen. Haar evenwicht verliezend, tackelde zij m'n benen als een geoefende judoka en knalde ik dubbelgevouwen boven op haar rug, waarbij m'n hoofd met een smak kennis maakte met Kant's ‘Kritiek van de Zuivere Rede’. 

Een doordringend bonzend geluid trok van m'n hart naar m'n slapen. Naar adem snakkend en met een hikkend gevoel in m'n maag, keek ik versuft naar het resultaat van wat m'n eerste versierpartijtje had moeten worden. 

Daar lagen we dan, half op de stoep, ietwat onhandig in elkaar gestrengeld en gegarnituurd door een hoop mestnatte filosofische literatuur, wat het geheel een bizarre relativerende indruk gaf. 

Even keek zij me beduusd aan. Toen glimlachte zij me toe, terwijl ik de grond onder me voelde wegdraaien. Het was alsof ze m'n gedachten had gelezen. 
"Als eerste toenaderingspoging kan dit tellen hoor! Zullen we mekaar dan maar eens voorstellen? Ik heet Saartje...  Hé... Scheelt er iets?"

Ja, er scheelde wel degelijk iets. Ik had m'n volle concentratie nodig om de dolgedraaide cocktail van emoties keer op keer weer door te slikken, die zich vanuit m'n buik kotserig een weg naar boven zocht. De blauwe en zwarte vlekjes voor m'n ogen kregen gezelschap van sterretjes die uit haar bezorgde lachrimpeltjes leken te flitsen. 

M'n lijf raakte ongecontroleerd uit balans: als vanuit de verte voelde ik tegelijk m'n hoofd ijl en m'n benen loodzwaar worden. De stoep veranderde in drijfzand waarin ik hulpeloos wegzonk. Tergend langzaam zag ik haar blik verstarren in een grijns van afschuw. Zo wit als een doek trachtte ik haar nog wanhopig een dapper glimlachje toe te spelen. Ik wou haar vertellen dat ik zielsveel van haar hield, dat ik gewoon even op tilt stond, dat ze zich geen zorgen hoefde te maken... maar, bang dat ik haar zou onderkotsen, klemde ik m'n bloedeloze lippen stijf op elkaar. 

Haar slanke hand zweefde loom en sierlijk op me toe, haar priemende wijsvinger gericht op de straat ergens achter me. Ik slaagde er in m'n hoofd om te zwaaien en zag nog net het kleine ventje met de bolle wangetjes een hallucinante boog maken door de prachtige nachtelijke sterrenhemel. Begeleid door het gekrijs van remmen en brekend glas tuimelde ik finaal weg in het zwarte diep. 


IV

        Af en toe kwam ik van heel ver weg terug boven drijven in m'n kletsnat bezweet bed en keek dan recht in haar bezorgde gezicht. Zij verfriste m'n voorhoofd keer op keer met een koud washandje, dat ze klaarblijkelijk opgevist had uit de rommel die uit m'n kast puilde. Dan schonk ze me een moedgevende blik voor ik weer wegdook in ‘deep space’, ver achter het zwarte gat waar de loop der dingen ronddoolt in een labyrint van droombeelden. 

 … Het pleintje ligt er wat verlaten op z'n zondags bij. Een lauw avondzonnetje zet het bladerdek van de platanen in een hel oranje gloed. Scherpe schaduwen schuiven langgerekt de nacht in. 

Met een dreunende houten kop zijg ik neer op één van de natgeregende groene stadsbanken. Vloekend voel ik de kilte omhoog kruipen door m'n broek. Een verdwaalde kat komt even flirten langs m'n benen, maar houdt het al vlug voor bekeken wanneer een rotte boer zich uit m'n lege lijf een weg naar buiten wringt. M'n hart dreunt ergens ver beneden m'n voeten. 

Vertwijfeld hou ik m'n dansend hoofd vast en loens van achter m'n vingers naar het oude vrouwtje dat schuifelend langs de slapende huizen dichterbij komt. Ze komt me vaag bekend voor, als vanuit een sepia foto. Soms kom ik haar tegen als het verdriet in m'n kop verzopen is. In haar knokige linkerhand houdt ze stijf van de reuma een papieren bruine zak geklemd. Zonder één keer op te kijken zoekt ze zich voetje voor voetje blindelings een weg naar het pleintje. Voorzichtig verzet ze haar stok van de stoeprand naar de straat, wiebelt nog even onzeker van haar linker op haar rechterbeen en buigt zich tergend langzaam voorover tot haar gewicht volledig boven haar stok balanceert. Dan komt het grote moment. Het pleintje houdt de adem in. Heel even nog staat ze stil, versteend met haar blik naar de diepte in de goot. En daar gaat ze... In een tijdloze traag zwevende beweging overspant ze de oeverloze ruimte van de stoeprand naar de straat. Feilloos, zonder ook maar één keer te aarzelen, belandt haar slof op het zwarte asfalt. In de lamentabele toestand waarin ik me bevind, voel ik gaandeweg een diep eerbiedig respekt voor haar opkomen. In een zotte bevlieging wil ik overeind springen om haar een helpende hand toe te steken. Te laat denk ik eraan m'n benen over dit manoeuvre in te lichten. Tegen de tijd dat ik me weer met een kapotte broek op de natte bank gehesen heb, is het vrouwtje in het midden van het pleintje aangekomen. 

We kijken elkaar aan. Ik, het vrouwtje, de bomen, het pleintje. De weidse wereld vredig en harmonieus in een notedop. Zelfs de franjes van m'n lijf vallen beetje bij beetje terug op hun plaats. Er zweeft een soort diepe verstandhouding tussen haar kraaloogjes en m'n prutogen. Het lijkt zelfs alsof ze me heimelijk een verre jeugdherinnering toevertrouwt. Uit haar jaszak bungelt een paternoster met dikke kralen, versierd met een gouden kruisje. 

De papieren zak ritselt tussen haar kromme vingers. Plots schieten kriskras lachrimpeltjes als vuurwerk door haar gezicht. Vanuit haar tandeloze mond klinkt iets wat ooit een klaterende lach was. Met een korte ruk scheurt ze de zak aan stukken en duizenden gouden maiskegeltjes stuiteren alle kanten op. Op slag is het pleintje veranderd in een pointillistische golvende bonte kakafonie van fladderende vlerkende wroetende en naar alle kanten pikkende duiven met ergens daar middenin het kakelend lachende vrouwtje, haar stok hoog priemend naar een punt in de brandende avondhemel. En dan, als op bevel, wordt met mokerslagen de ene klokkedreun na de andere in m'n hersens gesplitst: de dag des heren zindert weg in schelle koperen kleuren. 

Met verbijstering merk ik dat iemand m 'n schoenen heeft ondergekotst. Het bloed zuigt weg uit m 'n slapen alsof iemand ergens het stopje heeft uitgetrokken. Slap als een doek klef ik tegen de bank aan. Het pleintje verstomt en is ontzield tot een steriel artefact. Vanuit de kille waas die om me heen omhoog sluipt, doemt het gezicht van de oude vrouw kristalhelder voor me op. Ze heeft een pertinent ammoniakgeurtje. Haar haar valt vanuit een slordig opgestoken knoet in vaalgrjze plukken over haar perkamenten schedelvelletje. Haar gebarsten lippen vormen klankloze woorden. Ze kijkt me intens aan, haar ogen als stekelige voelsprieten, diep in me de kartonnen scheurtjes betastend van m’n visitekaartje... In een korte hevige flits tuimel ik achter haar gebroken ogen in de afgrond van een hels verdriet. 

Een versteende kinderschreeuw wil zich losscheuren uit m'n borstkast. Als in een stomme film zie ik het spookbeeld van het jongetje met z'n bolle wangetjes, de duiven op het pleintje achterna benend met zijn kleine graaihandjes. Ik worstel om overeind te komen, wanhopig met nog slechts één doel voor ogen: de nestwarmte en de vergetelheid van m'n bed bereiken. 

Laverend tussen de platanen, ploeter ik me een weg naar de straatkant. Knipperend tegen het verblindend lage zonlicht, vlucht ik naar de duistere overkant. Het vrouwtje tuurt me treurig na. Compleet verdwaasd struikel ik hals over kop een donker portiekje binnen en val languit op de harde koude arduinen vloer. Voor m'n ogen, verzonken in de blauwe steen, en dansend in de wiebelende schaduw van het zwakke kaarslicht, ontwaar ik de sierlijke letters: 

Hier rust Saartje, opgenomen in de liefde van de Heer

 De kilte van de zerk trekt een spinrag van fijne slaapdraden doorheen m'n huid. Wegdrijvend in een zoete kommerloze diepte hoor ik nog het geschuifel van haar naderende sloffen en dringt vaag de echo tot me door van de galmende slag waarmee de zware deur achter haar traag in het slot valt. Het vrouwtje sleft langs me heen en steekt een kaarsstompje aan, onder de koesterende blik van het Onze Lieve Vrouwtje van de Rozenkrans. 

Het zachte licht vult de kapel met een beloftevolle stilte. Het licht verheldert langzaam tot een warme schittering. Vanuit de ijle verte klinkt lokkend een klaterend kinderstemmetje. Omgeven door een vage gloed reikt Saartje me de hand en licht als een veertje tuimelen we lachend samen naar de peilloze overkant. 

Vanop het geboende krakende kerkstoeltje kijkt het vrouwtje ons stil schreiend na. Haar hese stem zweeft wat onwezenlijk tussen de gewelven: "Vergeet me niet hé? ... Ik wacht op jullie hoor... " Een dikke traan, als een schrijn vol hunkerend verlangen, bungelt onzeker tussen de groeven van haar wangen. Wat verloren kijkt ze doelloos rond in het haar vertrouwde kapelletje. Tastend naar haar paternoster, verstilt haar blik op het versteende grafschrift. Dan droogt ze haar tranen met de resten van de papieren zak. "Zorg jij nu maar goed voor m'n kleine meid, lieve jongen.”

 

V

         De kralen van haar rozenkrans gleden geduldig ritmisch tussen haar vingers. Een prikkelende geur vulde de ingesloten bezwete lucht van m'n kamer. Ze sloeg haar ogen op, schonk me een zachte glimlach en haalde het washandje tevoorschijn. 
"Tjonge, wat heb jij een hoop geijld zeg! Maar je ziet er nu al heel wat beter uit. Wil je een slokje water?

Nog een beetje beverig dronk ik gulzig uit het glas dat ze mij voorhield. Ze had m'n zolderkamer veranderd in een doolhof van waslijnen waarover ze keurig Hegel, Sartre, Nietzsche, Heidegger en nog een stuk of wat andere filosofen had gedrapeerd, die nu allen broederlijk naast elkaar hingen uit te lekken. Russel zat dicht geplakt tegen Kierkegaard aan, die wijd open en ongegeneerd collaboreerde met de aan flarden gedeukte Kant. 

Ze zag m'n blik in de richting van de fles ammoniak gaan. 
"Sorry, maar ik kon geen vlugzout vinden, zie je.

Het droombeeld van de oude vrouw schoot me glashelder voor de geest. Het was of ik haar gezicht in dat van Saartje herkende.
"Ik heb raar gedroomd Saartje. Van een oude lieve vrouw. Alsof het je oma was. Ik zou haar graag eens tegen komen.

Haar hand met het glas stokte. Een gulp heerlijk fris water vloog recht in m'n gezicht. 
Ze keek me bevreemd aan en sloeg haar ogen neer. "Oh, sorry, maar ik dacht dat ik je het verteld had. Ze is veertien jaar geleden gestorven, weet je.
Ach ja, wat stom van me... 

Als om haar gedachten opzij te zetten, viste zij een handdoek uit de rommel van m'n kast en begon resoluut m'n gezicht te betten. Ik kreeg een hoofd als een pompoen toen ik plots het gastendoekje herkende wat ik de dag ervoor in een overmoedige bui van 'je weet maar nooit' had gekocht. 
"Dank je, het zal wel lukken .. eh, ik bedoel... ik ben al droog... allé heu... " 
Ik klapte vlug m'n mond dicht: ik maakte het toch alleen maar erger en trachtte de draad weer op te pikken. Waar waren we ook gebleven? M’n kletsnatte boeken… Ons judoka-versiepartijtje op straat… O ja, het ongeluk!
Is het jongetje ongedeerd?”, vroeg ik haar. 

Ze keek me bezorgd aan. 
Welk jongetje dan?”, vroeg ze me zachtjes en kneep lichtjes in m’n hand.

Wel, dat kind met z’n bruine gescheurde kleertjes, hij had groene ogen...
Ik voelde me nog steeds wat duizelig en vervolgde: "Ik zag hem daarstraks nog bij een verlaten huis met zo’n ouwerwets tulpenbehang... 
Ik wankelde uit m’n bed en verdween op handen en voeten tussen de filosofen en de rommel op zoek naar m'n broek die ik de avond tevoren kletsnat had uitgestroopt. 
Hij had daar een visitekaartje achtergelaten, geloof ik.
Ik gaf haar het verfrommelde, haast onleesbaar geworden vochtige kartonnen kaartje. 

Haar altijd vrolijke gezicht werd heel stil. Minutenlang draaide ze keer op keer het kaartje om en om. Zij scheen alles te vergeten en weg te drijven op een eiland van lang vervlogen herinneringen. 
Na een lange tijd sloeg ze haar ogen op en keek me aan met een diepe weemoed in haar blik. 
"Ik moet je iets opbiechten... ", begon ze aarzelend. 
Op slag voelde ik me ongemakkelijk worden. Ik moest terugdenken aan dat patertje in de kerk. 
Haar stem klonk monotoon en verdrietig. 
"M'n oma is niet écht dood, zie je... Ze zit nu veertien jaar in een rusthuis en herkent sindsdien niemand meer.

Waarom had ik toch ook naar haar gevraagd? Ik had m'n tong wel kunnen afbijten. Nu zat ze daar treurig voor zich uit te staren. 
"Het spijt me Saartje. Ik wou je niet kwetsen... 

"Het geeft niet... "
Haar verdrietige blik kreeg haast ongemerkt een raadselachtige onderzoekende uitdrukking, alsof ze mij trachtte in te schatten. 

"Kom," zei ze gedecideerd, "kleed je aan. Ik moet je wat laten zien", en stilletjes vervolgde zij meer tegen zichzelf: "... hoewel ik uit al je geijl het rare idee heb gekregen dat je al een heleboel weet.

VI

         De frisse ochtendlucht buiten deed me deugd. De wandeling was kort, maar met m'n arm om haar schouders ('om me steun te geven', had ze zélf aangeboden), voelde ik me vederlicht en na een paar straten bulkte ik weer van overmoed: ik was in staat haar te dragen tot in Santiago de Compostella. 

Na een eindje sloegen we een straathoek om. 

Ik hield haar bruusk tegen, haar schouders strak omklemmend. 

Vóór ons lag het pleintje... De ochtendzon zette het bladerdak van de platanen in brand. M'n benen voelden plots slap aan en zwaar steunend op haar, stapte ik behoedzaam in haar Oma's voetsporen, voetje voor voetje, blindelings langs de huizen, voorzichtig over de stoeprand, het zwarte asfalt betastend alsof het dun ijs was, en dan naar het midden van het pleintje waar het klokketorentje van de kapel zwart afstak tegen het verblindende licht van de opkomende zon. 

Begeleid door het eerste vroege klokkengelui duwden we de zware deur open. Saartje bleef buiten wachten. Ze keek me na met een traan in haar zinkende ogen. Een helwitte angst dreef me naar de arduinen gedenksteen. Er was een vaas op neergezet met een verse bos tulpen erin. 

Tom

7 oktober 1977 – 2 oktober 1981

Heel even, als een motje,
vloog je middenin het licht

Ik zakte door m'n knieën en staarde een eeuwigheid naar het grafschrift. Twee oktober: de dag der beschermengelen, vandaag veertien jaar geleden. 

Saartje kwam stil bij me staan en streelde m'n haren. Haar zachte stem zweefde bitterzoet door het kapelletje. 
"Zie je... Tom was m'n tweelingbroertje… Het was een verkeersongeluk. We hadden al kadootjes gekocht om onze verjaardag te vieren... M'n oma werd kort daarop gek van verdriet. Ze heeft ons zowat opgevoed, weet je. Ze moest opgenomen worden in een tehuis. Sindsdien zet ik hier elke week een bos bloemen. M'n oma hield van tulpen, maar dat wist je al hé?"

Ze haalde de rozenkrans uit haar tasje en liet de kralen liefdevol voorzichtig tussen haar vingers glijden. 
"Ze hebben al haar spullen verkocht toen ze naar het tehuis moest. Alleen dit heb ik weten te redden."

Buiten gekomen betastte zij met tranen in haar ogen de kartonnen scheurtjes in het visitekaartje. 
"M'n broertje had net geleerd z'n naam te schrijven.
Ze lachte wat afwezig. 
"M'n oma lachte er altijd om: hij schreef de letters altijd gespiegeld. 'Ons Motje is al een hele kerel!', zei ze me dan... God, wat hielden we alle drie van mekaar. Hij was als een beschermengel voor ons: als ik ruzie kreeg met een vriendje, sprong hij altijd voor me in de bres.
Met een verloren blik pinkte ze een traan uit haar ogen. Ze haalde huiverig diep adem. 
"Ik hield zoveel van hen, en nu... "

De adem van haar stem verkruimelde in de frisse ochtendlucht. Dodelijk vermoeid zakte haar hoofd stilletjes weg tussen haar schouders. Stil bleef ze blind voor zich uitstaren.
Er vloeide iets wezenlijks weg uit haar ogen, alsof ze van binnenuit verschraalde tot een zielloze lege schelp. Overweldigd door haar wezenloos verdriet, nam ik haar in m'n armen en streelde wat onbeholpen haar ijskoude wangen. Haar gezicht verstarde onder m'n aanrakingen. Langzamerhand voelde ik gans haar lijf stijf en stram verstenen tot een gevoelloze afstandelijke klomp.

Met een ruk, gooide zij haar hoofd in de nek, en keek me strak aan met wijd opengespalkte ogen. Haar blik sloop diep in me rond als een hongerige kat, spiedend op jacht naar een makkelijke prooi. Een ijskoude zucht, als een kille begeerte, lekte uit haar holle mond, trok me weerloos naar binnen en fixeerde me lijmerig aan een klein secreet dat eenzaam lag weg te rotten in een afgestorven vergeten plek van haar ziel... een naamloos nietig krengetje met twee roerloos gapende kinderoogjes, catatonisch ingepopt op een voor eeuwig afgesloten katafalk.

Een kille bries streek rillend langs m'n nekvel. Ik merkte dat ik nog steeds machinaal haar wangen streelde. Onthutst en tot in het diepst van m'n wezen geschokt, trok ik m'n handen met een ruk van haar af. Een spuwende vloek wrong zich een weg naar boven. Met m'n volle kracht gaf ik haar een klap in haar gezicht. Verbijsterd zag ik haar de straat op tuimelen. 

Zwaar ademend bleef ze nog even liggen en kroop toen houterig recht. Zonder achterom te kijken, stak ze het pleintje langzaam over, klein en tenger. Het kartonnen kaartje dwarrelde achteloos uit haar losse vingers voor ze doelloos verdween achter de hoek van een zijstraat. 

Als gevangen in de droom die ik daarstraks nog had, voelde ik m’n eigen realiteit verder opensplijten tot scherven waarin ik mezelf gefragmenteerd in terugvond en herinnerde me m'n droom: ‘Volkomen kapot, m'n ziel uitgerafeld tot op het bot, zeig ik kokhalzend neer op één van de groene stadsbanken. Vanachter m’n loensende vingers kijk ik als een vreemde toe hoe ik mezelf terug aaneen tracht te rijgen...’ Gebeurde dit nu écht? Verwoed probeerde ik me los te rukken uit diezelfde nachtmerrie die me nu als een drenkeling omsloot.

Op de plek waar ik haar tegen de grond had geslagen, lag haar rozenkrans. Wanhopig staarde ik naar de straathoek waar ze was verdwenen, in de absurde hoop haar guitig lachend gezicht weer te zien opduiken. 

Met de rozenkrans en het kaartje in de hand holde ik haar achterna, de ene lege straat doorkruisend na de andere, radeloos haar naam schreeuwend, tot m'n stem verstomde in een hees en schor gejank.

De stad werd stilaan wakker. 
Bedelaars verdwenen in de zonet geopende metrostations, gevolgd door haastige netjes geklede en pas geschoren mannen, fris ruikende dames, de weg kruisend van de nachtwerkers met hun vermoeide stoppelbaardblik; allemaal beenden ze langs me heen op weg naar hun dagdagelijkse bezigheden. Allen volgden ze een vast omschreven doel.

Versuft en verloren bleef ik staan, midden op het voetpad. Het leek me een vreemd lege wereld. Het was of ik het gewemel rond me vanuit een glazen kooi bekeek. Geen mens merkte me op. Het ticket van je bestemming was je bewijs van identiteit. Zonder dat had je geen reden van bestaan. 


VII

        Uitgeput viel ik het eerste het beste café binnen. Een ouderwetse deurbel schelde hard en kort. 'Toch iets dat op m'n persoontje reageert', bedacht ik opgelucht en trillend op m'n benen zakte ik neer op de kapot gescheurde leren bank bij het raam. 

Saartje was spoorloos verdwenen, een vreemd lege plek achterlatend in m'n verhakkelde ziel. Slechts de rozenkrans en het visitekaartje staarden me stom aan vanop het oude doorkerfde tafelblad. 

Een melkglazen deur, met in gouden plaklettertjes 'PRIVÉ' erop, ging achterin het verlaten café open. De waardin, een goedgemutst mens van gezegende leeftijd, kwam nieuwsgierig op me toe. Zwijgend bekeek ze me grondig. Van kop tot teen onderwierp ze me aan een openhartig onderzoek. 

Op ieder ander moment zou ik dit ervaren als een regelrechte aanslag op m'n privacy, maar nu deed het me ontzettend deugd: iemand had belangstelling voor me en dat was iets wat ik op dat moment broodnodig had. Algauw lag m'n hart op m'n tong: m'n verdriet, m'n ondraaglijke schuldgevoelens, m'n intens verlangen naar m'n gebroken liefde... dat alles zou ik toevertrouwen aan haar bekommerde blik. 

"Ik bedoelde het zo niet," begon ik stotterend, "ze was zo lief en toen kreeg ze zo'n rare blik en toen... 

Haar vragende blik bemerkend, besefte ik dat een iets beter gestructureerde aanpak wel op z'n plaats was, anders zou het arme mens er geen jota van snappen. Ik was voluit m'n gedachten aan het terugspoelen, toen zij me met een krakend stemmetje vroeg: "Excuseert zulle, maar ik hoor niet goed. Wát moest ge drinken?"

Ik was net toe bij het begin van m'n zielig verhaal en met m'n mond reeds open keek ik haar even niet begrijpend aan. 

‘Ja, natuurlijk’, bedacht ik, 'ik zit hier gewoon in een stom duivencafé en dat mens is simpelweg doof geworden van alle kletspraat die gedurende jaren in haar oren is gemangeld door zulke verlopen figuren zoals ik.' 

Ze vatte m'n blik verkeerd op. 
Wat dat ge moest drinken, vroeg ik!", herhaalde ze nu luid. Misschien dacht ze dat ik ook wat doof was. 
"Heu... een roze Fristi graag", mompelde ik, waarbij ze zich voluit concentreerde op m'n lippen. Klaarblijkelijk waren haar ogen ook niet meer wat ze geweest waren, want in plaats van met een -roze Fristi- kwam ze terug met een -grote whisky- die ze voorzichtig voor m'n neus zette, tussen de rozenkrans en het kartonnen kaartje in. 

Terwijl ik geld zocht, merkte ik dat er iets aan haar haperde: haar blik ging van het kaartje over het glas whisky naar de rozenkrans en terug, alsmaar weg en weer. Ik vroeg me af of zij zich in haar seniele geest één of andere tenniswedstrijd herinnerde. Na een tijdje was het klaarblijkelijk setbal en keek ze mij vorsend aan, een tikkeltje wantrouwig. Alsof ze mij als scheidsrechter verdacht van steekpenningen te hebben ontvangen, vroeg ze me gebiedend: “Hoe kom je daaraan?"

Haar kromgebogen rug rechtend, richtte zij haar koude blik op me en duwde daarbij ongemerkt het tafeltje tegen m'n buik aan. Ze had me gestrikt als een opgejaagd konijn. 
Ik haalde diep adem. 
"Ik kan het allemaal uitleggen... ", begon ik zwakjes. 

Oh shit! Wat zat ik hier nu weer te bazelen! Ik was het plots hartgrondig beu, voelde me hondsmoe, uitgeblust, en reddeloos verloren... en nu wou die seniele potdove kol me nog even op de rooster leggen!

Haar hand reikte naar de rozenkrans. Vliegensvlug griste ik het ding van tafel. 
"Blijf daar af! Het is van Saartje!", schreeuwde ik haar woedend toe. 

Haar strenge uiterlijk veranderde als sneeuw voor de zon. 
"Dat weet ik wel", zei ze zachtjes, me goedmoedig aanblikkend met een mysterieus glimlachje rond haar begrijpende ogen. 

Voor me stond een vriendelijk, ontvankelijk, oud en wijs medemens. Ze schonk me het verlossend gevoel alsof ik in die ene korte tirade heel m'n ziel binnenstebuiten had gekeerd. Ik keek haar dankbaar aan. Toen draaide ze zich om en verdween langs de melkglazen 'privé'-deur. 

Ik bekeek de gouden lettertjes met afgunst. Zoiets had ik nu net nodig zie: een kamertje waar je alle warboel, al het wereldverdriet kon buitensluiten. Een gelukskamertje als het ware.
Het geluid achter de deur van een doortrekkende shassebak maakte me duidelijk dat de dingen niet altijd zijn wat ze lijken.

Dat was dan meteen ook ongeveer het enige wat ik uit de voorbije gebeurtenissen had kunnen opmaken. Ik begreep het allemaal niet meer. Stilletjes aan verloor ik m'n gevoel voor gewone gezonde realiteit. Was ik gek aan het worden? Het bewijs lag immers voor me op tafel: het kartonnen visitekaartje... Hoe kon ik in 's hemelsnaam dat jongetje hebben gezien dat veertien jaar geleden was omgekomen? Hoe bestond het dat ik mezelf tegenkwam vanuit m'n eigen dromen?

Peinzend nam ik het glas whisky in de hand en bekeek nieuwsgierig het gouden duivelsdrankje. 
'Vooruit dan maar', dacht ik, 'voor alles moet een eerste keer zijn' en omzichtig nam ik een slokje, waarop m'n verbrande keel prompt in een krampachtige hoestbui schoot. Het leek wel alsof de whisky langs m'n ogen naar buiten spoot: de tranen stroomden er in beken uit. 

Iemand klopte me zachtjes ritmisch op m'n rug. Toen ik eindelijk bedaard was, merkte ik dat ze naast me was komen zitten.
Op tafel had ze een grote, tot op de draad versleten, fotoalbum gelegd. Talmend bij elke bruin verkleurde foto, draaide zij de dikke bladen om en om, waarbij ze telkens voorzichtig de dunne witte schutblaadjes knisperend gladstreek. Weinig geïnteresseerd bedacht ik dat ze vermoedelijk voor elke toevallige verdwaalde klant, zoals ik, hetzelfde fotoalbum boven haalde. 

"Hier," zei ze, haar benige wijsvinger uitstekend naar een foto van het café, getrokken vanop straat. "Hier zijn ze: Saartje en Tom, God hebbe zijn ziel.
Twee hummels van een jaar of vijf poseerden voor de camera en keken me vrijpostig lachend aan. Saartje had een jurkje aan met een tulpenmotiefje en omschouderde haar tweelingbroertje Tom die, zoals bijna alle kinderen, bolle wangetjes had, maar in de verste verte niet geleek op het jongetje dat ik gisteren gezien had bij het tulpenhuis. 

Gebiologeerd staarde ik naar het plaatje. Ik keek haar verwonderd aan. 
''Hoe kom je daaraan?", vroeg ik haar beduusd. ('Take two', schoot het door m'n verwarde hoofd). Ze hoorde me natuurlijk niet. Afwezig staarde ze naar het kaartje en de paternoster. 

Ik begon dan maar zelf te bladeren in het album in de hoop nog een kiekje van hen te ontdekken. Stuk voor stuk waren het allemaal foto's van het staminee. Blijkbaar was er sinds jaren niks veranderd aan de inrichting, van de toog tot zelfs de trofeeën op de wandplank. Ik durfde erom te wedden dat de aftandse jukebox achterin het café nog precies dezelfde singeItjes draaide als in ‘de tijd van toen': alles zag er nog net eender uit. Alleen was alles, samen met de foto's, verbruind en verkreukeld geworden, oud en versleten. 

Toch straalde het café iets tijdloos uit, een anachronistisch eiland binnen het 20ste eeuwse atoomtijdperk. De eerste foto's toonden een gezellige wanordelijke drukte van stamgasten die lachend proostten naar de camera. Naarmate ik verder bladerde, veranderden de vele habitués in enkele bejaarde kroeglopers. 
Ik kreeg het dwaze gevoel dat de laatste foto een totaal verlaten en lege kroeg zou tonen, op een zonderling koppel na, door de tijd uit elkaar gekliefd, zittend naast elkaar op de bank bij het raam. Zij, starend naar enkele roerloze relikwieën; hij, bladerend in een onwaarschijnlijk oud boek. 
Een vluchtig stilleven, balancerend op de grens naar een ontslapen verleden. 

Van Saartje of Tom vond ik geen enkele foto meer terug. Ik sloeg het boek bijna dicht toen me iets opviel aan de laatste foto. Ik wist eerst niet goed wat me zo bekend voorkwam: het was een kiekje getrokken van in het café. Het moest zomer geweest zijn want de buitendeur stond uitnodigend wagenwijd open. Op het raam stond kunstig in een halve boog de naam van het café geschilderd: ‘Chez José’. Fonetisch gezien een curieuze naam, vond ik. Ik probeerde hem even binnensmonds uit, maar de ‘sj' in 'José' bleef ergens halverwege m'n tong sjoelbak spelen. Voorzichtig nipte ik nog even van m'n whishky en trachtte m'n ogen terug scherp te stellen op de ondertussen ietwat wazig geworden foto. Ik tuurde verwoed naar het midden van het plaatje, me afvragend hoe in dit antieke album een driedimensionale foto was tussengeslopen. 

Even schoten de beelden over elkaar, en daar zag ik het: aan de overkant van de straat... 



VIII

        Met een ruk draaide ik m'n hoofd en keek naar buiten: daar, pal tegenover het staminee, stond het tulpenhuis... en op het trapje, leunend tegen de gebarsten deur, zat Saartje met het bolle-wangen-jongetje op haar schoot en keek me huilend aan. 

Ik schoot als een raket naar buiten en stond het volgend moment haar schoorvoetend en smekend aan te staren met een pijnlijke mengeling van schaamte en hunkering.

Ik kon geen woord over m'n lippen krijgen en ging naast haar zitten. Het jongetje sliep, met z'n duim in z'n mond, z'n gezichtje tegen haar boezem aangedrukt. We keken elkaar schreiend en doodmoe aan. Met haar ene vrije arm trok ze me naar zich toe. Hakkelend en snotterend wrong zij het vergif van jaren uit de donkerste plekken van haar ziel. "Weet je, toen m'n broertje omkwam en m'n Oma me zelfs niet meer herkende, werd ik zelf haast gek van eenzaamheid. Ik begreep er geen snars van. Van het ene moment op het andere waren we alle drie van elkaar gescheiden en er was niemand meer die van me hield. Ik denk dat m'n Oma eigenlijk naar Tom wil. Op één of andere manier wou ik dat ze dood ging: het lijkt me dat zij ons dan alle drie terug bij elkaar zal brengen. Maar zoals ze nu is, zó houd ik het niet lang meer vol.
We hielden elkaar innig vast en wiegden samen zachtjes heen en weer. 

Het bolle-wangen-jongetje werd geeuwend wakker, kreeg me plots in de gaten en maakte zich als de bliksem uit de voeten. Peinzend keek ze het broekventje na. Ik keek haar vragend aan. 
"Ik dacht dat hij... wel ik droomde dat... eh... Ik bedoel, wie is dat jongetje eigenlijk?"

Haar stem kreeg een warme beschermende klank. 
"Z'n naam is Bram, tenminste, dat wist José van 't café me toch te vertellen: hij heeft nog nooit een woord tegen me gezegd. Ik denk dat hij een beetje op de dool is. Hij heeft hier enkele maanden gewoond, maar doordat de deurwaarder hun steeds op de hielen zit, moeten ze om de haverklap verhuizen. Hij heeft al op een tiental adressen hier in de buurt gewoond en soms raakt hij de kluts kwijt. Ik heb hem op een avond hier eens gevonden, zoals jij gisteren. Ik ben zowat de enige aan wie hij zich een beetje hecht, misschien omdat we hier in hetzelfde huis hebben gewoond.

"En dat kaartje dan?", vroeg ik haar. 

Ze keek me alweer lachend aan. 
"Ja, jij moest vast gedacht hebben dat het hier spookte, hé? M'n broertje had een massa van die kaartjes, gekregen van ons Oma. Nadat ze op pensioen ging, had zij ze toch niet meer van doen. Zowat elke dag gaf Tom één van die kaartjes terug aan ons Oma, met z’n naam in spiegelschrift en drie kruisjes erop gekrabbeld. Ik denk dat m'n Oma het niet over haar hart kon krijgen ze weg te gooien en ze dan maar ergens onder een plank of zo verstopt heeft... tot dat joch ze blijkbaar heeft teruggevonden. Hij heeft er altijd wel een paar van op zak.

Alles viel op z'n plaats. Ik begroef m'n gezicht in haar haren. Ze draaide haar hoofd en gaf me snuffelend een vluchtig kusje op de mond. 
"Mmm... daar ben ik ook wel aan toe. Was alles op?

Ik had moeite om nog te blijven zitten, laat staan dat ik begreep waar ze het over had. 
"Sta op," zei ze me, "ik wil je niet nog eens een tweede keer op m'n rug dragen. Kom mee, José zal het wel begrijpen, ik ken haar al van kindsbeen af."

Ik volgde haar gedwee het café terug binnen. Met een déja-vue voor m'n ogen, struikelde ik haast over de trappen die er deze keer niét waren. 'Gered door de bel', bedacht ik dwaas, toen de deurschel hard en kort voor de tweede maal die ochtend door m'n oren hamerde. José zat alweer op 't privé, zo te zien. Saartje zat al op de bank bij het raam te genieten van m'n whisky. 
"Kom er nog even gezellig bij zitten", nodigde ze mij uit. "Wist je dat je nog steeds je naam niet hebt verteld?" Ze bood me het glas whisky aan. Na enig getwijfel en wat weg en weer gezoek, zette ik het glas stoer aan m'n lippen en dronk er met volle teugen van. Ik wist dat ik het kon! 

Wat had ze mij ook alweer gevraagd? Oh ja, bedacht ik, m'n naam, wat onbeleefd van me! 

"Sj... Sj... " Ik kreeg het er onmogelijk uit. 
"Charel?", stelde zij voor. 
Ik knikte heftig van nee. 
"Jean of Jacky misschien?" probeerde ze, “Je mag het zeggen hoor!"
Ze kon haar lach nauwelijks inhouden toen ik alweer begon te lispelen. 
"Toch niet Sjorsj of Sjimmi?", vroeg ze, waarbij ze een gesmoorde lachkramp nog net kon onderdrukken. 

Ik keek haar verongelijkt aan. 
''Niet doen Sj... Sjaartje," en zoekend naar een concentratiepunt, pakte ik haar hand beet, neep er in en zei met m'n ogen dicht: "... Sj... Sjam!"
Zó, dat was eruit! Ik bekeek haar triomfantelijk. Ze had van die grappige walletjes onder haar ogen. 
"En gaan we nu sj... sjlapen?

Dit was haar duidelijk te veel: ze schaterde het uit. 
"Kom," lachte ze, "ik woon hierboven, dan kan jij daar je roes uitslapen, ik ben trouwens ook bekaf.
Ze trok me recht. Ik kreeg het idee dat de vloer schuin afliep en zette me al schrap, haar stevig omklemmend om te beletten dat ze er niet af zou donderen. 

"Ik... ik moet nog even... ", m'n ogen dwaalden het staminee door, "... naar het geluksjkamertje.
De ‘afhellende’ vloer hielp een handje in de goede richting, en voor ik het wist stond ik oog in oog met José van 't café in 't PRIVÉ. Ik beantwoordde haar geschokte blik met een verontschuldigend schouderophalen en trachtte de gepaste woorden te vinden om me waardig uit deze hachelijke situatie te redden.

"Sj... sjorry sjosjé... ", haar netjes en welopgevoed m'n hand aanbiedend, "Ik heet Sj... Sj... "
Gans het café draaide ondersteboven. Saartje had me, gierend van het lachen, in een soort brandweergreep op haar rug gekneld, trapte de wc-deur achter haar dicht en droeg me de trap op. Terwijl het café onder me alsmaar smaller werd, draaiden m'n ogen achterstevoren en met een laatste troebele blik in m'n hersenpan zei ik de aarde vaarwel, schokkend op de rug van m'n engel, zwevend naar de hemelse jachtvelden. 


IX

        De klokradio wekte me abrupt. Gedurende de voorbije jaren had ik me de gewoonte eigen gemaakt om 's morgens vroeg, haast machinaal uit m'n bed te stappen, wetende dat ik me anders zou overslapen. Met m'n ogen nog dichtgeplakt van de slaap, begon ik dan op de tast aan het ochtendlijk aankleedritueel, orkestraal begeleid door de radio. 

Zoals elke ochtend deed ik eerst m'n pyjama uit, suffend op de rand van m'n bed. 

Deze keer klopte er iets niet: de knoopjes waren verdwenen. Had m'n mama me een nieuwe pyama gekocht? Na wat onhandig gepruts, kreeg ik hem uiteindelijk over m'n hoofd getrokken. Barstend van de hoofdpijn bekeek ik het zijige mallotige dingetje met allengs groeiende verbazing. Het was van m'n kinderjaren geleden dat ik nog in een hansopje had geslapen. Tastend naar m'n bril op het verdwenen nachttafelje verschoot ik me een bult toen een zachte meisjesstem in m'n oren kriebelde: 
"Zocht je dit misschien?

Ik zette het ding vlug op m'n neus en herinnerde me plotsklaps alles. 
Kreun... Vlug verstopte ik achter haar japonnetje datgene wat er te verstoppen viel, en draaide me schrijlings om: daar lag ze, Saartje, poedelnaakt, half onder de lakens, lui haar hoofd steunend op haar rechterhand. Ze keek me guitig aan.

Als het ware terloops vroeg ze me: "Kan ik misschien m'n japonnetje terug?”, en plaatste me daarmee in een onmogelijk dilemma. 
"Waar zijn m'n kleren dan?" bracht ik het er zwakjes uit. 
"In de was natuurlijk, of herinner je je dát zelfs niet meer?"
Gloeiend beschaamd keek ik stuurs de andere richting uit en bleef roerloos zitten. Pat! 

Ze vleide zich zachtjes tegen m'n rug aan en likte met het puntje van haar tong me kittelend in m'n nek. "Je kan natuurlijk altijd nog een jurk van me aantrekken... ", haar tong verhuisde naar m'n oorlelletjes, "of m'n negligeetje", haar lippen zogen zoentjes in m'n hals, "maar zo te zien zullen m'n slipjes wat aan de krappe kant zijn, als dát daar zo doorgaat... ", waarbij haar strelende hand zich soepel en stilletjes een weg zocht langs m'n middel en onder het japonnetje verdween... 

Deze heerlijk precaire combinatie tussen m'n benen maakte me danig van de wijs. Verlegen als een kleuter en helemaal overstuur draaide ik me confuus om. Ik bekeek haar met een vuurrode kop en raakte met de toppen van m'n vingers haar schouders aan. M'n hart bonsde haast uit m'n lijf. Pijnlijk traag tastten m'n handen haar warme zachte huid verder af. Haar tong zocht m'n lippen en gleed zoet en warm m'n mond binnen... 

- En toen gebeurde het - 

Het was de meest navrante, penibele situatie die ik tot dan toe ooit had moeten meemaken. Ik keek haar ontsteld aan. 

Zij streelde glimlachend m'n haren en keek me openhartig aan. “Het geeft niet hoor. Dat japonnetje gooi ik wel in de was en straks doen we het samen nog eens lekker over," ze bukte zich over de rand van het bed, "maar dan mag jij dit aan jóu kant van het bed klaarleggen, ok?”
Ik bekeek onthutst het lapje dat ze me voorhield. "Heu... Hoe kom jij aan m'n gastendoekje?

Blakend van onschuld wees ze achteloos met haar duim over haar schouder naar een kartonnen doos. 
"Uit die doos daar, hé.
Met een nadenkende blik bekeek ze het plafond. 
"Eens kijken, wat zit er nog zoal in," en begon op haar vingers af te tellen, "vier paar bruine sokken, drie overhemden, twáálf onderbroeken," hierbij trok ze vragend haar wenkbrauwen op, "vier T-shirts, één washandje," ze keek me terzijde aan, één wenkbrauw opgetrokken, "is dat niet wat weinig?"

Met groeiende verbazing bedacht ik dat ze bijna toe was aan de warmwaterkruik die m'n overbezorgde moeder me nog op het allerlaatste moment had opgedrongen voor ik van huis vertrok. 
Ijverig vervolgde zij het vingertelwerk op haar andere hand. "Vijf zakdoeken, één tube... "

"Hé, hó, stop! Wat... wanneer... hoe kom je daaraan?" (Jakkes! Waar had ik dat nóg gehoord?). 
Quasi verwonderd bekeek ze me nog eens nadrukkelijk onschuldig. Ze hief haar pretogen ten hemel. 

"Dat heb ik je toch net verteld, slimpie! Uit dié doos daar!"
Ik hinkte klaarblijkelijk achterop. 
"Hoezo? Heb je dan al m'n spullen naar hier gebracht terwijl ik sliep?

Zij nam m'n handen in de hare, ging adembenemend mooi, recht voor me op haar knieën zitten en keek me verwachtingsvol aan. 
"Zullen we je boeken straks samen halen? Die waren nog steeds nat, zie je. En dan je beddengoed en de rest van je keukenspullen... wel, ik ken iemand met een triporteur, zie je... en... eh, er hangt al een briefje aan de deur voor het geval er iemand je mocht zoeken... "

M'n huid gloeide nog na. Het was alweer bijna avond. De schemer vulde het kamertje met vluchtige schimmen en zette een sluier om Saartje's ogen: twee donkere spiegels, waar ik dwars door ons heen droom en werkelijkheid in elkaar verstrengeld zag. 
Het voorbije wonder bespiegelend, speelden m'n lippen onbewust haar stilzwijgend het raadsel toe: 'Waarom jij, waarom ik?.

Verbaasd merkte ik dat zij de geluidloos gestelde vraag begrepen had. Misschien had José haar leren liplezen. Zij sloeg haar ogen pijnlijk geschrokken neer en zocht blijkbaar naar woorden. 
"Omdat... Je hebt vanbinnen in mij iets wakker geschud, denk ik... iets waarvan ik dacht dat het voor altijd verdwenen of stuk was of zo... maar het is er nog steeds... gelukkig!

Het laatste kwam er met een zucht van opluchting uit. 
"Ik weet alleen niet goed wat ik ermee moet aanvangen, en het deed zo verschrikkelijk veel pijn toen... toen het me terug aankeek. Het was een beetje zoals Brammetje me soms aankijkt alsof hij zich in de steek gelaten voelt door mij."

Eerst was ik heimelijk geflatteerd: ik wist niet dat ik blijkbaar zulk een sterke uitstraling had. Maar met een plots opkomend schuldgevoel besefte ik waar ze het over had.
Smalend bedacht ik wat een uilenbal ik toch was. Ik versier het meisje van mijn dromen door haar eerst een goeie mep te verkopen waarvan ze de straatstenen optuimelt! Nota bene op haar broertjes sterfdag. Van een sterke uitstraling gesproken! 

Beneden in het café klonk hard en kort de deurschel. Verschrikt keek Saartje naar de wekker. 
"Jakkes! 'k ben alweer te laat!
Ze wipte het bed uit en verdween achter een deur in een zijkamertje. Even later ging de deur terug open. Ik schrok me een aap: er bleek al die tijd in de kamer hiernaast nóg een meisje geweest te zijn. Vliegensvlug kroop ik weg onder de lakens. In het schemerdonker kon ik haar niet duidelijk onderscheiden, maar ze was duidelijk mijn type niet: ze droeg een zwart leren broek en jekker, behangen met blinkende metalen gespen. Haar haar was kort opgestoken en ze rook sterk naar één of ander hard prikkelend parfum dat vaag iets weg had van m'n aftershave. 

Midden in de kamer bleef ze staan, maakte tot m'n stomme verbazing een pirouette en keek me verwachtingsvol aan. “Wel, wat vind je ervan?", vroeg ze. 
Met het laken opgetrokken tot boven m'n neus, sperde ik m'n ogen vanachter m'n brilletje wijd open.
"Saartje... ???"
"Ja natuurlijk! Wie anders?"

Terwijl ze zich langs het bed naar de deur van de traphall haastte, gaf ze me vluchtig een kusje op m'n voorhoofd. 
"Kom je straks ook naar beneden? Dan trakteer ik je op lekkere erwtensoep, je zult wel honger hebben. Ik moet er nu echt vandoor, anders doet José weer of ze  potdoof is en zet ze alle klanten een groot glas wihsky voor hun neus. Tot straks?"
En ribbedebie was ze. 


X

        Uit het lood geslagen kreeg ik de hoogdringende behoefte om via contemplatie en relativerende wereldbeschouwingen tot een meditatief en transcendent inzicht te komen aangaande ons kenvermogen voor a priori tot zekerheid aangenomen postulaten, die slechts kunnen leiden tot niet-categorische en als dusdanig hypothetische imperatieven, om aldus een universeel principe te formuleren dat... euh... 

Mmm, als aankomend filosoof had ik dan misschien al wel de terminologie te pakken, maar de inhoud ontging me precies nog. Nu ja, ik was het simpelweg beu om met een boterbloempje de pampa's ingestuurd te worden. 

Ik stond op en zocht in de kartonnen doos m'n kleren bijeen. Me aankledend, keek ik nieuwsgierig haar kamer rond. 

Saartje had een haast japanse soberheid weten te koppelen aan een ouderwetse gezelligheid. In een hoek van de kamer stond een laag ovalen tafeltje met sierlijk gekrulde poten. Het was bekleed met een driehoekig wit zijden sjaaltje waarvan de punten tot bijna op de vloer afhingen. Er midden op stond een oubollige kleurrijke blikken koekjesdoos met daarin een flakkerend theelichtje. De weerschijn op de goudkleurige binnenkant zette het rijstpapier tegen de muur in een zachte glans en belichtte zwakjes een oude foto van haar oma die, met de kleine Tom op haar armen, me glunderend van trots aankeek. Ik bekeek de foto van dichtbij. Natuurlijk! Het was dezelfde dame als op de foto in het tulpenhuis en leek sprekend op het kapelvrouwtje uit m’n droom. Ik kreeg het bevreemdend idee dat ze mij verwachtte... 

Op de tegenoverliggende muur, boven het bed, waren grote zwart omrande tekens gekalligrafeerd in felle harde graffiti-kleuren. Het leek wel één of andere Japanse vloek, die het kamertje in een ijzeren greep dominerend naar zich toe trok. 

De koekjestrommel en de vloek: een verloren herinnering die met een bezwering weer tot leven gewekt moest worden. Alhoewel geen van beiden ook maar enige vat op de andere scheen te hebben, hoorden ze op één of andere manier wonderwel bij elkaar. 

Op de ‘twilight-zone’ er tussenin stond het bed, met ernaast een houten piëdestalletje waar bovenop een uitbundig grote bos bloemen prijkte in een witte sierlijke vaas. Geen tulpen deze keer, maar een feestelijk bont getinte mengeling van allerlei veldbloemen, getooid met gele solidasterpluimen en appelblad. 

Ondertussen klonk beneden voortdurend de schellebel. Het gestommel en het geroezemoes in het café groeide gaandeweg uit tot een gezellige lawaaierige boel. De jukebox was ook van de partij en speelde krakend liedjes uit de jaren zestig. Af en toe kreeg ie onder grote hilariteit een dreun om een haperend singeltje terug op het juiste spoor te zetten. 

In de versleten spiegel aan de deur kamde ik vlug nog even met m'n vingers een scheiding in m'n haar. M'n stoppelbaard betastend bedacht ik spijtig dat m’n scheergerief nog op m'n kot lag. Maar met m'n gestreken hemd en broek kon ik er wel mee door. 

Ik was halverwege de trap toen ik door de glazen toegangsdeur een blik wierp in het café. 
Middenin waren de tafeltjes opzij geschoven en daar danste Saartje de Lambada, sierlijk en vol vurige trots, een feest om te zien. De muziek was haar volmaakt in het lijf gekropen. Een warme zuid-Amerikaanse uitbundige blijdschap gleed in perfecte harmonie met een uitdagende Spaanse trots. Wervelend, als in een dansende bolbliksem, zette zij met elke flitsende oogopslag het staminée in vuur en vlam. Één brok dynamiet, opgeladen met een waaier van niet te temperen gevoelens, straalde uit elke vezel van haar slanke lijf. Sprakeloos van ontroering zag ik hoe zij dit achtergebleven staminée omtoverde tot een kloppend hart, een thuishaven voor iedere welgekomen gast. Ik zwol van geluk: dit was mijn lief en daar ging ik met heel het café op klinken! Zo fier als een gieter keek ik rond in het café naar het publiek dat opgezweept het meeslepende ritme van de Lambada in kadans zette. Met schril gefluit, billegeklets en stampend op de vloer, bonkten zij er lustig op los zodat het café op z'n grondvesten scheen te daveren. Een beetje bangelijk staarde ik nog even naar... eh... hoe noem je dat soort schorem nu ook weer? Héél even bleef ik nog staan, draaide abrupt weerom naar Saartje's kamer en bekeek mezelf terug in de spiegel, deze keer een beetje paniekerig op m'n lippen bijtend. 

‘Spiegeltje spiegeltje aan de wand, hoe maak ik me het lelijkst van het land???’ 

Gelukkig had ik me nog niet geschoren, dat scheelt al heel wat... maar m'n haar zat niet goed. Even kijken... ja, gevonden! Het rekkertje rond de veldbloemen! Hoe maak je nu ook alweer een paardenstaart? Het elastiekje knapte natuurlijk, moest ik er eerst nog een knoop in leggen... Met veel ongeduld kreeg ik dan uiteindelijk toch een lok haar door het nu veel te nauwe rekkertje gefriemeld. Ik bekeek het staartje sceptisch. Het arme dingetje priemde fier de lucht in en scheen aan anorexia te lijden. Nu ja, niks aan te doen. Ik zou in ieder geval niet méér opvallen dan Heidi in de zwitserse bergen. Nu m'n hemd nog... uitschieten dat ding! Ik zocht het oudste en meest verkreukelde hemd uit, ging er voor alle zekerheid nog even op zitten, en trok daarbovenop een T-shirt aan met korte mouwen. Nu nog even die werkbroek aantrekken en het hemd er los over laten hangen. Zó! Klaar was Kees! Of misschien beter gezegd: kabouter Spillebeen. Ik moest toch nodig eens wat doen aan m'n borstomvang, of van die vierkante kaken krijgen of zo. 

Weifelend hield ik de deurkruk vast. In deze gauw in elkaar geknutselde potsierlijke outfit voelde ik me ronduit belachelijk, maar ik sterkte me aan het beeld van die freaks die ik daarnet beneden had gezien: een allegaartje van clochards, niksnutten, leeglopers... kortom van die parasitaire luizen die leven op kosten van hardwerkende mensen. Niet dat ik ooit zo'n luis had gekend, maar dankzij m'n vader wist ik precies waar ik het over had: als hij in één van z'n verbitterde buien oververmoeid van het werk thuis kwam, stak hij z'n mening over dat uitschot van de maatschappij niet onder stoelen of banken. Niet dat m'n váder ooit zo iemand had gekend. Eh, nee, dat nu ook weer niet.

Bij ons thuis ging het er altijd zeer netjes aan toe. Dankzij m'n lieve ouders kon ik nu gaan studeren. Ik had zelfs helemaal naar eigen goeddunken mogen kiezen. Eerst had ik gedacht aan geschiedenis, 'maar in geschiedenis zit weinig toekomst', had m'n vader gezegd. ‘Geneeskunde misschien?’, had ik aarzelend geopperd. Maar gelukkig wist m'n vader hier ook een afdoend antwoord op: ‘Op elke hoek van de straat zat er al zo eentje op klanten te wachten, of wou je soms in Afrika een praktijk beginnen', en 'wat te denken van die nummero klaus', wist hij te vertellen... 

Nadat we gezamenlijk elke studierichting uit de oriëntatiebrochure gewikt en gewogen hadden en stuk voor stuk door m'n vader te licht bevonden, kreeg ik een fantastische inval.
“Misschien kan je een goed woordje doen voor mij bij jou in de fabriek? Dan kan ik onmiddellijk aan de slag!” 
Hij keek me even met lede ogen aan, wendde z'n blik van me af naar de kale keukenvloer en schoof de brochure naar me toe. 
“Kies maar m'n jongen, kies maar. 't Is allemaal zo lang als dat 't breed is..” zuchtte hij filosoferend, zette z'n pet op en ging de deur uit. 
Het werd dus filosofie, alhoewel ik daar nu al niet meer zo zeker van was: het werd me ondertussen duidelijk dat deze filosoferende beschouwingen me in het ‘werkelijke leven’ geen stap vooruit hielpen. 

Uiteindelijk dreef de honger me de trap af. Het was meer dan een dag geleden dat ik nog iets achter m'n kiezen had geslagen en de reuk van erwtensoep met gebakken spek drong door tot in het kamertje. 
Beneden aangekomen kreeg ik de glazen toegangsdeur tot het café niet open: aan de andere kant, tegen de deurlijst, stond een figuur aangeleund die ze bij mijn weten slechts kunnen maken in tekenfilms, geschikt voor breedbeeldtelevisie. Zoals ie daar achter de deur stond, kon je er letterlijk niet naast kijken. Daarenboven was hij wel een kop groter dan ik en op m'n aarzelend getik tegen het vensterglas kwam geen enkele reactie. Eerst stilletjes aandringend, maar allengs harder en harder, duwde ik tenslotte met al m'n macht tegen de deur. Het was net of ze op slot zat: er was geen beweging in te krijgen. Er stond geen stoel in het trapgangetje of iets anders waar ik op kon klauteren... Dan maar springen, in de hoop een glimp op te vangen van Saartje. Al vlug moest ik constateren dat die gespierde borstomvang en dito kaken er pas zouden komen als ik eindelijk eens wat aan m'n conditie zou werken. Hijgend, scheel van de honger en met steken in m'n zij van m'n vruchteloos gehuppel, hing ik daar tegen de deurpost aangeleund, wanhopig starend naar die onverzettelijke klomp vlees aan de andere kant van het venster. Het leek wel een misplaatste lachspiegel. 

Wacht es even! Misschien zat die deur inderdaad wel op slot. Zou kunnen... eens even kijken, misschien zat de sleutel wel langs de andere kant in het sleutelgat. 
Na enkele momenten, met één oog dicht door dat donkere tunneltje te turen, kreeg ik ineens vrij zicht in het café. Vanuit m'n gebukte houding keek ik op en zag recht in twee veel te kleine oogjes die zowat schuil gingen achter vetlobben die naar beneden toe eerst overgingen in een driedubbele kin en dan in twee uitpuilende hangborsten. Hoe het heuvellandschap dááronder verder ging, had ik, althans met wat meer licht, daarnet misschien kunnen ontdekken door het sleutelgat. Aan de vermenigvuldiging van haar voorhoofdswallen merkte ik dat zij fronsend aan hetzelfde scheen te denken. 

Zij rukte de deur met zulk geweld open dat de klink, waar ik me aan vasthield, het begaf. Met haar vette vingerworstjes klauwde ze m'n paardenstaartje vast en hees me haast van de grond, zodat ik trippelend op de tippen van m'n tenen, het triomferend vrouwmens mee moest volgen naar het midden van het staminée waar ze mij tentoonstelde als een geslachte kip. Er steeg een honend gelach op toen ik het haast uitgilde van pijn in m'n uitgerekte nek.

Abrupt viel er een doodse stilte, macaber geaccentueerd door een krakend singeltje van The Doors, ‘The Alabama Song’, dat ergens bleef steken op de tonen van ‘I teIl You we must die’.
Het oermens kreeg het klaarblijkelijk plots op haar heupen, of wat daarvoor moest doorgaan, en keilde me onder een tafeltje, waar ik doodsbang zo ver mogelijk onder weg kroop en schichtig in het rond keek, halvelings verwachtend dat alle blikken gretig op mij gericht zouden zijn. 

Wat ik in de plaats daarvan zag, tartte elke verbeelding: Saartje stond met wijd uitgestrekte benen, laag tegen de grond, haar handen als klauwen voor zich uit, het gezicht vervormd tot een kil wreed masker, haar ogen als twee stukken ijs dodelijk accuraat gericht op het corpulent creatuur dat zenuwachtig van links naar rechts blikte en langzaam achteruit waggelde. Saartje volgde haar als een sluipende kat, klaar om haar prooi in één sprong af te maken. Het vrouwmens begon zielig te trillen als een gelatinnepudding en kreeg warempel tranen in de ogen. 

Plots stond José daar, tussen hen in, en hield Saartje's hoofd zacht tegen haar zwarte schort, sussend haar naam aanhalend, als had ze het tegen een klein kindje dat bang was in het donker. De dodelijke kracht in haar uiterst gespannen lijf begon heel langzaam weg te ebben, tot ze tenslotte met nog slechts een diepe verachting in haar blik rechtop stond. Traag en kalm stapte zij op het trillende schepsel af, die hoog boven haar uittorende. In één vloeiende beweging greep Saartje naar de rechterpols van haar slachtoffer en wrong haar vingers open. 

Perplex zag ik wat zij in haar hand geklemd had: m'n paardenstaartje! Pas toen drong de stekende pijn op m'n hoofd tot me door: ze had me zowat gescalpeerd! Er lekte een warm straaltje bloed langs m'n oor de vloer op. Saartje hield met één hand de rechterduim van de groteske vrouw in een ijzeren klem en dwong haar op de knieën. Ze bracht haar gezicht tot vlak boven het hare. Haar stem klonk hees fluisterend. 
''Wel, komt er nog wat van?"

Ik begon beverig te zweten. Dit had verdomme lang genoeg geduurd! Dat ze er in 's hemelsnaam mee stopte! De spanning in het café was te snijden toen het meelijwekkend mens haar ene vrije arm naar haar eigen hoofd bracht en er zelf, gillend en in één korte ruk, een pluk haar uit trok waar m'n magerzuchtig paardenstaartje jaloers op kon zijn. Het bloed vloeide in golven over haar kermend gezicht. Het leek wel of ze gedraineerd werd. 

Plots gaf iemand een klap tegen de haperende jukebox en brak daarmee de hypnotische hoogspanning waarmee de kroeglopers gebiologeerd naar het tafereel staarden. Een oorverdovend gejoel, gevloek en getier steeg op. 
"Gooi dat olifantenbeest eruit, Snaar!"
"Maak ze af, Snaar, steek die varkenskop haar vissenogen uit!" ... 

Dit – was – te – veel.
Bloedend als een rund klauterde ik wankelend terug op m’n benen en ramde mezelf blindelings een weg naar buiten, snakkend naar frisse lucht. De jukebox vond het allemaal geweldig en dramde lustig verder: ‘Show me the way to the next wihsky bar...‘ jengelde het ding nog in m'n oren toen ik happend naar adem de straat over vluchtte, de nacht in, weg van dat gedegenereerd hol. Met m'n ogen half dichtgeplakt door een mengeling van bloed, snot en tranen viel ik algauw ergens blind en snikkend neer op een deurdrempel. 

Nauwelijks een dag geleden dacht ik alles meegemaakt te hebben wat je als normaal mens ook maar mogelijkerwijze kón meemaken. Maar dit?
De tranen wilden niet komen. Stilletjes kapselde ik me in en keek blind voor me uit. Ik sloot alles buiten. Niks kon me nog raken. Ik nestelde me in een vormeloze cocon, dood van binnen en van buiten.

XI

        Ik merkte nauwelijks dat er iemand naast me was komen zitten. Het was Bram. Hij kroop dicht tegen me aan, stak z'n duim in z'n mond en sliep al, nog voor z'n hoofd m'n schoot raakte. Het bloed lekte nog steeds uit m'n hoofdwond en maakte kleine vuurrode spettertjes op z'n bolle wangen. Het is verbijsterend wat een uitwerking zulk klein hoopje kind op je gemoedstoestand kan geven, met geen gedicht of cliché te beschrijven. Ik omarmde het joch en begon stilletjes te wenen, leunend tegen de deur... die door ons gezamenlijk gewicht langzaam open zwaaide. Ik tuimelde achterover het huis in met Brammetje snurkend op m'n buik. De straatverlichting scheen zwakjes op het tulpenbehang… Saartje’s huis... 

Met m'n hoofd ondersteboven keek ik in het gezicht van een breedgeschouderde vent, die blijkbaar de deur van het slot had gedaan. Vagelijk wekte hij antipathieke gevoelens bij me op.
Ach, wat zou het. Het kon me allemaal niks meer schelen. De wereld mocht ontploffen. Ik lag hier goed. Het zachte gesnurk van Brammetje bromde lekker in m'n buik. Ik hoopte eigenlijk dat die kwast, die achter me stond, ons zou negeren. Ik wou enkel nog, samen met Bram, m'n ogen dicht doen en slapen. Hij keek me even peinzend aan. 
"Kom, je ziet er niet uit. In de kamer hiernaast staat een bed en is er water. Dan kan je die lelijke wond even uitwassen.

Plots herkende ik hem. Het fotootje in Saarte’s tasje: Hans, die van de Maretak. 
Ik trachtte me recht te duwen en kroop zwijmelend over de vloer terug naar de deurdrempel. Als ik al iemand wou zien, stond hij wel als laatste op m'n verlanglijstje. Onbewust probeerde ik Brammetje mee te trekken: hij hoorde bij mij. 

"Hé, je hoeft geen schrik van me te hebben, ik zal je echt niks doen, hoor! Als je iets wil eten of drinken: hiernaast ligt brood en kaas en een flesje wijn.
Hij stak een helpende hand uit. 
"Kom, ik zal je recht trekken.
Ondertussen plukte hij moeiteloos Bram uit m'n armen en droeg hem hoog tegen z'n schouder aan. Het ventje merkte niks en sliep als een engel. Hij pakte m'n arm beet, bukte zich een beetje en tilde me van de grond. In de lucht bengelend bedacht ik ontmoedigd dat, sinds ik vanaf gisteren als een grote jongen zogenaamd op m'n eigen benen stond, dit nu al de derde keer was dat iemand met me rond zeulde. 
Maar ik was te ver heen om me daar nog druk over te maken. Zet iemand op hongerrantsoen, pak hem z'n allerliefste lief af, gooi z'n leergierige idealen overboord, scalpeer hem, en je houdt nog een gedemotiveerde lege zak over die wat hangt te bungelen in het luchtledige.

In de achterkamer aanbeland, legde hij me neer op een matras en schoof het ronkend Brammetje terug tegen m’n buik. Toen sloot hij de deur en knipte het licht aan. Met een washandje dat hij boven de gootsteen uitspoelde, depte hij zachtjes de wond schoon. 
"Dikke Mik had je lelijk te pakken hé! Ik heb alles zien gebeuren. Vanuit de voorkamer kan je recht het café inkijken, zie je.
Hij keek me onderzoekend aan. 
"Ken ik jou niet ergens van?"

Lap, daar had je het! Straks schopte het jaloerse ex-lief van Saartje me het bed weer uit. 
"Eh, neen... dat geloof ik niet. Ik ben hier nog maar sinds gisteren."
"0 ja, nu weet ik het weer! Gisteren: je kwam een karrevracht boeken bij me kopen in de winkel.
Hij kreeg een professionele nieuwsgierige blik in z'n ogen. "En, heb je er al van genoten?
Dit beloofde een interessant gesprek te worden. Misschien moest ik er eerst zélf een boek over schrijven, dan kon hij er misschien van genieten. 
Ik mompelde dan maar "Auw!" en betastte voorzichtig m'n hoofd. 

Hij begon terug m'n hoofd te deppen met het washandje en gaf me een glas water met een pijnstiller. 
"Je hebt geluk gehad, jongen. 'k Heb Sarah nog nooit zo bliksemsnel en zo keihard voor iemand zien opkomen als voor jou daarnet. Hoe heb je haar eigenlijk zo ver weten te krijgen?
Wat wrang herinnerde ik me waarom ze verliefd was geworden op mij. 
"Heb haar een mep verkocht", zuchtte ik. 
Z'n ogen wijd opensperrend deinsde hij heel even achteruit. 
"Jij???", en lachtte toen schamper. ''ja, dat zal wel ja, haha! Als je haar kende zou je dat zelfs nog niet durven zeggen, m'n beste kerel. Zij is een echte vechtersbaas. Je zou het haar misschien niet aangeven, maar zij is al zwarte band in Jiujitsu. De eerste die haar ongestraft een mep verkoopt, moet ik nog tegenkomen! Één ding is zeker: in heel de stad is er niemand die nog een vinger naar je zal durven uitsteken.

Mmm, dat gaf me wel een opkikkertje. Maar uiteindelijk versterkte dit alleen nog maar m'n schuldgevoelens jegens haar. Eerst gaf ik haar een opdonder op een moment dat ze volkomen weerloos was: bij het grafschrift van haar tweelingbroertje, en vervolgens liep ik van haar weg toen ze zo geweldig voor me in de bres sprong.
Op een tafeltje in een hoek van de kamer zag ik het brood en de kaas liggen. Als bevroren lag ik ernaar te staren, terwijl de speekselklieren in m'n mond in overdrive omschakelden. 
"Mag ik... ", maar moest algauw m'n mond houden om niet als een bulldog te gaan zeveren. 
Gelukkig begreep hij het. Hij sneed netjes en nauwkeurig als een timmerman een boterham af, maar toen hij aanstalten maakte om hetzelfde te doen met de blok kaas, was m'n geduld ten einde. 
"Geef me (slik) alles maar hoor, ik heb (slik) nogal honger."
Gretig zette ik m'n watertanden in de kaas en het brood en kon voorlopig aan niks anders meer denken, behalve dan aan de fles wijn die Hans vakkundig voor me ontkurkte. 
Na een half brood, een homp kaas, een halve fles wijn en een niet te stuiten boer, voelde ik me hikkend weer wat op krachten komen. 

Ik begon me af te vragen waar ik eigenlijk in verzeild was geraakt. Het leek me allemaal zo ongerijmd. Een antiek café dat overdag stil stond in de tijd, maar 's avonds uit z'n voegen barstte door een select clubje van joelende freaks. Ieder ander werd klaarblijkelijk heel slim geweerd door die zogenaamde potdove José: als je als toevallige klant i.p.v. een roze Fristi een grote whisky voor je neus geschoteld krijgt door een stokoud mens dat je van top tot teen blijft aanstaren, dan bedenk je je wel twee keer om ooit nog een voet over die drempel te zetten.

En wat te denken van Saartje, alias 'de Snaar' of 'Sarah'? Een oordeelsengel die standrechterlijke vonnissen uitvoerde? Een bendeleidster? Een soort moordgriet? Of een warmhartige bewaarengel, m'n allerliefste lief? En dan doemt die boekenmarchand op in het huis van Saartje's oma. Een verlaten pand, waarvan je toch zou verwachten dat de elektriciteit en het water was afgesloten, maar waarvan integendeel tenminste één kamer verzorgd was ingericht… evenwel zonder ramen...

Dit laatste bracht me plots op de rand van paniek. Er was geen kat die wist waar ik zat! Ik viste het ronkende Brammetje van onder de dekens vandaan, klemde hem tussen m'n armen en staarde paranoïde naar Hans die in een hoek van de kamer via de telefoon geheimzinnige gesprekken aan het voeren was. Na een tijdje draaide hij zich glimlachend naar me toe. 
"Zo, de dokter komt er dadelijk aan. Ga nu maar rustig liggen, anders wordt Bram straks nog wakker.
Hij inspecteerde nog eens m'n hoofd. 
"Ik zal al wat water opwarmen. Dat kan van pas komen als die wond straks genaaid moet worden. In ieder geval moet je je nadien wassen. Met al dat geronnen bloed over je kop jaag je de duivel nog de stuipen op het lijf." 

Ik was er nog niet gerust op. 
"Wat doe jij hier eigenlijk?
Hij keek me taxerend aan en aarzelde even voor hij me kort antwoordde met een wedervraag. 
"Wat weet je al?
Het idee alleen al om hierop een zinnig antwoord te geven, leek me volkomen absurd: wat wist ik al! Weet ik veel! Hij leek nu niet bepaald te wachten op een uiteenzetting van de voornaamste stromingen in de laatmiddeleeuwse scholastiek.
"Eh... Wat bedoel je daarmee?
Hij keek me een beetje verveeld aan en ging op de rand van het bed zitten. 
"Komaan zeg, ik had Sarah nog net aan de lijn, doe dus niet of je van niks weet. Wat heeft zij je al verteld?

Waar doelde hij toch op? Ik kreeg stilletjes het idee dat dit een speciale variant was van Chinese pingpong met de lichten uit. Dit soort spelletjes bracht me trouwens steevast van de wijs. Wat was de oorspronkelijke vraag nu ook weer? En wat had hij in Godsnaam te maken met wat Saartje me zoal wel of niet verteld had? Doelde hij misschien op z'n verhouding met Saartje?
Plots schoot me de herinnering te binnen van Saartje's hevig blozende reaktie op het noemen van zijn naam, vlak voor zij te biechten ging. Zat er misschien een reukje aan hun affaire? Iets wat het daglicht niet kon verdragen? Hij was tenslotte al oud genoeg om haar vader te kunnen zijn. Draaide hij dáárom misschien zo rond de pot? 
"Luister eens hier," begon ik wat ongemakkelijk, "Wat jij en Saartje allemaal met elkaar hebben uitgespookt, zijn mijn zaken niet. Nu ja, ik wil je alleen maar zeggen dat... euh... "

Ken je dat gevoel? Je beseft dat je het spoor bijster bent... maar van wát eigenlijk? Er kwam zelfs geen zinnige vraag meer in me op en besloot dan maar mompelend: "... euh... ben een beetje in de war, geloof ik..."
Vol verontwaardiging stond hij van het bed op en begon met z'n gebalde vuisten op z'n rug te ijsberen door het kamertje. Abrupt hield hij stil en stak briesend van ingehouden woede een vermanende wijsvinger naar me uit. 
"Ik héb helemaal niks 'uitgespookt' met Sarah! Laat dat goed tot je hersens doordringen, begrepen?!"

Kijkend naar z'n schuddende wijsvinger, kreeg ik een gedurfde inval. Misschien zat die halve fles wijn er voor iets tussen, maar toch... Zou ik het erop wagen? Het kwam er een beetje dunnetjes uit. 
"Hé, daarnet zei je nog dat niemand in heel de stad nog een vinger naar me zou durven uitsteken..."
Ik hield benauwd m'n adem in. Toch knap van me, bedacht ik bangelijk en begon stilletjes, met Bram nog stevig in m'n armen m'n heil te zoeken naar een plekje dicht tegen de muur. 

Z'n houding verstarde tot een standbeeld. In versteende verbolging veranderde z'n kop van vuurrood naar lijkbleek met van die roze donzige rondjes erop, versierd met zweetdruppeltjes. 'k vond het wel spannend. 
Vijf, vier, drie, 'Ignition', twee... Langzaam liet hij z'n arm zakken en viel de spanning weg. Het werkte warempel! David en Goliath! Hij keek me even nors aan, draaide zich om en ging met z'n rug naar me toe op een stoel zitten, z'n zware kop onderstuttend met z'n handen die het formaat hadden van kolenschoppen.

Zoals hij daar als één hele grote hoop ellende tegen de muur zat te morren van ‘waarom doe ik dit eigenlijk...’, deed hij me eensklaps weer aan m'n vader denken toen hij jaren geleden eens ziedend van woede thuiskwam en uitriep dat hij ontslagen was, waarop m'n doodbrave, maar wat simpele moeder hem trachtte te temperen: ‘of hij misschien balletjes in z'n tomatensoep wou’... en zich daarmee onbewust schuldig maakte aan het ergste wat de kostwinnaar van een gezin kon overkomen: een totaal gebrek aan begrip van z'n dierbare echtgenote, waarmee hij ooit samen trouw had gezworen om in goede en kwade dagen steeds aan de plicht te voldoen die hij zichzelf tot levensdoel had gesteld: zorg dragen voor zijn familie. Het contract waarmee hij dit alles waar kon maken en waarmee hij ooit triomfantelijk zwaaiend thuis kwam, waarvoor hij letterlijk z'n ziel uit z'n lijf had gewerkt, twintig jaar later beseffend dat z'n eigen levenswonder de prijs was waarmee hij dit heilig doel had betaald... en nu simpelweg met één pennenstreek weggeveegd, omdat blinde economische wetten nu eenmaal dit alles zielloos afwegen op de jaarlijkse balans van passiva en activa, winst en verlies... 
of hij misschien balletjes lustte in z’n tomatensoep…’
Dat was de enige keer dat ik m'n vader heb zien huilen, met z'n rug naar ons toe, snikkend z'n gezicht verbergend in z'n handen... 

In een golf van sympathie bood ik Hans stamelend m'n verontschuldigingen aan. 
"Sorry Hans, ik bedoelde het zo niet. Ik snap écht niet wat er hier allemaal gaande is. Ik dacht dat je iets had met Saartje, één of andere verhouding, snap je? Zij deed namelijk zo zielsverrukt over je."
Hij keek me over z'n schouder aan. 
"Meen je dat?" Hij rechtte z'n rug terug, stond op en begon weer te ijsberen, ditmaal een heel stuk rustiger. 
"Dat heeft ze me zelf nooit verteld."
Hij keek me terzijde aan. 
"Ik ben haar pleegvader, zie je.
Hij leek z'n woorden te wikken en te wegen. 
"Je vroeg me wat ik hier eigenlijk deed..." begon hij. "Wel, dit huis komt binnenkort toe aan Sarah, van zo gauw ze meerderjarig wordt. Tot zolang voer ik er het beheerrecht over. Tot voor kort heb ik het verhuurd, onder andere aan Brammetje z’n ouders, maar die zijn er vorig jaar uitgezet nadat hun inboedel openbaar werd verkocht.”
Met een bezorgde blik keek hij even naar Bram.
Hij kent het hier dus goed. Eigenlijk zou Sarah er nu al in kunnen trekken als ze dat wou, maar ze lijkt er heel andere plannen mee te hebben,  vandaar dat ik hier de boel wat aan het herinrichten ben. Zie je...", met z'n armen gespreid keek hij de kamer rond, "Ik kan namelijk nogal goed overweg met hamer en beitel,” en keek schuin naar de vloer, "welja, het is moeilijk om Sarah iets te weigeren... Ze kan je zo helemaal naar haar hand zetten, weet je wel? Ze is zo openhartig en begaan met iedereen."

Hij keek me aan, nam een stoel en ging voor me zitten.
Zij heeft het plan opgevat om van dit huis, waarin ze haar eerste kinderjaren heeft doorgebracht, een warm thuis te maken voor al wie dit nodig heeft. Brammetje bijvoorbeeld kan hier altijd terecht. Maar Sarah weigert om hier officiële instanties bij te betrekken. Vandaar dat we dit niet aan de grote klok willen hangen.
Z’n schouders ophalend zei hij: “Nu ja, ondertussen is het al wel een publiek geheim geworden, maar zolang ik hier aan de slag ben wil ik de buren niet verontrusten met teveel binnen en buiten geloop.” 
Hij bekeek me nieuwsgierig.
"Ik weet niet wat jùllie zoal met elkaar hebben 'uitgespookt', maar ik geloof dat ze smoorverliefd op je is, of heb ik het verkeerd?"
M'n blikken spraken blijkbaar boekdelen, want hij vervolgde: "Zij is het liefste wat je kan overkomen, zowat de halve stad is smoor op haar. En dan heb ik het nog niet eens alleen over de mannelijke helft. Jij bent wel niet haar eerste lief, maar het is duidelijk dat het met jou helemaal anders ligt. Ik ken haar al heel lang, ze was nauwelijks zes toen we haar adopteerden. Zoals ik haar daarnet aan de lijn had...
Hierbij schudde hij verbijsterd z’n hoofd. 
"Het leek wel alsof ze terug was weggezakt in die put, nu een jaar of twaalf geleden.
Hij keek me peinzend aan. 
"Jij bent hier nog maar pas sinds gisteren en je hebt blijkbaar dingen in haar wakker gemaakt waarvan ik dacht dat ze voor eeuwig en altijd begraven waren."

Hij stond terug op en begon alweer nadenkend rondjes te maken. Na een tijdje hield hij stil en keek me doordringend aan. 
"Hou je van haar?"
De vraag overviel me nogal. "Ik... euh... ik denk van wel, ja.”
Het was of er binnenin mij eensklaps iets overliep. 
"Ja natuurlijk, ik hou ontzettend veel van haar... welja... JA!", besloot ik heftig affirmatief ja-knikkend en keek hem daarbij zielsgelukkig recht in z'n ogen. 
Het leek wel of hij opgelucht was. Blijgemoed hervatte hij z'n ijsberenstapje. Ik werd er een beetje draaierig van. 
"Dan is er nog hoop", orakelde hij stilletjes. Alweer stond hij pardoes stil en keek me nadrukkelijk aan. 
"Hou dan van haar, hou zielsveel van haar! Ik ben bang dat ze anders misschien terug wegzakt in diezelfde schemerzone van toen ze bij ons terecht kwam. Het heeft maanden geduurd voor er ook maar één woord over haar lippen kwam. Sindsdien krijg ik dikwijls het gevoel alsof ze alsmaar vlugger op een ravijn toe snelt, terwijl ze achterom kijkt in een zwart gat.
Hij wendde z'n blik van me af en beet op z'n nagels. 
"Als je haar nog een keer een mep verkoopt, zorg dan in godsnaam dat ze de goeie richting op tuimelt, wil je?"


XII

        Er werd zachtjes op de achterdeur geklopt. Hans knipte vlug het licht uit en opende de deur. Een kleine gestalte stapte geruisloos naar binnen. Hans sloot de deur achter z'n rug en knipte het licht terug aan. Ietwat verbaasd constateerde ik dat ik helemaal niet onder de indruk was: op één of andere manier kwam deze absurde situatie me heel aannemelijk over. Ik zou er geen enkele moeite mee hebben als straks dit pas binnengekomen heerschap zou uitroepen ‘Duiken tot periscoopdiepte!’. 

Het bleek dus de dokter te zijn. Althans, dat moest ik maar voor waar aannemen, ik kon toch moeilijk om z'n diploma vragen... Hopelijk was het geen veearts. Hij had in elk geval iets dokterigs over zich: kort baardje, bril, gestudeerd uiterlijk en dokterstasje in de aanslag. Hij keek me even vriendelijk aan en deed keurig datgene wat dokters plegen te doen: stethoscoopje, bloeddrukmetertje, staaflampje, hamertje, houten ijslollystokje, zeg eens 'A', palperende klopjes, last van buikloop? Verstopping? Pijnlijk plassen?
Uiteindelijk leek hij tevreden en ging z'n handen wassen.

Was hij bloed-blind of zoiets? 
"Eh, dokter, kan je misschien ook even naar m'n hoofd kijken? Ik denk, eh, dat er een gat in zit, zie je."

Hij draaide zich om met z'n natte handen allebei de lucht in, keek me beminnelijk vanonder z'n brilletje aan en toverde toen, met een brede glimlach, een reusachtige kromme naald tevoorschijn.
Zat er een scheur in de matras? 
"Eh, dokter, 't is maar een klein gaatje denk ik hoor."

Eén of ander banaal kinderliedje neuriënd stak hij, met het puntje van z'n tong tussen z'n lippen, een soort tamboerkesgaren door het oog van het onding en zette zich in positie aan het hoofdeind van het bed. Ik trachtte me heftig te concentreren op iets anders en begon onbewust het liedje mee te neuriën: 'zij moest klimmen in de mast, maken de zeilen, maken de... ', slikte m'n tong haast in en keek gefascineerd naar de spuit die hij zeer professioneel ondersteboven hield, er enkele kordate tikjes tegen gaf en ze, in de lucht sproeiend alsof het een waterpistooltje was, even uitprobeerde. 

Ik bekeek het helder goedje met argusogen. Hij vertaalde vriendelijk even de bijsluiter voor me. 
''Niks aan de hand hoor," stelde hij me gerust, "het doet helemaal geen pijn", waarop m'n paniekthermometer drastisch de hoogte in werd gejaagd. 
Was hij de kleine lettertjes dan vergeten? 
'Neveneffecten’: draaiingen, misselijkheid, braakneigingen, akoestische hallucinaties, achtervolgingswaanzin..., kortom: de natuurlijke staat waarin ik me de laatste uren bevond. 

Maar ja, dan nóg was hij natuurlijk een uitstekende dokter: het liegen ging hem heel gemakkelijk af. Zou dat inbegrepen zijn in het lessenpakket? Of was het een specialisatie op zich? Waarschijnlijk had hij z'n doctoraatstitel hiermee behaald, alhoewel het natuurlijk ook kon zijn dat hij bijlessen volgde. Of was ik verstrikt geraakt in een misdaadnet van boeven die handelen in organen? Ik had toch niet toevallig om euthanasie gevraagd? Of was ik het proefkonijn van een geniale gek die z'n laatste nieuwe wondermiddel tegen postnatale depressies en snotvallingen op mij ging uittesten? 
De eerwaarde dokter was de beminnelijkheid zelve. 
"Rustig maar, het is een licht kalmerend middeltje.

God, wat verstond hij z'n vak goed zeg! Wat dacht hij wel van mij? Zag ik er dan zó achterlijk uit? Was er dan niemand die me wou helpen? Ik probeerde wanhopig Hans met smekende blikken duidelijk te maken wat hier eigenlijk aan de hand was, maar die was alweer diep nadenkend aan het ijsberen geslagen. 't Was hier verdomme nog aan toe toch geen dierentuin! Plots had ik het beet: hij was natuurlijk net ontsnapt uit de gevangenis! Gelukkig had ik Brammetje nog. Ik hield hem stevig vast en net voor ik met hem onder het bed wou verdwijnen, maakte het prikje in m'n arm een eind aan de absolute onstuitbare achtervolgingswaanzin, die zich ophoopte in m'n gescalpeerde hoofd.

... De wereld was een sprookje... 

Dat lieve heertje met zijn grappig baardje zei vriendelijke woordjes tegen me. En wat een knus kamertje toch! Brombeertje zat lekker tegen m'n buikje aan te knorren en Hansje was z'n zondagswandelingetje aan het maken. Hi hi... die was zeker nog steeds op zoek naar Grietje... 
"Psst!", siste ik hem zachtjes toe, "psst! Hans! Misschien zit ze onder het bed! Hi hi..."
God, wat zag hij er ineens kostelijk idioot uit! Ik schaterde het uit. Wat een kolderiek ventje! Hij hield me warempel bij m'n armen vast. Hij kwam me zeker nog kietelen ook! Ik kwam haast niet meer bij van het lachen. De tranen rolden over m'n wangen. Allemaal samen rollebolden we over het bed: ik met m’n knuffelbrammetje, en Hans en het grappig meneertje. 
"Hi hi hi", ik snakte naar adem, “jij bent hem! Hi hi…"
God, wat heerlijk om samen nog eens tikkertje te spelen op het bed! 

En daar zwaaide de deur open en zag ik haar in de deuropening staan. 
"Saartje? Wat leuk zeg, doe je mee?"
Ik stak opgetogen m'n armen naar haar uit, maar griste Bram nog net op tijd bij z'n kraagje voor hij van het bed af gleed. Het volgend moment lag Saartje languit bovenop me, 'face to face'. Wat vreemd... ik kon me geen vin meer verroeren. Het was of ze me lekker knus in een blok beton ingeduffeld had. Verrukt keek ik haar in de ogen. 
"Eh, is het wel het gepaste moment, Saartje?", waarbij ik schuin blikte naar Hans die hijgend naast het bed stond. 

Ze keek me verrast aan en schoot in de lach. Jeetje, wat voelde dat lekker aan! Van de weeromstuit begon ik weer te giechelen en wipten we op het bed samen op en neer. Maar toen ze me plots een zoen gaf, begon ik het toch wel een tikkeltje gênant te vinden. Haar donkere ogen straalden me aan. Ze beheerste zich en keek me recht in de ogen. 
"Sam, stil nu!", zei ze me nadrukkelijk, "de dokter gaat je naai...", slikte het laatste woord geschrokken in en gilde het toen uit van de pret. 

O ja, de dokter... die stond verfomfaaid met een hoogrood gezicht aan de kraag van z'n hemd te friemelen, met in z'n ene hand nog steeds die scheef geslagen naald. Hoe langer ik er naar keek, hoe meer het ding de proporties kreeg van een Turks zwaard. 
Verlamd keek ik Saartje hulpeloos aan. Zij verplaatste zich een beetje en greep m'n hand. 
"Ik weet het Sam, het zal wat pijn doen. Knijp maar hard in m'n hand, ik blijf bij je.

Ik haaIde diep adem en leverde me volledig aan haar over. Met elke steek van de naald kneep ik haar hand tot moes, maar hield m'n kiezen stijf op elkaar. Heel strak bleef ik haar in de ogen kijken en kreeg 'full-contact' met die ander kant van haar: een ijzersterke en onverzettelijke minachting voor die muur van alles overheersende pijn en angst, en waar ik nu los doorheen keek in een wereld waar je bergen kon verzetten. 

Het was een hartverwarmend en bevrijdend gevoel. Langzaamaan losten we mekaars greep. De versteende blik waarmee ik haar opeiste, ruimde plaats voor een glimlach. Een glimlach met dezelfde kracht en vertrouwen die Saartje's oma me had toegespeeld in m'n droom, dezelfde lach die zij trots uitstraalde op de foto boven de koekjestrommel: Saartje's glimlach. 

De tijd stond kristalstil.


XIII

 
        Op een gegeven moment ontdekten we dat Hans en de dokter verdwenen waren. Alleen Bram lag nog lekker te snurken naast ons. 
Saartje streek voorzichtig over m'n hoofd. 
"Kom Frankensteintje, je moet je gezicht nodig eens wassen, voor ik nachtmerries van je krijg. Je bent niet om aan te zien.
Ik stond recht en begaf me naar de gootsteen. 
"Je kan best niet in de spiegel kijken hoor, tenzij je van luguber houdt.

De spiegel! Vlug, waar is de spiegel... 
Jeetje! Ik kwam precies net uit een kadaver gestapt! M'n gezicht zat helemaal onder de geronnen bloedkorsten. Hier en daar vormden de klonters donkerrode stalactieten die uit m'n neus en van m'n kin druipten. M'n haar priemde in klitters en kronkels alle kanten op. En op de kruin van m'n hoofd, waar voordien m'n staartje als een antennetje de lucht in stak, had de dokter m'n haar zorgvuldig in een kringetje weggeschoren en er een huidkleurige pleister op geplakt. Een erg creatief doktertje, eentje met fantasie, eentje die z'n werk een persoonlijk tintje gaf! Als Medussa zich tot pater had gewijd, moest haar afgehakte hoofd er zó hebben uitgezien!

Terwijl ik me waste wierp ik af en toe een blik in de spiegel naar Saartje. Ik vroeg me af wanneer ze eigenlijk nog geslapen had. Ze lag uitgeput op het bed naast Bram en keek hem met een vermoeid glimlachje aan. 
"Zeg Saartje, zouden we hem niet naar huis brengen? Z'n ouders zullen onderhand wel dodelijk ongerust geworden zijn."
Neen.” Het kwam er heel gewoontjes uit. 
Ze beantwoordde geërgerd m'n verbaasde blik. 
Neen!”, bitste ze mij toe en keerde zich weer om naar Bram. 
Ik had klaarblijkelijk een gevoelige snaar geraakt. 
"Hoezo? Waarom niet?
Welja, gewoon... ze maken zich niet ongerust over Bram. Omdat ze allebei alcoholiekers zijn, denk ik. En dan heb ik liever dat ze hun miserie in hun fles stoppen dan in Bram. Toen hij nog hier woonde had ik hem eens terug thuis gebracht. Hij was lelijk gevallen op straat. Volgens mij moest er een dokter aan te pas komen. Z'n vader deed na vijf keer bellen eindelijk de deur open op een kier. Een schriel ventje met lodderogen van de drank. Achter z'n rug gilde z'n wijf dat hij 'godverdomme ogenblikkelijk die deur moest sluiten of dat ze hem samen met dat klerejong de straat op zou keilen!' Hij keek me schouderophalend aan en sloot de deur zonder Bram zelfs nog een blik te gunnen.
Een bitter mengsel schoot fel door haar stem. 
Niemand stuurt Bram terug, hoor je! Niemand! Niet zolang hij het niet zelf wil en hij hier een thuis vindt!
Zachtjes streek ze door Bram's ragebol en voegde er toonloos aan toe: "en niet zolang ik er ben."

Na een tijdje keek ze peinzend de kamer rond. Aarzelend zocht ze naar de juiste woorden. 
"Ik kom hier dikwijls op m'n eentje om … , tja, om te genieten... Dit huis zit barstensvol heerlijke herinneringen. Alsof ik in een oude muziekdoos zit, of in zo'n ouderwetse kijkdoos. In alle hoeken en gaten doemt er één of ander halfvergaan beeld op van vroeger... een beeld van thuis... en dat is heerlijk! Soms verzin ik er m'n mama of papa bij... maar dat is natuurlijk pure fantasie, omdat ik ze nooit heb gekend. Als Bram al zulke fantasieën heeft, zijn het leugens... Leugens verzinnen over je mama of papa als je vijf bent, kan je je dat voorstellen? Nee, natuurlijk niet. ik geloof niet dat kinderen zoiets kunnen. Ik kon het ook niet toen m'n oma en m'n broertje er niet meer waren.

Saartje staarde mat naar een punt ergens ver weg achter me. 
Weet je, ik ken die vlakke doofstomme wereld waar Bram in kijkt. Als niemand je verstaat of zelfs hoort, dan heeft het toch geen enkele zin meer om iets te zeggen, hé? En zeker niet als die 'niemand' je eigen mama of papa is.
"Zeg Saartje, wat let je eigenlijk om hier terug te komen wonen? Je voelt je hier toch thuis?
"Thuis? Nee... dat is het allang niet meer. Het is hier meer een soort privémuseum geworden. Een beetje zoals het fotoalbum van José. Al m'n herinneringen hebben hier hun vast plekje gekregen. Zoals die foto hier in de voorkamer van m’n oma met Tommetje in haar armen. Maar een thuis? Nee Sam... hier wonen alleen schimmen... Soms, als ik het te kwaad krijg, is het alsof ze aan me trekken... Ik zou hier stikken. Later misschien, als ik zelf een oude schimmige vrouw ben geworden.

Met een korte schouderbeweging schudde zij de neerslachtigheid van zich af. 
Ze stond op en sloeg een keurende blik op me. 
"Kom, ik zal je haar wel even wassen: die plakker mag niet te nat worden.
Ze masseerde stevig met de toppen van haar vingers m'n haarwortels, omzichtig de kruin van m'n hoofd vermijdend. De wond onder de pleister begon pijnlijk te kloppen. 

"Hoe is het nu verder afgelopen met Dikke Mik?", vroeg ik haar. Met m'n hoofd gebogen over de gootsteen, hield ik m'n ogen stijf toegeknepen. 
"0 goed, denk ik. De dokter die jou net heeft behandeld, zal nu wel met haar bezig zijn in het achterkamertje bij José. Ze zal jou zeker nooit meer een duimbreed in de weg leggen, dat garandeer ik je! Ik vrees zelfs dat het een averechts effect zal hebben.
"Een averechts effect? Hoe bedoel je?"
Onderwijl tastte ik naar een washandje om m'n ogen te beschermen tegen de zeep. 
"Tja, dat weet ik niet zo goed... het is meer een gevoel. Zij is heel apart, weet je."
"’Apart’ zeg je?, wat een understatement zeg! Ik hoop dat ik die klomp vlees nooit van m'n leven nog tegen kom!
Haar vingers stopten op slag met masseren. 
"Zeg dat niet Sam!
Ze stopte me een handdoek toe in m'n rondtastende handen. Toen ik m'n ogen had droog gevreven, was het afgehakte Medussahoofd in de spiegel verdwenen. Er staarde me een blozend aartsengeltje aan, versierd met een pracht van een schuimwolk boven op z'n kop met daar middenin het plastic aureooltje van de pleister. 
"Kijk me aan!", zei ze me strak. 
Ik keek haar onzeker in de ogen. 
"Heb ik dan iets verkeerds gezegd?
Ze bleef maar in m'n ogen turen tot ik er zelf tureluurs van werd. 
"Sam,", zei ze eindelijk, "heb jij eigenlijk wel weet van de dingen die je droomt of van datgene wat er gebeurde tussen ons bij het kapelletje?"
Ik begreep totaal niet waar ze naartoe wilde. 
"Euh ja, tenminste dat denk ik toch. Maar wat heeft dat met Dikke Mik te maken?
Ze sloeg haar ogen neer en zuchtte. 
"Dikke Mik... Dikke, dikke, dikke Mik... Ze is niet altijd zo geweest, weet je. Voor Hans me adopteerde heb ik haar een jaar gekend in het kindertehuis. Ze was nu niet direct de snuggerste van de groep. Het gerucht ging de ronde dat haar vader haar had 'bepoteld'. Ze hield zich altijd afzijdig, net als ik, maar ze was nóg meer in zichzelf gekeerd. Ze was dikwijls het mikpunt van een hoop gepest en getreiter omdat ze nooit van zich afbeet. Ik vermoed dat ze toen een soort olifantentactiek heeft opgebouwd. Haar enigste kans om dat tehuis te overleven was door haar lichaamsomvang zodanig te laten toenemen dat iedereen voorzichtig een ommetje maakte als ze in de buurt kwam. Toen ik haar jaren later terug tegenkwam, zat ze volkomen aan de grond; letterlijk: ze zat te bedelen op de hoek van een straat. Ze had zich daar een vast plekje verworven. Ik kwam er dikwijls langs, op weg naar huis, en ging dan soms naast haar zitten. Eerst wou ze niet van me weten: waarschijnlijk wist ze niet wat ze van me moest denken. Ze was heel erg wantrouwig en wou duidelijk niks meer te maken hebben met iemand die ze nog gekend had van het tehuis. Op een dag zag ik een paar schoelies haar bedelbekertje de straat op schoppen. Ik heb toen alles terug bij mekaar geraapt voor ik weer naast haar ging zitten. We keken elkaar zwijgend aan. Ik gaf haar toen een kusje en zei dat ze altijd welkom was 'Chez José'. Sindsdien zit ze er haast elke avond. En als Hans het hier wat opgeknapt heeft, kan ze hier komen overnachten, zo dikwijls ze wil."

Ze keek me weer aan. 
"Kom je straks mee naar de overkant? Ga haar niet uit de weg, wil je? Niet nu! Ik weet zeker dat ze jou nodig heeft!"

Klaarblijkelijk begon iedereen me nodig te hebben. Eerst Hans die me op het hart drukte om Saartje niet in de steek te laten. Dan Saartje die beweerde dat Dikke Mik me zo dringend nodig had. 'k Vroeg me af of Mik ook al iemand in gedachten had. En dan die anekdote over Mik! Daar klopte geen snars van! Ik staarde haar verbouwereerd aan. Was dit nu 'vrouwelijke logica'? 
"En hoe zit het dan met jou, Saartje? Je hebt haar voor schut gezet in 't café, temidden van heel die kliek! Je hebt haar zwaar getiranniseerd. En dan kom jij mij vertellen dat ze mij nodig heeft! Hoe kan je dat nog aan mekaar rijmen?
"Er valt niks meer te rijmen! Alles is precies gebeurd volgens de spelregels. Hier aan de overkant weten we exact wat we aan mekaar hebben. Ze wist drommels goed wat ze moest doen toen ik haar op de knieën dwong. 'k Heb haar alleen een handje geholpen om die stap ook echt te zetten. En wat de rest van de bende betreft: die zullen zich wel twee keer bedenken voor ze terug de spot met haar drijven. Ik ken er niet veel die hetzelfde zouden gedaan hebben in haar plaats! Na vanavond heeft ze het respect afgedwongen van heel de groep... tenminste, als jij samen met haar en met mij straks het café terug binnenstapt en hen recht in de ogen kunt kijken."
Tja, zó kon je het natuurlijk óók bekijken... 
"Jeetje, 'k heb moeite om je daarin te volgen hoor... Je doet het haast voorkomen alsof ze met haar gat in de boter is gevallen."
Ik begon me af te vragen wat Saartje nog zoal in petto had. Er gaapte blijkbaar een enorme kloof tussen haar wereld en de mijne. 
Ze zag m'n verwarring. 
"Kom, 'k zal je haar nog even afspoelen en dan gaan we samen naar José. En voor het geval Bram wakker wordt: achteraan het huis kan hij makkelijk door een hekje klauteren en belandt zo in een steegje. Hij kent de weg.


XIV

        Het idee om terug te keren naar het café, trok me bepaald niet erg aan. Maar m'n nieuwgierigheid naar het wereldje waarin ik was verzeild, haalde de bovenhand. 
"Eh, Saartje... je blijft dan toch wel bij me in de buurt hé?
Toen we de straat overstaken zonk de moed me in de schoenen.
"Ik wou dat ik een hoed of een pet had of zoiets. Die stomme dokter heeft me behoorlijk belachelijk gemaakt... Zou het niet beter zijn om me helemaal kaal te scheren?
Ik keek benauwd in het rond of er geen voorbijgangers kwamen opdagen. Er begon zich een zenuwachtige kloppende jeuk te ontwikkelen onder m'n hoofdpleister. Ik voelde me net een mislukte heilige op weg naar de hellekrocht 'Chez José'. Met elke stap die ons dichter bij de overkant bracht, begon de wond alsmaar harder en pijnlijker te bonzen. 

Saartje duwde krachtdadig de deur van het luidruchtige café open en stapte resoluut binnen. Ik bleef als aan de grond genageld op de deurdrempel staan: vanuit een plotse stilte staarden me tientallen ogen aan, stuk voor stuk namen ze me onverholen taxerend op. Het zweet brak me langs alle kanten uit. Compleet verlamd zag ik de glazen deur voor m'n neus automatisch langzaam terug dicht zwaaien tot ze tegen m'n schoenzolen opstropte, net op de plek waar de elektrische schel wellustig en oorverdovend in werking trad. Door de lettertjes op het gebrandschilderd glas zag ik Saartje midden in het café me lachend aankijken. Ze hield haar armen uitnodigend voor me open. 

En daar, ineens vanuit het niets, stond Dikke Mik voor me, die de deur opentrok en daarmee genadig een eind maakte aan het afschuwelijk kabaal van de deurbel. Ze graaide me bij de hand en trok me achter zich aan naar binnen. 

Hier en daar hoorde ik wat ingehouden gegrinnik. Tientallen blikken priemden in m'n gloeiend rode kaken. Een houvast zoekend, fixeerde ik me algauw op de verpletterende groteske mobiele massa vóór me: een rustgevende golvende oceaan waar ik als een sloepje op verder deinde. Ik haalde diep adem en met Saartje's woorden in gedachten rechtte ik m'n rug en bereidde me voor om 'de bende recht in de ogen te kijken' en bemerkte toen de ronde pleister op de kruin van haar kop. 

Dit was de bespottelijkheid ten top gedreven! Dikke Mik en ik: een parodie op een mislukt tweelingmodel, flanerend op de catwalk 'Chez José'! 

Saartje stond ons breed glimlachend op te wachten in het midden van de kroeg. Ze omarmde ons allebei, haar rechterbovenarm rond m'n schouder geslagen, haar linkerhand ergens ter hoogte van Mik's nek, en keek stralend in het rond. Met een glunderende schelmse blik keek ze iedereen eventjes heel apart aan, tot het laatste grinnikje spoorloos verstomde. Als een kind dat voorzichtig een prachtige enorme zeepbel de lucht had ingeblazen, liet ze de flinterdunne tijdspanne nog even zweverig hangen. 

"José," zei ze zachtjes, terwijl ze Mik en mij om beurten aankeek, "dit gaan we vieren!"
En uitbundig schalde ze het café in: "Geef ons allemaal een dubbele whisky!

Het feest duurde tot de vroege ochtenduurtjes en de grapjes waren niet van de lucht ('Moest de dokter je fontanelletje nog dichtplakken?', 'Net ontsnapt uit het klooster of zo?', 'Jullie hébben iets met elkaar hé... straks wordt Snaar nog jaloers') Het was ronduit heerlijk! 

Ik was altijd wat eenzelvig geweest en had ook nooit echt de nood gevoeld aan veel vrienden. Maar hier werd ik ongevraagd en volkomen gratuit, opgenomen in een grote losbandige familie. Dikke Mik leek een ware metamorfose te ondergaan: met elke goedlachse grap om haar omvang, kreeg ze de hik van het lachen en neep ze de argeloze spotter zo ongeveer plat, ergens tussen haar overdadige extremiteiten, wat dan weer een bulderend gelach veroorzaakte tussen de omstaanders. 

José hield de boel onopvallend als een zwarte raaf in de gaten. Al vlug was de whisky 'op' en werd overgeschakeld naar bier en tenslotte naar limonade en liters koffie. Saartje was druk in de weer met overvolle dienbladen. Een doorgewinterde garçon kon hier nog iets van leren. Af en toe knipoogde ze me lachend toe. 

Eindelijk sloot ze de deur achter de laatste drinkebroer. Dikke Mik was in het gezelschap van een troep kameraden al geruime tijd vertrokken. 
Saartje keek me voldaan aan. Ze had weer van die geinige walletjes onder haar ogen. Ze leek volkomen uitgeput. 
"Zullen we?", waarbij ze met haar hoofd wenkte in de richting van de trap. Op handen en voeten kropen we naar boven en vielen languit op bed. 

Saartje toverde een warme glimlach uit haar vermoeide prietoogjes. Ze kwam dicht bij me liggen. Mekaar zacht kussend frunnikte ik wat onhandig aan de rits van haar jurk terwijl Saartje de strijd verloor met het tweede knoopje van m'n hemd. Doodop begroef ik m'n gezicht in haar haren. 
"Het geeft niet...", fluisterde ik haar toe. 

Samen dreven we weg in een zee van slaap. 


XV

        Ik werd doezelig wakker. Het halmenmotief in de dunne gordijnen lichtte zwakjes op in het lauwe licht van een waterig ochtendzonnetje. 

Saartje lag naast me nog diep te slapen. Ik vroeg me af welke dag het vandaag was. M'n biologische klok was helemaal ontregeld. Het nachtleven waarin ik was beland, had m'n tijdsgevoel helemaal op z'n kop gezet en had me vervreemd van het wereldje waarin ik me tot voor kort nog zo thuis had gevoeld. 

Het was of ik in één klap een ruimte- en tijdsbarrière had doorbroken en last had van jet-lag. 

Ik stond stilletjes op en inspecteerde nauwkeurig m'n gezicht in de spiegel. Er was iets mee, iets veranderd... Jawel, ik had prut in m'n ogen, zag er wat bleek uit, had een respectabele stoppelbaard, maar er was iets veranderd... 

Nu ja, wat het ook mocht wezen, ik had een viese smaak in m'n mond en snakte naar een kop koffie. Beneden in het café stak ik eerst m'n hoofd onder de koud waterkraan. Ai! Die pleister! Knal vergeten! Ik tastte er omzichtig naar. Het ding hing er nog wat vodderig bij. Ik zette m'n tanden op mekaar en rukte het er in één haal af. De hechting, in de vorm van een kruisje, had het gelukkig gehouden. 

Het café lag er troosteloos en verlaten bij. Ietwat verbaasd merkte ik dat de rommel opgeruimd was en de vloer pas gedweild. José kondigde zich aan met het doortrekken van de chassebak in 't 'Privé'. De melkglazen deur ging open en krakkemmikig stapte ze haar staminée in. Ze leek me niet op te merken, alhoewel ze me haast rakelings voorbij stoefelde. In het halletje aan de trap nam ze haar grijze regenjas van de kapstok en strikte een doorschijnend plastic kapje rond haar dunne witte haar. 

Met haar blik gericht naar de vloer leek ze een imaginair hondje te inviteren: “Wel, ga je mee?
Pas na enkele tellen realiseerde ik me dat de vraag kennelijk aan mij gericht was. 
Waarom ook niet? 
"Ja hoor, 'k pak even m'n jas, ben zo terug."

Óf ze had me niet gehoord, óf ze had het inderdaad tegen een ingebeeld hondje, want met haar paraplu en een bruine papieren zak stapte ze regelrecht naar de buitendeur. Met de klink in de hand aarzelde ze even, haalde toen diep adem en stapte vervolgens naar buiten alsof ze een duik nam in ijskoud water. Ik haastte me de trap op naar boven. Saartje vertoefde nog volop in dromenland. M'n jas aantrekkend liep ik vlug de trap weer af, spoedde me naar buiten en liep Brammetje haast ondersteboven die naar Saartje's raam stond te turen. Op de hoek van de volgende zijstraat stond José ongeduldig op me te wachten. Bram keek ons beurtelings aan, stak z'n handen in z'n broekzakken en bestudeerde schoorvoetend z'n kapotte schoenen. 

Ik stak m'n hand naar hem uit. 
"Ik denk dat José op ons staat te wachten Bram, kom je mee?"
Zonder me verder nog aan te kijken, liep hij naar José toe. Hand in hand liepen ze de hoek om. Toen ik hen inhaalde nam ze me op met een vorsende blik. 
Waar bleef je toch zo lang?
"Eh, moest even m'n jas halen," en overdreven de woorden uitspellend, articuleerde ik: "Moet je het café niet afsluiten?
Ze keek me aan of ik van lotje getikt was. "Dan kan er toch niemand binnen, sufferd!", draaide zich vertoornd om en liep met Brammetje aan de hand pardoes de drukke straat over. 

M'n hart stond stil. Een fietser kon hen nog net ontwijken door het voetpad op te jumpen. Ze bekeek geringschattend de bumper van een wagen die dankzij z’n ABS nog net op tijd kon stoppen. Een lijnbus uit de tegenovergestelde richting begon heftig te zwaaien toen de lijkwitte chauffeur moest kiezen tussen José met Brammetje of de geparkeerde wagens aan de overkant. Net vóór ze vermorzeld zouden worden, draaide zij zich gerriteerd naar me om. 
Waar blijf je toch altijd zo lang?"
Pal achter hen was de bus ondertussen met krijsende remmen tot stilstand gekomen. De door elkaar gehutselde reizigers keken eerst verbijsterd naar José, waarna ze één voor één verbolgen mij in het vizier namen. De transpirerende chauffeur draaide z'n raampje open. 
"Hé hufter! Kan je hen niet even de straat helpen oversteken?!!", waarna hij hoofdschuddend z'n rit wou vervolgen. 
José draaide zich bliksemsnel om en tokte driftig met haar paraplu tegen de zijkant van de bus. 
"Stop!! Ik moet er nog op!
Ze sjokte naar de voorkant van de bus, de verbaasde chauffeur kwaad aankijkend. 
"Laat ons er ogenblikkelijk in! Doe die deur open of ik verzet geen voet meer!

Achter de bus was er reeds een file aangegroeid van claxonnerende auto's. De buschauffeur haalde dan maar z'n schouders op en opende van lieverlee de hydraulische klapdeur. Met een donderwolk op z'n gezicht snauwde hij me gefrustreerd toe: “Wat zal het zijn broekvent?!! Stap je nog in of wacht je hier op ‘t crème-glace karretje?"
Ik repte me naar de overkant en sprong nog net op tijd de bus in. De deur klapte achter me dicht, de bus zette zich grommend in beweging... en ik besefte dat ik geen rooie duit bij me had. Paniekerig doorzocht ik m'n zakken, maar buiten m'n zakdoek was het kartonnen visitekaartje het enige wat ik kon vinden. 

José stond naast me en keek vol verontwaardiging de passagiers aan. 
"Het is een schande!", riep ze uit, waarbij ze met de punt van haar paraplu naar de chauffeur prikte en de papieren zak in het rond zwaaide. 
"Het is een echte schande! In mijn tijd zou dat niet gebeurd zijn, hoor je dat! Toen wachtte de chauffeur tenminste tot iedereen op z'n plaats zat vóór hij vertrok!
Ze monsterde de chauffeur met een genadeloze blik. Ze moest daarbij ietwat omhoog kijken vanwege haar klein postuur. “Hoe heet je?
Op het borstzakje van z'n hemd prijkte zijn naamplaatje: 'C. de Boer' (met kleine 'd'). 
'C.' raakte danig overstuur en begon stilletjes binnensmonds te vloeken waarbij José scherp z'n lippen in de gaten hield. 
''Wel heb je ooit! Onbeschaamde vlegel! Kan je je naam niet eens behoorlijk uitspreken? Boer!!

Dit laatste zat hem kennelijk net iets te dwars. Met een waanzinnige blik in z'n knalrode kop trapte hij haast door z'n remmen. Gelukkig kon ik José en Brammetje nog net op tijd in volle vlucht onderscheppen. Terwijl de bus snerpend tot stilstand kwam, perste ik hen met al m'n kracht in m'n ene arm tegen me aan, terwijl m'n andere arm, waarmee ik me aan een grijpstang vasthield, zowat uit z'n kom schoot. Haar paraplu schoot automatisch open en belandde uitgespreid boven op m'n hoofd. De heer de Boer gaf een fikse klap op één van z'n knoppen op het dashboard en de voorste deur scharnierde sissend open. 
"Er uit!", schreeuwde hij woedend, "Alle drie m'n bus uit, en wel ogenblikkelijk!!
Verschrikt keek ik hem aan en vergat daarbij José los te laten. Dicht tegen me aan geprangt, ging haar graatmagere boezem hijgend op en neer. 
Ze bekeek me schalks. 
"Dat was erg attent van je jongeman, maar wel een béétje onfatsoenlijk, vind je niet? Wat zou Saartje hier wel van denken?"

Vervolgens verpletterde zij de heer de Boer met een laatdunkende blik, pakte haar regenscherm en schreed waardig het trapje af. Op straat aangekomen draaide zij zich naar me om en stak me, als een ware cavalier, een helpende hand toe. Blijkbaar had m'n omknelling van daarnet een herinnering in haar wakker geschud aan één of andere amourette. Ze keek me liefderijk aan. Achter me volgde de heer de Boer het tafereeltje met groeiende verbazing en ging haast door het lint toen hij m'n achterhoofd in het vizier kreeg. 
"Dit is ronduit walgelijk! Heeft dat seniel stuk antiek ook nog een verhouding met een mislukt paterke!
Gechockeerd draaide ik me halverwege het trapje naar hem om, deed protesterend m'n mond open, maar de Boer was niet te stuiten. 
"Jullie zijn allebei getikt! 'k had je moeten afzetten aan 't gesticht!

Hier was geen beginnen aan. Als de heer de Boer niet uitkeek zou hij zelf wel eens in het 'gesticht' belanden. Ik draaide me dus maar weer om, pakte Brammetje beet en wou de bus uitstappen, maar José versperde ons de weg. 
"Hoezo?", vroeg ze de chauffeur verwonderd, "Zijn we er dan nog niet?", en keek speurend de straat af. 
''Wel heb je van je leven!", riep ze na een paar tellen, duwde ons geagiteerd het trapje terug op en tikte met haar paraplu de heer de Boer vermanend op z'n paars verkleurde kop. 
"Gij stouterik! Wat gemeen van je! Als je wéét waar we moeten afstappen, waarom zet je ons er dan hier al uit?!"
Ze pakte ons resoluut allebei bij de hand en trok ons mee op zoek naar de dichtstbijzijnde vrije zitplaats. Helaas waren alle banken bezet, maar nadat José een onderzoekende blik had geworpen op een jong koppeltje, waren deze zo vriendelijk om halsoverkop de bus uit te vluchten. 
"Zo," zei ze tevreden en wuifde losjes naar de chauffeur, "zet hem maar in gang hoor, we zitten! Je mag het zeggen als we er zijn!"

Toen verloor ze haar interesse in de heer de Boer die zowat aan een hartaanval toe was, en keek glunderend door het raampje naar buiten.
De heer de Boer, die anders toch niet op z'n mondje gevallen was, staarde ons in opperste sprakeloosheid met wijdopen mond aan, volkomen van de wijs gebracht. Hij werd daarin ten volle ondersteund door al onze medereizigers. De manier waarop iedereen ons aangaapte, sloot volkomen aan bij m'n eigen verwarring. 
"Eh, sorry hoor...", hakkelde ik, "ik snap er ook niks van... Ik wist nog eens zélf niet dat we op weg waren naar het... het..."

Het woord wou me niet over de lippen komen. Maar dat was ook helemaal niet nodig: de afkeuring in ieders blik sloeg eensklaps om. Het was alsof heel de buslading passagiers zich collectief bewust was geworden van een stuk stront waar ze 'en masse' hadden ingetrapt. Iedereen distantiëerde zich nadrukkelijk van ons en begon obstinaat door het eigen raampje te turen. Alleen de heer de Boer wachtte kennelijk nog op een zinnige verklaring. Die kwam er dan ook toen José me bij de hand greep en, naar een plantsoen wijzend, verrukt uitriep: "Hé! Ze hebben daar boompjes geplant!", waarop de heer de Boer, met een schuinse blik op de reuzegrote populieren, voorzichtig gas gaf en de rit vervolgde alsof hij op eieren reed. 

José keek ondertussen geboeid naar buiten. 
"Wat is alles toch veranderd..." mompelde ze. 
Na een tijdje zakte ze wat achteruit en klemde de papieren zak stevig tussen haar tengere armen. Ze sloot even haar ogen en keek me een beetje ontredderd aan. 
Weet je," vertrouwde ze me toe, "Het is al meer dan tien jaar geleden dat ik nog eens het café ben uit geweest... Je blijft toch bij me tot we terug thuis zijn hé?
"Ja hoor", suste ik haar toe, me afvragend waar we in 's hemelsnaam zaten, wat we hier eigenlijk deden, waar de rit zoal naar toe ging en hoe we terug 'thuis' moesten geraken: ik was tenslotte nog maar zelf enkele dagen in deze voor mij totaal onbekende stad. Wat kwam ik hier nu ook alweer zoeken? Ach ja: filosofie, de grondvragen van het bestaan, de eeuwige zoektocht naar de existentie der dingen. Wel, dan was dit geen slecht begin. Als José al een houvast zocht, kon ze op mij rekenen: 'Praktische lessen filosofie in de bus op weg naar het gesticht'.

Gedurende gans de rit hield de chauffeur ons nauwlettend in de gaten. Z'n blik vloog alsmaar nerveus heen en weer tussen het verkeer en de binnenspiegel waarin hij telkens werd getrakteerd op de bijterige grijns van Brammetje die, dicht tegen José aangekropen, de chauffeur aanhoudend fixeerde met z'n giftig groene blik. 
Op een gegeven moment remde hij zachtjes af bij de zoveelste halte en draaide zich half om. In de hoop te ontsnappen aan José's aandacht, keek hij me doordringend aan, gebaarde met z'n wijsvinger enkele rondjes naar z'n voorhoofd, wees vervolgens uitdrukkelijk naar een imposant gebouw langszij de bus en deed toen de deur open met de geobsedeerde blik van een gokker die net het starthokje van z'n favoriete hazewind heeft zien openklappen. 
Ik zuchtte. Ik nam me stellig voor haar voortaan in bescherming te nemen tegen zoveel onbegrip in deze grote boze wereld buiten haar staminee. 
"Kom José, ik denk dat we er zijn", en hielp haar galant het trapje af, op de voet gevolgd door Bram. De bus stoof met een vaart weg en liet ons samen achter op de stoep vóór het 'gesticht' . 
 

XVI


        José nam het gebouw even op en knikte toen langzaam. 
"Ja, hier zal het wel zijn", zei ze aarzelend. 
Haar hand zocht beverig steun aan m'n jas. Ze bleef roerloos staan en keek nagelbijtend naar de ingang. 
"Ze mogen me hier niet houden, hoor je me?! Nóg niet!
Ik omarmde haar en drukte haar zachtjes tegen me aan. Haar broos figuurtje ademde een stille wanhoop uit. Ze keek me lam geslagen aan. 
"Ik wil haar alleen maar even zien... Er is niemand anders meer, zie je... m'n man, m'n vrienden en vriendinnen..."
Voorzichtig opende ze de papieren zak en keek erin alsof ze voor een diepe kloof stond. Het was haar oude fotoalbum. Haar blik trok weer onrustig naar de ingangspoort. 
"Kom!", zei ze beslist, "dit had ik al veel eerder moeten doen."

We stapten samen naar het oude gebouw. De architect had zich blijkbaar laten inspireren door een middeleeuwse banketbakker. Het was net een grote ronde bakstenen taart, versierd met allerlei speelgoedtorentjes, kanteeltjes, erkertjes en waterspuwertjes in allerlei vormen. Achter de minuscule schietgaatjes, aan weerszijden van de halfronde inrijpoort, zaten zeer zeker demente cupidootjes suikerpijltjes op ons af te schieten. 

De ontwerper van dit meesterlijk bouwwerk had een waarlijk passend kader geschapen waarin kindsheid en seniliteit ten volle tot bloei konden komen. 'Zij die het nog niet zijn, zullen het hier worden'. Een opschrift in die strekking ontbrak hier nog. Een gezonde bejaarde geest had hier nog toekomst. 
Was dit het antwoord aan het einde van de weg? Was dit het laatste wat je van het leven te zien kreeg nadat de heer de Boer je prozaïsch van de bus had getrapt? Wist de stad dan echt niks beters te bedenken dan een grotesk uit z'n kluiten gegroeid roomgebakje om je laatste levensdagen in te slijten? 

Binnen stappend bereidde ik me voor op het ergste. Ik zag het spookbeeld al voor me van feodale vliegende nonnen, druk in de weer met urineflessen, dwangbuizen en enorme kookpotten, met in het midden van de reusachtige ronde zaal kwijlende en door mekaar kronkelende zwakzinnigen, zorgvuldig opgesloten achter stevige tralies. 
Ik haalde opgelucht adem: binnenin was van de ronde bakvorm niks meer te bekennen. Alles was netjes opgedeeld in functionele ruimtes. Gans het interieur was helder en fris gerenoveerd, tot de vliegende nonnen toe: een aardige verpleegster kwam ons vriendelijk tegemoet. 'Wiske C.', las ik deze keer op haar naamplaatje. In plaats van een bedpan, bood ze José uitnodigend een steunende arm aan. 
"Kan ik iets voor je doen?"
José bekeek haar met bezwerende achterdocht. Ze omklemde m'n hand met de kracht van een bankschroef en verstopte zich half achter m'n rug. 
"Neen!", beet ze haar kortaf toe en bleef haar aanstaren als een exorcist. 
Wiske was echter niet uit het veld te slaan. Ze gaf José een warme glimlach en keek me informerend aan: 
"Kom je iemand opzoeken?
"Eh... ik denk het wel ja.", en keek op mijn beurt José vragend aan. 
José boog haar hoofd naar de papieren zak. Haar stramme lijf verloor alle kranig opgebouwde stugheid. De naam van een lang vervlogen geest kwam zwakjes fluisterend over haar dunne lippen. 
"Martha...", ze leek wat te duizelen. "Ik denk... ik moet efkens gaan zitten."
Ze keek zoekend in het rond. 
''Waar is hier 't privé?
Ze duwde de papieren zak in m'n handen en stommelde met Bram aan de hand naar een grote melkglazen witte deur waar in gouden sierlijke krullettertjes 'Kapel' op stond. 
Wiske wou haar achterna, maar ik hield haar tegen. 
"Laat maar, ze moet gewoon even bekomen."
De deur viel zachtjes achter hen dicht.

Wiske keerde zich naar me toe. 
"Kom je misschien even rondkijken voor haar, voor later?", vroeg ze me zacht. 
Ik keek haar wat gepikeerd aan. 
Wel neen, hoe kom je daarbij?
Ze vatte m'n weigering verkeerd op. 
"Je kan haar altijd komen opzoeken hoor! Onze deur staat altijd open!
Ik bekeek de voordeur. Er zat geen klink langs de binnenkant en ze zat potdicht. 
Wiske haastte zich om enige uitleg te verschaffen. 
"Ik bedoel dat je hier niet gebonden bent aan bezoekuren... Maar euh... het spreekt vanzelf dat we de veiligheid van onze gasten optimaal willen waarborgen hé."

Tja, tenslotte was dit natuurlijk wél 'het gesticht', alhoewel dit verdacht veel naar vrijheidsberoving rook. Ik kon me moeilijk een voorstelling maken van het soort toestanden die dit konden verantwoorden. Maar ja, het was dan ook de eerste keer dat ik een 'gesticht' van binnenuit bekeek. Trouwens, wat is een 'gesticht' eigenlijk? In elk geval had de heer de Boer op zeer plastische wijze hier geen twijfel over laten bestaan. Maar ik had zo m'n twijfels over de soliditeit van het brein van de heer de Boer, ofschoon dit feit op zich hem misschien wel tot een expert maakte dienaangaande. Kan een gek oordelen over 'dé Gekte'? Mmm, nee, toch niet in het geval van de heer de Boer. Het uitzinnige gedrag waarmee hij zichzelf als een waanzinnige distantiëerde van alle 'gekte' maakte hem zelf tot een karikatuur van datgene wat hij verafschuwde. Of is dit in de grond misschien wel de ware beweegreden en de drijfveer van hulpverleners in de psychiatrische sector? Afschuw en agressie gesublimeerd in bezorgdheid en hulpvaardigheid? Zit het Beest in de Schone? Ik keek naar Wiske's zachte naieve gelaatstrekken. Zij hield wat ongerust de kapeldeur in de gaten. Jawadde! Hoe kon ik dit jonge lieve schepseltje tot een object maken van zulke verknipte hersenspinsels! Of kwam hiermee Freud al om de hoek kijken?

Zucht... Ik was alweer aanbeland in die doolhof waarin op elke tweesprong een oude wijze man zit die me in z'n alwetendheid steeds de 'ware' weg wijst, met de boodschap vooral niet naar die ándere oplichters te luisteren. Een beetje zoals een Brusselaar die ergens in de Vlaanders z'n wegenkaart is kwijtgespeeld en van lieverlee dus maar de weg vraagt naar de Oude Dijkmolenbrug (of iets in die strekking) en tot z'n grote ergernis, na een sightseeing van de Houten Dijkmolenbrug, de Oude Molendijkbrug en nog een stuk of wat varianten op "Akkerdjue, 't léégt op 't puuntsje van m'n tongenéé", er tenslotte de brui aan geeft om dan tot de ontdekking te komen dat 'de hoofdstad van Europa' nergens staat bewegwijzerd. Op zulk moment heb je de keus tussen drie dingen: een hol graven in de grond en je er catatonisch in verschansen, óf als een gek beginnen rondscheuren op de Vlaamse kinderkopkes tot in een slippende bocht het eerstvolgend Mariakapelleke er een genadig eind aan maakt (waarschijnlijk op de Oude Dijkmolenbrug), óf uitstappen en je, al filosofisch mijmerend over de weg, de waarheid en het leven, tot het inzicht komt dat je nu eenmaal niet die levensweg bewandelt die je zelf kiest, noch degene die andere wijsneuzen voor je uitgestippeld hebben. Wat dan weer de aloude vraag doet opkomen of er al zoiets bestaat als ‘vrije keuze’. 

Reeds als kind had ik het daar moeilijk mee gehad telkens als m'n moeder de snoepjespot op tafel zette. Het heerlijke gevoel waarmee ik in m'n verbeelding elk snoepje apart over m'n tong liet glijden om er op die manier het lekkerste uit te kiezen, werd me elke keer reeds na enkele ogenblikken ontnomen. Met het deksel van de bollenpot dreigend in de hand, bezweerde m'n moeder me: 't is kiezen of delen! Los van het feit dat de context van deze uitspraak me telkens ontging, ontnam ze me daarmee elke denkbare keuze: als je moet kiezen tussen 'kiezen' en iets anders, moet je sowieso kiezen en heb je defacto géén keus. Net voor het deksel definitief de pot op ging, grabbelde ik er dan maar vlug het bovenste snoepje uit. Alzo leerde ik letterlijk met mondjesmaat wat kiezen in de meeste gevallen eigenlijk inhoudt: als je geen eieren kiest voor je geld, krijg je het deksel op je neus.

Ik keek op en zag recht in Brammetje's groene ogen. Hij stond in de halfopen kapeldeur en staarde me haast beschuldigend aan. Achter hem was een vreemd spektakel aan de gang. Allerlei bizarre figuren kwamen ergens vanuit een zijdeur de kapel binnen geschuifeld of gestrompeld. De één keek dwaas grinnikend in het rond, een ander schreed statig verder met haast gesloten ogen en het bovenlijf steil achterover hellend. Elk van hen leek ooit bevroren in één bepaalde aangrijpende emotie om er sindsdien blind in te blijven ronddwalen tussen de verhakkelde puzzelstukjes van hun eigen ik. 
In een langgerekte monstrueuze optocht vulden ze in een haast sinistere stilte de prachtige barokke kapel. 

Ik schrok van Wiske's uitnodigende stem. 
"Als je wil...eh...", ze zocht even naar de juiste woorden, "op zondag heten wij iedereen van harte welkom op onze mis... euh, nee, ik bedoel op onze gezamenlijke eucharistieviering…"
Met haar vinger nadenkend tegen haar mompelende lippen, zag ze eruit als een kind dat moeite heeft met het repeteren van de zopas geleerde nieuwjaarsbrief. Er schoot haar iets te binnen. 
Wacht, ik zal even de onthaalbrochure voor je halen.

XVII

        Bram keek me ongeduldig aan. Hij stapte op me af, trok me bij de hand naar binnen en stevende recht op José af die op de laatste bank gebiologeerd zat te starogen naar het hallucinante tafereel. 

Onverhoeds stokte de macaber-kolderieke optocht. Drie gebaarde mannen, gekleed in een lang bruin gewaad, waren resoluut de kapel ingestapt. Ik haalde ongewild opgelucht adem: deze mannen, duidelijk behorend tot de kloosterorde, vormden door hun doelgerichtheid een standvastige tegenpool in gans deze psychotische bombarie. Al vlug moest ik m'n mening herzien: het leek of ze uit alle macht onder hun drieën het wereldrecord kruistochtlopen wilden breken waarbij de achterste met moeite de middelste bijhield die op zijn beurt de voorste op de hielen zat. Plots bleef de voorste stokstijf staan met z'n blik strak gericht op het altaar en zeeg neer met wijd gespreide armen. Hierbij viel het bruine deken af dat hij blijkbaar over z'n pyama had geslagen. Nauwelijks raakten z'n knieën de grond of hij liet z'n stijfgespannen bovenlijf vervaarlijk voorover hellen. Net vóór de pyama-pater pardoes op z'n gezicht zou vallen, pakten de gewijde confraters hem bij z'n armen en zetten hem op de dichtstbijzijnde bank. Ze keken mekaar even goedkeurend aan met een blik van ingewijde verstandhouding en gingen elk op weg naar het volgend bedrijf in dit zonderling wekelijks ochtendritueel. 

Volkomen in de ban geslagen door dit buitenissige gedoe, zocht ik op de tast een plaatsje naast José. Met verbijstering merkte ik Bram op, die stilletjes naar voren was gelopen. Hij ging zitten naast een stokoude vrouw. Zij had de blinde desolate blik van een halfvergane wassen beeldenpop. Even twijfelde ik nog... De gelijkenis was dan ook ver te zoeken tussen dit gebarsten gipsen afgietsel en de stralend opgewekte volksvrouw, trots bruisend van levenslust: de foto boven de koekjestrommel... Als Bram er haar niet feilloos had uitgekozen, had ik haar vast niet herkend. Als gewoonlijk wanneer hij zich veilig voelde bij iemand, nestelde hij zich dicht tegen haar aan, waarbij hij haar willoze arm zelf over zich heen sloeg. 
Een misdienaar sloeg zachtjes tegen een kleine gong. De donkere klank vulde zinderend de kapel. 

Bram schurkte zich lekker tegen haar aan... alhoewel, er klopte iets niet... er was iets raars aan de hand met hem... Saartje's oma had zich een weinig schrijlings over hem heen gebogen en het leek nu of Bram zich trachtte los te wringen uit haar omarming. 
Ik liep snel op hen toe. In haar hand waarmee zij Bram haast in een wurggreep omklemde, zat één van z'n kartonnen visitekaartjes. Op haar wangen bungelden enkele dikke tranen. Ze staarde naar een punt ergens hoog achter me en leek gespannen naar iets te luisteren. Ik boog me naar haar toe en keek haar in de ogen. Met een waanzinnige schok realiseerde ik me dat Bram gekneld zat in de omarming van een dode... 

Ik pakte Bram beet en sleurde hem vanonder haar arm weg. Levenloos viel ze opzij met het hoofd op de knieën van haar gebuur die abrupt in een schelle hinnikende lach schoot. 
Met de doodsadem nog in z'n nek snelde Bram de kapel uit. Ik wou hem achterna maar werd plots langs achter vastgegrepen. Het was José die verwilderd neerstaarde op het stoffelijk overschot van haar enig overgebleven vriendin. 

M'n hoofdwond begon weer pijnlijk te kloppen en er begon iets te stotteren in m'n kop. Alle waanzin, geconcentreerd in dit verdoemde kapelletje, werd met kannen en kruiken naar binnen gegoten via het gapende slokkende kruisje op de kruin van m'n hoofd. Met José op m'n rug vastgeplakt, strompelde ik naar de melkglazen witte deur, naar de gouden lettertjes, naar het 'gelukskamertje' , het 'Privé', waar ik al het opgeslokte duivelsgebroed in me ging uitschijten en doortrekken! 

Ik merkte dat ik geen adem meer kreeg en moest José's verstikkende armen van m'n hals aftrekken. Ze gleed van me af en bleef jammerend op de grond liggen. Ik probeerde haar zwijmelend nog naar buiten te slepen, maar twee ziekenbroeders namen haar rustig, doch zeer beslist van me over en droegen haar luid kermend de kapel uit via de zijdeur. Saartje's oma was blijkbaar intussen ook reeds afgevoerd. De celebrator zette prevelend het openingsgebed in en de zondagsmis begon met slechts enkele minuten vertraging. Onverzettelijke efficiëntie als wapen tegen onverbiddelijke waanzin. 

Bram had gelijk: ik moest hier weg en wel zo snel mogelijk! Hij stond al aan de klinkloze straatdeur en bonkte er verwoed met z'n knuisten tegenaan. Wiske had van gans het gebeuren in de kapel blijkbaar niks gemerkt (ik vroeg me af of ze dat ooit wel deed) en slaakte een zucht van opluchting toen ik de hall binnen kwam. 
"Oh, gelukkig bent U daar! Ik wou u niet storen tijdens de viering ziet U.
Ze was duidelijk de kluts kwijt door het gedrag van Bram. 
Ik stelde haar op haar gemak.
"Nee nee, 't is goed. Hier is het veiliger... ik bedoel... eh... we willen naar buiten, kan dat?
"Ja natuurlijk! Ik zal even op het knopje duwen, maar wacht U niet even op die oudere dame?
"Eh, nee... Ze heeft haar vriendin gevonden..."

Walg! Hoe kon ik in 's hemelsnaam zoiets uit m'n strot krijgen! Nauwelijks een halfuur geleden had ik mezelf plechtig voorgenomen om voor haar zorg te dragen en beloofd haar terug thuis te brengen! Ik kreeg zin om ook op die deur te gaan bonken. Met een elektronisch zoemgeluidje knipte de deur van het slot en zwaaide ze tergend langzaam open. Nog vóór ik er een hand tussen kon krijgen, was Bram al de piste uit. Helemaal overstuur en gedesoriënteerd wankelde ik naar buiten. 


XVIII

        Waar naartoe? Naar Saartje?

Het idee alleen al! 'Hallo Saartje, ben even een ochtendwandelingetje gaan maken. José heb ik huilend achtergelaten in 't gesticht en Bram is spoorloos verdwenen nadat hij bijna was gestikt tussen de armen van je inmiddels overleden oma. Wil je sandwiches of broodjes bij je ontbijt?

Ik kreeg een rotte vieze smaak in m'n mond en zocht bevend steun aan de natte muur die lekker fris aanvoelde. M'n kop zat barstensvol als een stoompot onder druk waarvan het fluitje vastgeroest zat. M'n longen hapten als een dolgedraaide pomp lucht naar binnen. Er glipte iets van tussen m'n handen weg. Zonder het te beseffen had ik al die tijd nog de bruine papieren zak vastgehouden met José's fotoalbum erin. De zak was stuk gescheurd en de album viel er nu uit op de blinkend natte straatstenen. De wind sloeg één voor één de gebarsten kartonnen bladen om en de foto's dwarrelden alle kanten uit. Op de koop toe begon het terug te regenen. Op handen en knieën begon ik dan maar de foto's bij mekaar te grabbelen. 

Halverwege gaf ik het op: de plaatjes waren stuk voor stuk verloederd. Moedeloos bekeek ik het geredde stapeltje dat als één natte koek aan mekaar plakte. Het was allemaal zo duidelijk hopeloos. Ik had zelfs geen zin meer om recht te staan en kroop naar een bloemperkje onder de beschutting van een erker waar ik met de rug tegen de muur van het gesticht ging zitten.

Met halfgesloten ogen legde ik m'n barstende hoofd tegen de koele gladde muurstenen en keek recht in de gapende mond van een uitbundig lachend cupidootje dat met z'n potsierlijke wangetjes boven me uit de muur kwam piepen. Eindelijk... ik werd kierewiet. Het engelengedrocht begon warempel koketterende geluidjes te maken. We gaapten mekaar versteend aan, allebei verkleefd in deze muur van waanzin. Ergens diep in de ingewanden van het ding borrelden de rochelende klanken op van één of andere levende oerprut, een schimmige brei van alle verdoemde hersenspinsels die zich gedurende jaren achter deze gladde muren hadden gesedimenteerd in een stinkende vergeetput en nu kotserig en hongerend een weg naar buiten wrongen door dit gapende engelengat. 
Een gulp ijskoud vocht spoot vanuit de waterduivel recht in m'n gezicht.

Even verderop kwam een bus de straat ingedraaid. Kennelijk lag het gesticht heel toepasselijk vlak bij de terminus, want aan het stuur zat de heer de Boer die bijna van z'n stoel veerde toen hij me in de gaten kreeg. Haast stapvoets kwam hij langs me gereden en staarde me onverholen aan met een hartsgrondige verachting in z'n blik. Plots schoot hij in een bulderende lach en stoof plankgas weg. Ik kon het hem niet kwalijk nemen: wat kon nog lachwekkender zijn? Zoals ik daar zat, tussen de muurbloempjes van het gesticht, ondergespuwd door dat stenen blaasbalgengeltje... Ik begon stilletjes te wenen... 

De nattigheid maakte van de foto's een soort van miniatuuraquarelletjes. De kleuren van een heel mensenleven losten zienderogen in elkaar op tot wat vodjes kleffig papier. 
Schreiend zocht ik de foto met Saartje en Tom erop. Eindelijk vond ik ze terug: ze zat gewoon nog in het album. Door de regen begon de lijm in de rug en de kartonnen kaftbladen te lossen. Voorzichtig plukte ik de foto uit de fixeerhoekjes. Op de achterkant zat dichtgevouwen een briefje geplakt. Het was nog niet aangetast door het vocht, maar het briefje was zo oud dat het nauwelijks te ontcijferen was. 

José,

            Er schieten me woorden tekort om je te vertellen wat een geweldig idee ik dit vind. Met jouw kordaat sturende hand en de goedlachse blijmoedigheid van je man zal het algauw een plek worden waar de vriendschap van gans de buurt jouw levensgezel wordt.

            Het kind waarnaar je jaren hebt gehunkerd, het verdriet dat je tot wanhoop dreef toen het maar niet wilde komen terwijl m’n Liza ter wereld kwam, de jarenlange berusting en dan de oude wonde die terug open scheurde met de geboorte van Tom en Saartje... ik wéét het!

            Maar de ontstellende vreugde waarmee je het meterschap over Tom en Saartje hebt aanvaard, geeft mij de broodnodige levenskracht nadat ik m’n liefste Liza heb moeten afstaan op haar kraambed. Sindsdien was jij de sterkste en was jij diegene die me altijd terug kon opbeuren als ik het te kwaad kreeg. De liefde waarmee je Tommetje en Saartje omringt, straalt vanuit dezelfde plek in je hart waarin ooit het verterend verlangen naar een kind zich had ingevreten.

            Zoals je van deze plek een thuis maakte voor jezelf, voor Tom en Saartje en voor mij, zo ben ik ervan overtuigd dat je ‘Chez José’ tot een hartelijk toeverlaat zal maken voor allen die het noorden kwijt zijn of gewoon een bakje troost en wat vriendschap zoeken.

            Met jouw achter de tapkast zal het voor vele anderen van de buurt een waar plezier zijn om op het leven te klinken!

Je liefste vriendin,

Martha

Ik las het briefje nog een keer... en nog een keer... en zag in flitsen een verleden opborrelen uit een moeras van wanhoop en verdriet. Saartjes oma, die eerst haar dochter en enkele jaren later haar kleinzoontje had moeten afstaan.  Martha en José, twee hartsvriendinnen, gelouterd en gesterkt door mekaars hunkering naar leven, een vastberaden verlangen, zó sterk dat het tenslotte een prooi werd van waanzin tot in de dood. 

Hoe sterk mag een mens dan wel worden? Als je eigen wanhoop en verdriet zich alsmaar verder uitkristalliseert tot het enige dwaallicht in een donkere eenzame tunnel, heeft het dan nog zin om hardnekkig je krachten te bundelen, als je daarmee jezelf tot ver voorbij de grenzen van de waanzin plaatst? In het land der krankzinnigen komt de sterkste waarschijnlijk het verst.

Daar moest ik me dus alvast geen zorgen om maken, bedacht ik grimmig. Verder dan het randje (van wat dan ook) kwam ik immers toch nooit. Alhoewel, de laatste dagen had ik een onbevroede kwaliteit ontdekt in mezelf: ik kon de zaken behoorlijk grondig verprutsen. 

Dit was een ontnuchterende gedachte. Hier zat ik, Samuel 'De Rechtvaardige', zeer bedreven in het ingenieus fabriceren van de meest vernietigende oordelen over mensen die als ware helden door het leven zijn gegaan en wiens getuigenissen hier verstrooid rondom me lagen. Als ik geen hartgrondige hekel aan mezelf wilde krijgen, dan moest ik nu opstaan en datgene doen wat helden in zulke omstandigheden plegen te doen: José terug halen uit dat verduiveld gesticht!

XIX

        Vastberaden stevende ik terug op de toegangspoort af, die tot m'n verrassing net op dat moment werd open geduwd door een kolossaal dik mens met een kruisje op haar gladgeschoren kruin. 
"Mik???, wat doe jij hier?!
Ze keerde zich zó verbazingwekkend snel om dat het leek alsof ze slechts haar hoofd en voeten 180° had omgedraaid: ertussenin was geen verschil te merken. Ze was helemaal buiten adem. 
"Ha Steert, gelukkig! Ik dácht al dat je hier zou zijn! We zijn jullie allemaal aan 't zoeken.
Terwijl ze naar adem hapte, keek ze even zoekend in 't rond. "Waar is José en Bram?
"José... ? Wel euh... zij... ik...
Waar moest ik in ‘s hemelsnaam beginnen? 
"We zaten in de bus en toen...
Miljarde! Ik had hier geen tijd voor! Ik had al binnen moeten zijn! Maar Mik blokkeerde gans de poort en uit ervaring wist ik dat alleen dynamiet of deskundig lobbyen dit probleem zou kunnen oplossen. 
"Mik, laat me asjeblieft door. Ik zal het later wel uitleggen.
"Dat jullie in die bus zaten," hijgde ze hortend, "dat weet ondertussen al de halve stad...
Ze bekeek me langzaam van top tot teen. 
"Maar Sam, als je zó hier naar binnen gaat, kom je d' r van je leven niet meer uit! Wat hebben jullie eigenlijk uitgevreten? Heb je een modderbad genomen of zo? En die verpieterde foto's die overal op je kleren plakken..."
Ze plukte er ééntje af en bestudeerde het plaatje nauwkeurig. Langzaamaan veranderde haar voorhoofd in een driedubbel gevouwen matras. 
"Zeg, maar... dat... dat is er ééntje van José!
Ze bukte zich een weinig (tenminste, er leek toch iets in te zakken) en keek hevig geïnteresseerd naar m'n kletsnatte bemodderde broek. Plots graaide ze me vast en draaide me als een voddenpop alle kanten uit tot ze alle foto's van me had afgegraaid. Ik voelde me als een kaduke grabbelton op een uit de hand gelopen kinderfeestje. 
Ze hield, nog steeds hijgend, haar gezicht vlak tegen het mijne. Oh help! Als dit zo verder ging zou straks zelfs een toupetje niet meer toereikend zijn... Ik wou haar net in herinnering brengen dat ik onder de hoge bescherming stond van 'de Snaar', toen haar blik iets suikerzoet kreeg... iets... cupido-achtig. 
Verschrikt deinsde ik achteruit. In theorie was ik een altruïst: ik had er namelijk niks op tegen dat iedereen van me hield, maar euh... wel, als iederéén dit principe in praktijk ging toepassen, waar gaat het dan naar toe hé? Niet?
Ze begroef m'n schouders onder haar handen, keek me fluweelzacht aan en veranderde me in een piepkuiken. Komen wat komen moest... 
"Steert, vertel es, wat is er nu precies gebeurd? Waar zit José? Ze kent haar weg niet meer in de stad. Wie weet waar ze terechtkomt, je moet het me vertellen, joh. Dan gaan we haar samen zoeken, ok?"
Haar overstelpende bezorgdheid, haar verpletterende kameraadschappelijk gebaar waarmee ze m'n schouders zowat ontwrichtte, de overdonderende steun die van haar afstraalde...
Het brak me allemaal op. 
''Wel, we zaten dus samen op de bus en toen gooide de Boer ons d'r uit en toen werd José héél chagrijnig en tikte hem met haar paraplu op z'n kop en euh... en toen durfde ze hier eerst niet naar binnen maar ik beloofde haar terug thuis te brengen en toen moest ze naar 't Privé en Bram trok me mee naar binnen en daar zat Martha en toen gaf Bram z'n visitekaartje en toen viel ze dood en toen hebben ze José van me afgepakt en toen... euh... en toen is Brammetje weggelopen en is de zak gescheurd en vielen alle foto's op de grond en toen ben ik maar onder dat cupidootje daar gaan zitten... en euh... en toen wou ik José gaan redden... Dus... wil je me nu asjeblieft, -asjeblieft!- binnen laten?

Mik's mondje was intussen gestadig blijven open zakken waarbij de vetplooien van haar voorhoofd als een harmonica naar haar hals verhuisden. Zo meteen kon hier een mijnwerker aan de slag om de zaak te stutten. Haar onderkaaksbeen verdween geleidelijk in het trekorgel dat dapper nog een geluidje produceerde: "Huh... ???", waarbij haar ogen heftig begonnen te knipperen. 
De poort werd van binnenuit verder opengetrokken. Een verpleegster alias hostess, gekleed in een hagelwit leuk deux-pièces uniform nam ons vriendelijk op. 
"Kan ik iets voor je doen?
Haar uitnodigende arm bleef halverwege richting Mik even doelloos in de lucht hangen, maar zonder een krimp te geven veranderde ze spoorslags van strategie en richtte zich inviterend tot mij. Het was gewoonweg meesterlijk hoe ze me in één lieflijke oogwenk taxeerde, waarna haar hand in één vloeiende beweging weer van koers veranderde en een onzichtbaar haarlokje onder haar leuk hoedje stopte. 
Mik had zich kennelijk omgedraaid (ik controleerde stilletjes de positie van haar voeten) en haar mond sloeg met een duidelijk hoorbare klap dicht, gevolgd door de echo van een verschrikt hikje dat haast verlegen ontsnapte uit het kersrode mondje van onze hostess.
Ik vermoedde dat de onthaalbrochure manifest tekort schoot inzake zulke situaties. Haar hartelijke charmante oogopslag bevroor in een uiterst professionele glasharde glimlach waarmee ze ons afstandelijk inblikte. 
"Komt U iemand opzoeken?", vroeg ze me poeslief met een ondertoon van 'knibbel-knabbel-knuisje'. 
"Eh, ja... 't is te zeggen, we komen voor José.
Onderwijl keek ik langs haar heen de inkomhall in. Wiske was nergens meer te bekennen. Waarschijnlijk had ze haar dienst erop zitten. We moesten het dus stellen met onze 'professional'.
"José? José wie?

Jakkes, dat was een goeie... Misschien dat Mik... Ik keek haar hoopvol aan, maar zij had zich getransformeerd in een onneembare vesting, een van rantsoenen uitbulkende donjon, klaar om een eeuwenlang beleg te doorstaan. 
Tja, José wie??? 
Wel, José van 't café hé", klonk het zwakjes. 
Dit deed haar duidelijk deugd. M'n weinig assertief en hulpeloos gemompel had kennelijk de deuk hersteld in haar glad imago van dienstvaardig hulpverleenster. 
"Ik zou je graag willen helpen, maar ik vrees dat er wel minstens vijf José's opgenomen zijn. Van 't café zei je? Is zij misschien opgenomen met een drankprobleem? Dan zou ik de dossiers kunnen..."
Nee, nee!", onderbrak ik haar vlug, "Het is háár café en ze dronk alleen maar erwtensoep, geloof ik.
"Erwtensoep hé?", ze keek me meelevend aan. “Nu ja, als het haar eigen café was, geef me dan even het adres, dan kan ik haar zo ook opzoeken."
Adres???
Heu, ja dat... dat weet ik eigenlijk niet, eh, 't is in die straat recht over het tulpenhuis van Saartje 's oma..."
Pfff, neen, dit liep niet goed... 
"Dus alles wat je weet is dat je een zekere 'José van ’t café’ komt opzoeken?" Haar stern klonk ietwat geïrriteerd. "Wélk café dan?"
Dat was een makkelijke! 
"Chez José!", flapte ik uit. 
Ze keek me aan en leek zich af te vragen of ik wel aan de goeie kant van de deur stond. Met een vriendelijk soort tolerant sarcasme vatte ze het even voor me samen. 
"Zo zo, je bent dus op zoek naar José van 't café 'Chez José' recht tegenover één of ander tulpenhuis van de oma van een zekere Saartje.”
Als was ik haar kleine kapoen die haar net een ondeugende schelmenstreek had verkocht, vermaande ze me met een zwaaiend vingertje: “Je maakt het me niet gemakkelijk hé?”
Het zwart gelakt wijsvingernageltje verhuisde peinzend over haar kersrode lippen.
Eens kijken... Je weet zeker ook niet wanneer ze is opgenomen?
"Ja ja, dat weet ik! Nog geen halfuurtje geleden!
Tiens, daar is me niets over bekend. M'n collega die vanmorgen dienst had, heeft me daar niets over verteld.
Neen, dat kon ook niet want ze wist er niks van. Ze hebben haar van me afgepakt in de kapel nadat Bram Saartje's oma dat visitekaartje had gegeven en... en... " 
Het groeiend wantrouwen waarmee ze mij opnam, maakte me duidelijk hoe compleet zinloos m'n heldhaftige voornemen om José te 'redden' eigenlijk wel was. 
Moedeloos stak ik m'n handen in m'n zakken en voelde plots het kaartje. 
"Hier! In deze straat is haar café!", wijzend op de halfvergane lettertjes. 
Ze nam het kaartje van me over en bestudeerde het nauwlettend. Ze fronste niet begrijpend haar geëpileerde wenkbrauwen. 
"Maar, dat is... Bent U dan familie van haar? Ik heb net nog haar kleindochter verwittigd. Trouwens, ze heette toch Martha, niet?
"Ja ja, natuurlijk! Maar José niet hé! José heette... ik bedoel heet... eh..."
Ja, 'José' natuurlijk. Driedubbele stomkop! 
Zei ze 'haar kleindochter'? Nondemiljarde! Straks stond Saartje dus hier... Godallemachtig! Wat een soep! Er ontplofte iets in m'n kop. 
"Luister es hier, arrogant geval! Of dat ge 't nu snapt of niet, José gaat met mij terug naar haar café, begrepen?! In plaats van hier te staan leuteren, zou je beter eens bellen naar euh ... hoe heet dat?... je moeder-overste of zo... nee, abt bedoel ik, enfin ja: je baas. Die zal wel weten over wie ik het heb!
Ze keek me spottend aan. 
"Dus U wil dat ik 'moeder-overste' bel om hem te vragen waar jij het over hebt?
Er begon me iets te dagen: vóór deze fijnbesnaarde cipier me in dit huis der barmhartigen zou toelaten, moest ik haar eerst m'n totale ontoerekeningsvatbaarheid bewijzen. Een contradictio in terminis.

Er was iets aan de hand naast me. Het was meer een gevoel van een naderende aardbeving. Ik keek naar Mik en deinsde achteruit. De donjon was veranderd in één van Hannibal's ten strijde trekkende olifanten. Ze greep onze 'professional' bij haar revers en tilde haar met gemak van de grond. Als een vulkaan flabberde ze brullend een paar liter speekseldruppels over ons lijkbleek geworden hostesje. 
"Ge hebt het toevallig tegen MIJNE vriend, gesnapt?!! En als die bruinsmoelkikkers José van MIJNE vriend hebben afgepakt, dan gaat het kot hier te klein zijn, gesnapt?!! Dus bel die moeder-dinges nu maar als de gesmeerde bliksem op, GE-SNAPT?!!!
Onze 'professional' had het gesnapt. Ze vluchtte hals over kop naar haar glazen bureeltje en begon paniekerig te telefoneren. 

Dát deed deugd zeg! Met Aïda's klaroengeschal schetterend in m'n oren, betraden we samen het bastion. Operatie 'José' was eindelijk gestart! 
We keken mekaar zegevierend aan: Mik en ik. Haar linker wenkbrauwkwab zakte even weg over haar oog in een diepe omwalling eronder: een triomfantelijke knipoog! Dit was pas échte kameraadschap! Samen gingen we deze klus even klaren. We keken smalend neer op onze verkreukelde deux-pièces prof. Het telefoongesprek was blijkbaar afgelopen. Versteend van schrik staarde ze Mik aan, de hoorn nog tegen haar oor geklemd als een laatste reddingslijn. 
Mik deinde dreigend op het glazen hokje af. 
"Leg neer dat ding, verdomde lafaard! Denkt ge dat ik ooit, al was 't maar ene keer, heb mogen bellen toen dat ik in de puree zat in dat kindergesticht?!! Leg neer dat ding!!!
Ze plakte haar gezicht plat tegen het glas, dat hierdoor helemaal bol op z'n breekpunt kwam te staan. Van Mik zag ik alleen maar haar massieve rug, maar te oordelen naar de reactie van ons hostesje was zij meer gesteld op een wat rustiekere aanblik. De huid rond haar kersrode lipjes werd zo wit als sneeuw en langzaam zakte ze weg in haar glazen kist.
Daar lag ze: stil ademend, totaal ongenaakbaar. Ze moest volmaakt gelukkig zijn. 

Een tikkeltje ongerust vroeg ik me af in wat voor gedaante haar prins tevoorschijn ging komen. We hadden dan wel onze eerste slag thuis gehaald, maar de manier waarop maakte de zaak wel nog iets gecompliceerder. Hoe moest ik dit nu weer verklaren? Trouwens, verklaringen in een gesticht?! Ik zag het al voor me: 'Goeiedag, ik ben Duimelijntje en kom samen met Holle Bolle Gijs ons grootmoeder redden uit deze middeleeuwse baktaart. Sneeuwwitje hebben we al uitgeschakeld en als je ons niet ogenblikkelijk binnen laat veranderen we je in een cupidootje!
Succes verzekerd! Ongetwijfeld de meest efficiënte manier om zo snel mogelijk binnen te raken, iets wat me echter hoe langer hoe minder aantrok.

Plots bedacht ik dat we nú al in de val zaten. Waar zat dat knopje waarmee Wiske de voordeur had geopend? 

XX

        Op dat moment werd de deur naast het glazen bureeltje krachtig opengegooid door een voortvarende sinjeur in kostuum met de gesikte kin in de aanslag, gevolgd door twee bodyguards in het wit zónder kin. Het heerschap nam ons even koelbloedig op, speurde vluchtig de hall af en nagelde ons vast met een ijskoude blik. 
Z'n stijf toegeknepen lippen maakten het duidelijk: ik mocht nog een laatste wens doen.
Stamelend deed ik dat: "Eh... Kunt U misschien even op het knopje duwen?"

Als bij wonder, werd op dat moment achter ons de voordeur opengeduwd en knipperden twee lodderogen de hall in. 
Ik herkende hem: het was DJ, het muzikale genie van de bende. Alleen hij kon de juke-box tot leven wekken zonder er geld in te stoppen. 
"Ha Mik! Hebt ge ze gevonden?
Zonder een antwoord af te wachten, draaide het loeder zich om en floot schril tussen z'n vingers. "Hey, mannen! De Dikke had gelijk! Ze zitten hier in 't gesticht!

Al gauw wemelde het in de hall van een allegaartje van half verlopen figuren. Het was of een buslading van aan lager wal geraakte toeristen even genietend de benen kwamen strekken op een vaste vertrouwde plek. De renovatie van het gebouw werd ijverig becommentarieerd en de directeur werd van alle kanten hartelijk begroet als 'de champetter'. Blijkbaar had hij ook een bloeiende privépraktijk als zielenknijper. Heel de bende kwam gezellig rond hem staan. Langzaamaan verstomde het goedlachse gekeuvel en ieder bekeek hem met een soort eerbiedig smalende pret. 

De directeur schraapte z'n keel en zocht naar de juiste woorden. Ik verwachtte stellig een uiteenzetting over het ontstaan en de geschiedenis van zijn dierbare gesticht. Ik zag hem in gedachten al bladeren door de lijvige historische annalen in het archief op zoek naar de markantste anekdote. De zwijgende verwachting in de groep steeg ten top toen hij eindelijk de juiste aanhef scheen te hebben gevonden: 
"(schraap)... Kan ik iets voor jullie doen?
Zo, dat was het dus.

De deskundigheid waarmee zowel Wiske C. als Sneeuwwitje en nu ook de directeur ons met deze geijkte frase wisten te verwelkomen, deed me vermoeden dat dit het geheim was van een succesvolle sollicitatie als hulpverlener binnen deze muren, onder het motto: 'Stel jezelf open voor elke bezoeker'.
Een curieuze vorm van klantenbinding, zou je kunnen zeggen: het is slechts een kleine denkstap van 'bezoeker' naar 'gast'. Binnen het gesticht krijgt elke zot de titel van 'gast' opgespeld met mijnheer de directeur als ervaren gids; zet je echter een voet buiten de deur, dan verandert elke 'gast' in een zot met 'de champetter' voorop. De directeur, alias ‘champetter’, duidelijk nog iemand van de ouwe stempel, zat kennelijk verveeld met deze lichtelijk schizofrene situatie: deze bende bezoekers stond bij hem immners geboekt als gasten, maar nu zij aan de andere kant van de muur stonden bleken het plots dan tóch een hoop gekken te zijn. Waar sta je dan als directeur? 

Vroeger was de voor de hand liggende oplossing even makkelijk als doeltreffend: 'Colloceren heel die handel!' Zo maak je van de zot terug een gast, van de champetter een psychiater en klaar is Kees. Maar sinds de antipsychiatrie roet in het eten had komen gooien, moest mijnheer de directeur het dus zien te redden als 'champetter', een stiel die hem in andere tijden waarschijnlijk beter had gelegen... Maar ja, de tijden veranderen hé. Een jonge dynamische kracht biedt dit soort confrontaties het hoofd met flexibiliteit, maagpoeders en stressballen (wat stellig een belangrijke oorzaak is voor de daling van het geboortecijfer); een meer conservatief ingestelde 'champetter' wordt er brutaalweg door verkracht. Het resultaat is veelal hetzelfde (en niet alleen aangaande het effect op het geboortecijfer): er komt een moment waarop de heilige koe der 'vooruitgang' je mét of zónder stressballen vermaalt en herkauwt tot compost-gek waar dokters, ziekenhuizen en inrichtingen zoals dit gesticht welig op tieren. 
En is het dan niet heel normaal dat je in zulke bedreigende situaties naar een houvast zoekt en dus naar het boekje grijpt?
"Kan ik iets voor jullie doen?

Geruggesteund door zoveel mankracht, deed ik kordaat een stapje naar voor. 
Wel... we komen José terughalen... Zij kwam hier gewoon iemand opzoeken, weet je, maar tijdens de mis raakte ze van de kaart. Ze moet hier helemaal niet opgenomen worden, ziet u... Ze mankeert echt helemaal niks hoor! Ze raakte alleen wat overstuur. En toen hebben ze haar weggedragen... waarschijnlijk per vergissing, want ze kwam gewoon haar vriendin opzoeken."
De directeur viel me zuinig en gedecideerd in de rede. 
"Dank u, ik ben reeds op de hoogte gesteld."
Van onder z'n borstelige wenkbrauwen keek hij me scherp onderzoekend aan. Hij vernauwde z'n blik om de leugendetector erachter te verbergen. 
"Bent u Sam?
Ik staarde hem perplex aan en was op slag op m'n hoede. 'Ontkennen!!', fluisterde het sissend door m'n kop. 'Alles ontkennen!! Hij kan niks bewijzen!' 
"Eh... waarom?
Ik kreeg spijt van het stapje dat ik naar voren had gezet. Wat minder kordaat, maar minstens even vlug, beende ik terug achteruit en trapte op Mik's voetjes. Nu had ik al tijdens enkele catastrofale danslessen aan den lijve moeten ondervinden dat meisjestenen zowat de enige plek van de vrouwelijke anatomie zijn die je rechtopstaand ten allen prijze moet vermijden. Na twee danslessen boordevol stuntelig voetenwerk was ik helaas nog niet verder gekomen in m'n exploraties naar 'de andere kunne' dan enkele fijngevormde vingerafdrukken op m’n kaak. Mik vormde op deze regel geen uitzondering. In een reflex schoot haar knie omhoog en belandde ik haast in de armen van de champetter. 
"Jazeker mijnheer de champ.. heu… directeur bedoel ik, dat ben ik, ik ben Sam!
"Kijk eens hier Sam, de plotse dood van haar vriendin was inderdaad een zware schok voor haar. Voor zover ik haar kan inschatten, heeft ze een sterke persoonlijkheid, maar ik vrees dat deze onverwachte gebeurtenis haar binnenin heeft gebroken."
Deze korte mededeling sloeg m’n kornuiten in verwarring. Met open mond staarden ze wat onnozel naar de champetter.
Deze keek me bezorgd aan. 
"Het zou goed zijn als er iemand enkele dagen op haar kon passen, zij zit in een zware depressie, zie je. Volgens haar eigen zeggen woon jij samen met de kleindochter van haar overleden vriendin. Een zekere Sarah, dacht ik. In deze omstandigheden lijkt het me beter dat ik eerst met háár overleg pleeg, vind je niet?
Met tegenzin moest ik toegeven dat dit meer dan redelijk klonk. Wie weet hoe Saartje de dood van haar oma zou verwerken en wie moest er dan op José letten? 

De directeur nam me vertrouwelijk bij de arm.
"Ik heb met mevrouw hierover net een gesprek gehad en zij is het erover eens. Ze gaf me deze sleutel. Ik moest hem aan jou geven. Het is de sleutel van haar privé thuis. Ze vroeg of je zolang de plantjes water kon geven."
Wat verbaasd nam ik de sleutel van hem over. Plantjes? Water? Op haar 'Privé'? 
DJ stootte me aan en gaf me een knipoog. "Niet te véél water, hé!
Zowat tien paar ogen keken me verwachtingsvol aan... jaja... de plantjes... 
Verdraaid! Dit was wel het beste bewijs dat José nog wel degelijk wist waar ze het over had! De champetter zou me natuurlijk nooit de sleutel van een café hebben gegeven.
De directeur was nog zo'n slechte kerel niet. 
"Luister Sam, je hoeft je absoluut niet verplicht te voelen. Ik kan zoiets makkelijk regelen via onze administratieve diensten. Desnoods laat ik die plantjes wel even ophalen en kunnen we ze hier...”
Er steeg een gesmoord gegiechel rondom me op. Mik gaf me stiekem een por. 
Nee nee," haastte ik me te zeggen, "dat is het niet, ik zal wel voor die... eh... plantjes zorgen, hoor!
Voilà, daar had je het. Ik had me zonet bevorderd tot kroegbaas.
"Eh... kunnen we haar misschien even opzoeken, denk je?
"Ik vrees van niet: ze slaapt momenteel. Maar je kan morgen de receptioniste even bellen. Zij kan je steeds inlichten over haar toestand.

Ach ja, de receptioniste... haar toestand... Ik keek schuin naar het glazen hokje. Gelukkig! Ze was weer boven water gekomen. Ze zag er eigenlijk best leuk uit met haar nieuwe zwevende look: ‘glacé à la vanille’. Enige antidepressiva zouden hier stellig wonderen doen. 

Ondertussen kreeg ik een stuk of wat kameraadschappelijke armen om m'n schouders geslagen en drong de bende me met ingehouden gegrinnik naar de buitendeur. Te horen aan het stotterend gezoem van het elektrisch slot was Sneeuwwitje ons liever kwijt dan rijk en al gauw stond ik in de regen op het voetpad, omringd door een troep halvegaren die bulkten van het lachen. 

XXI

        En daar kwam Saartje spierwit de hoek omgeslagen, haar fijnbesneden gelaatstrekken als een wassen spiegeling van haar oma's gebarsten dodenmasker. In haar hand hield ze losjes haar paternoster. Donker starend in een zuigende diepte doorwaadde ze de joelende bende, een abrupt spoor achterlatend van hortende stiltes. Traag duwde zij de poort open.

Een plotselinge paniek brak in me los. 
"Saartje... wacht even!
Ze bleef even roerloos staan. Een helse eenzaamheid straalde van haar rug af en dompelde me in een ijskoud vacuüm. 
Lieve deugd! Wat kon ik haar in godsnaam zeggen?
"Saartje! Het spijt me zo verschrikkelijk! Ik… ik zal hier op je wachten…

Met een rilling leek ze schichtig in mekaar te krimpen tot een slap hoopje verdriet. 
Wachten?... Jij?", mompelde zij tegen de deur. 
Als vanuit een half vergane voddenpop wolkten de woorden stoffig en doelloos in het rond. 
"Veertien jaar heb ik gewacht op haar... veertien jaren lang... gewacht, gebeden, gesmeekt... " 
Ze draaide zich om en keek me verbitterd aan. 
"En dan kom jij op de proppen hé?
Behoedzaam deed ze een stapje in m'n richting. Met groeiend wantrouwen nam ze me intens op en plots spuugde zij me cynisch het bijtend gif van al die jaren in m'n gezicht. 
"Gij gore pretentieuze klootzak! Wie denk je wel dat je bent?! Een derderangs nep-'terminator' misschien?!!! Kon je ons niet eens de tijd geven om van mekaar afscheid te nemen?! Je denkt toch zeker niet dat mijn oma hier al die jaren op jou heeft zitten wachten! Je droomt makker! D'r heeft niemand je wat gevraagd, hoor je! Hoepel op!! Maak dat je wegkomt! Verdwijn uit m'n leven, stuk verdriet!!!

En uitzinnig van woede smeet ze me de paternoster naar het hoofd.


XXII

        Ik kreeg een black-out. Van de volgende uren kan ik me niks meer herinneren. Blijkbaar had ik m'n gezicht ergens in Mik's voorkasteel begraven en ben onbedaarlijk beginnen te wenen, schreien, huilen, kermen, janken, grienen, snotteren... 

Uiteindelijk hef ik m'n gezicht van de met snot en tranen doorweekte trui en bemerk dat ik tegen haar aanleun op de gebarsten leren bank naast het raam in 'Chez José’. Bram ligt op m'n schoot te snurken.

Mik had de geredde foto’s uit José’s album op het tafelblad te drogen gelegd, samen met de paternoster. Nu heeft zij zich helemaal terug geïsoleerd in zichzelf. Vreemd hoe haar kolossale omhulsel zulk een afwezigheid kan uitstralen.

Ik staar naar het rozenhoedje en tracht tevergeefs me de warmte in gedachte te brengen van de gebedenkrans waar ik vol liefde mee was opgegroeid. Maar het gouden kruisje heeft z’n glans verloren, samen met al m’n herinneringskralen.

Ik weet eigenlijk niet meer waar ik vandaan kom.

Vanuit m'n jaszak vis ik Martha's verkreukelde brief, lees hem nog een keer door en kijk lang naar de foto van Tom en Saartje. Eén voor één neem ik afscheid van de brief, de foto, het kartonnen visitekaartje, de rozenkrans en leg alles samen met José's sleutel op de gekraste tafel.

Hier heb ik niks meer te zoeken.

Voorzichtig kus ik Bram zachtjes wakker. Hij kijkt me geeuwend aan. 

"Wil jij voor Saartje zorgen, Bram?", fluister ik hem toe. "Binnenkort verjaart ze weet je, en zonder jou is ze heel alleen.

Z'n oogjes zijn alweer dichtgevallen. Ik til hem van m'n schoot en nestel hem veilig weg, ergens tussen Mik's zachte rondingen. 

Tenslotte werp ik nog een laatste blik op het allegaartje van wat als een innige belofte was begonnen. 

Ik trek de buitendeur open en kijk verweesd naar het tulpenhuis aan de overkant van de straat.

Waar naartoe?

Slechts de lege nacht wacht me op.

De schel schampert kort en fel, als een flipperkast die me eruit knikkert.

 

- EINDE -

Enthousiast over deze inzending? Deel je enthousiasme op sociale media m.b.v. onderstaande buttons.

Reacties:

Iedere bezoeker (lid zijn is niet noodzakelijk) kan een reactie geven! Schrijvers stellen vooral je tips en opmerkingen op prijs.

Ook gratis meedoen aan een schrijfactiviteit? We publiceren je inzending voor minimaal 12 maanden. Meedoen is mogelijk door in te loggen en dan bovenin de pagina op de rode balk te klikken. Nog geen lid? Aanmelden is gratis.