Voor schrijvers, door schrijvers

Kort verhaal

Zeer*
Inzendingen: 895
Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! In deze schrijfactiviteit is ook ruimte voor reisverhalen en flitsverhalen.
 
 "Het meest beknopte en sprekend voorbeeld van een flitsverhaal is het verhaal dat Ernest Hemingway schreef.
" Te koop: babyschoenen. Nooit gedragen."

Zeer*

Tot in de schaduw op het verlaten perron is de zomerhitte doorgedrongen. Ewa’s ogen branden achter de zonnebril, haar tong tast langs de gloeiende binnenkant van haar mond en haar gezwollen lippen. Ze proeft nog een zweem van koper, de ergste pijn is weg.
Het bankje voelt hard aan onder haar pijnlijke billen. Waar had Jan de kracht vandaan gehaald haar zo’n ongenadige stomp na te geven?
Ze voelt zich koortsig, haar slapen bonzen. Misschien is het gewoon te warm voor haar spijkerbroek en T-shirt met lange mouwen. Ze had graag iets luchtigers aangeschoten toen ze haar bebloede kleding verwisselde. Zoals het verboden zonnejurkje dat Anna haar gegeven heeft. Maar haar armen en benen zijn nog beurs van vorige keren.
Met een achtergelaten krant waaiert ze zich koelte toe. Haar armspieren trillen, ze verslapt helemaal nu alle opwinding uit haar lijf verdwijnt. Ze is ineens doodmoe.
De middag was zo vredig begonnen. Ze had fruitsalade voor zichzelf klaargemaakt en een deel ervan meegenomen naar haar bloemenhoekje op de overwoekerde binnenplaats. Voor even had ze zich gelukkig gewaand.
Ewa onderdrukt een snik, gaat voorzichtig verzitten. Ze betast haar onderkaak. Zou die al blauw zijn? Hij heeft haar overal weleens te grazen genomen, maar niet eerder haar gezicht. Nooit haar gezicht.
‘Verdomme, Jan,’ prevelt ze, ‘de fruitsalade wás niet eens voor jou.’
Ze kijkt op wanneer reizigers langs de incheckpoortjes het perron opslenteren. Een beetje jaloers beziet ze het gemak waarmee zij hun ov-chipkaart hanteren. Zelf heeft ze in Nederland nog nooit met het openbaar vervoer gereisd.
Ze is dolblij dat de bibliotheek haar toegang tot internet biedt; dat ze onlangs heeft opgezocht hoe het ov-gedoe in z’n werk gaat; én dat op Jans kaart blijkbaar voldoende saldo staat. De scherpe randen snijden in haar hand, zo stevig houdt ze het ding omklemd.
In de weekendtas, inderhaast volgepropt om voorlopig niet terug te hoeven, grabbelt ze langs het kostbare potje naar Jans zwarte A5 agenda. Ze stopt de kaart terug bij haar ID-bewijs en zorgpas, die ze uit zijn portefeuille heeft meegegrist. Alle drie steken er als boekenleggers tussenuit, op de laatste half beschreven pagina. Gelukkig heeft ze de aandrang weerstaan de inhoud uit de ringband te ratsen en de beduimelde omslag naar zijn hoofd te smijten.
Nu beseft Ewa dat ze als bewijs kunnen dienen: al die volgekladde blaadjes waarop hij haar doen en laten vastlegde. Zelfs het koffieschenken in het buurthuis, dinsdags van tien tot twaalf; haar vrijwilligerswerk in de biep, waar ze maandags, woensdags en vrijdags tussen halftwee en halfvijf met karretjes teruggebrachte boeken langs de schappen zwoegde.
Wonder boven wonder liet hij haar gaan, maar owee als ze niet meteen daarna thuiskwam; als het eten niet stipt op tijd klaarstond, of het huis niet aan kant was. Per dag hield hij in de agenda bij welke karweitjes ze verrichtte – en met welk resultaat. Als Jan tevreden was, stond er niets achter de notitie. Meestal zette hij er een misnoegde smiley bij. Zijn urenlange zwijgen was dan het minste wat ze kon verwachten.
Uit warmtetrillingen in de verte doemt haar stoptrein op. Goddank op tijd, Anna zal haar vast al staan opwachten. Zo’n behulpzame maatschappelijk werkster. Jaren eerder dan zijzelf als Poolse bruid afgereisd vanuit dezelfde geboortestreek, dat schept een band zo ver van huis.
Toch heeft ze zelfs Anna niet alles verteld. Niet dat de charmeur die ze vorig jaar trouwde ziekelijke obsessies ontwikkelde sinds zijn ZZP-bedrijfje faillietging en hij werkloos thuiszat.
Een stel van haar leeftijd komt hand in hand aangerend. Hij stropdas los, satijnen overhemd, kleurig ingepakt cadeau onder de arm; zij hooggehakt, nietsverhullend avondjurkje, zomerboeket tegen haar boezem geklemd. Het contrast met Jan en haarzelf steekt haar, heviger dan ze wil voelen.
De sprinter remt schril knersend af. Ze blijft zitten om het gedrang te vermijden. Voorbij uiteenwijkende passagiers ziet ze hen uitstappen, vastberaden, met twee, drie tegelijk. Mannen, vrouwen, voornamelijk jong, een enkeling blank, de meesten met een getinte huid. Sommigen hebben bekladde lakens over de arm, anderen dragen kartonnen protestborden, met het opschrift “We Are Here!”
Ondanks haar eigen ellende welt medelijden op. De We-Are-Here-groep voert al jaren strijd voor een ander asielbeleid, weet Ewa. Voor een normaal leven met normale mensenrechten: onderdak, scholing, werk, medische zorg. Er was pasgeleden een documentaire over op tv.
‘Stelletje uitgeprocedeerde ellendebakken,’ brulde Jan dwars door de vertellende asielzoekers heen. ‘Asielgat, ammehoela. Geen bed, bad, brood goed genoeg voor jullie. Nee, leegstaande panden kraken, omwonenden overlast bezorgen, dát is de oplossing. Pleur op naar je eigen land. Ga dáár elk pleziertje terroriseren.’
Wat had ze ertegenin kunnen brengen? Dat hij wanhopige vluchtelingen over één kam scheerde met terroristen? Dat deze mensen niet terug kúnnen gaan; dat hun vaderland in oorlog is, waardoor hun ambassades in Nederland geen terugkeerdocumenten kunnen verstrekken? Hij luisterde toch niet. Hij luisterde nooit.
Pal voor haar bankje drommen de actievoerders samen, met hun brabbeltaal en nerveuze gebaren. Een Afrikaanse knul spreidt zijn spandoek wijduit, juist als ze zich overeind hijst en haar opengeritste tas vastgrijpt. Zijn hand scheert rakelings langs haar geschonden kaak.
Ze hapt naar adem. Beelden flitsen voorbij. Jans uithalende vuist. Zijn gezicht, al behoorlijk opgezet, vertrokken van woede. Zijn verstikte stem, alsof zijn keel al bijna dichtzat. Hoe ze het in haar hersens haalde om juist díe vruchten door de fruitsalade te doen.
Ze krimpt ineen, waardoor de weekendtas omkiept en de inhoud over de grond verspreid raakt.
‘Genoeg,’ krijst een vrouw van heel dichtbij. ‘Tot hier en niet verder.’
Dan beseft ze dat het haar eigen stem is. Meteen is ze terug in het nu, op het perron, waar het geroezemoes abrupt verstomt.
Fonkelende ogen staren haar aan. Gekuch, gefluister, geschuifel van voeten.
Een demonstrant met grijzende kroeskrullen boven een strijdlustig rimpelgezicht dringt naar voren, een protestbord opgeheven: “Geen mens is illegaal!” Zijn ophitsende kreet smoort in gegorgel na een stomp van de jeugdige spandoekdrager.
‘Sorry. Ik sorry.’ De jongen smijt zijn spandoek terzijde en raapt haar spulletjes bijeen.
Vrouwelijke mededemonstranten volgen zijn voorbeeld.
Haar bevende handen ontmoeten vreemde, die haar van alles aanreiken: ondergoed, Anna’s zonnejurkje, theeblik vol heimelijk opgespaard wisselgeld, Jans agenda, zijn krakkemikkige mobieltje, make-upspullen…
Het potje! Waar is …?
De trein staat op het punt van vertrekken. Wild zwaait ze naar de conductrice, die aarzelend haar fluitje laat zakken.
Ze gluurt tevergeefs tussen benen door, duikt onder de bank. Daar! Daar ligt het, glinsterend in een plas melk, het etiket “Blauwe plekken zalf” doorweekt.
Zou álle melk eruit gelopen zijn?
Een dwingend fluitsignaal.
‘Jij moet gaan,’ zegt de jongen. Hij grijpt de weekendtas, dirigeert haar naar de trein.
Al lopend wiegt ze het potje – en hoort geklots. Opgelucht lacht ze haar uitgeslagen tanden bloot.
Haar helper roept iets onverstaanbaars, zijn toon en blik verbijsterd. Hij tikt op het deksel. ‘In daar?’
Ewa knikt.
Wanneer ze is ingestapt, geeft hij haar de tas aan. ‘Zeer?’
‘Minder dan de pijn hier.’ Ze klopt op haar hartstreek.
‘Want, weet je, fruitallergie kan dodelijk zijn,’ murmelt ze, terwijl de deuren dichtglijden en ze draaierig op een klapstoel neerploft.
Toen ze wegging, zat Jan onderuitgezakt naast de voordeur, wijdbeens, onregelmatig en rasperig ademend. In haar barmhartigheid legde ze de huistelefoon binnen zijn bereik. Waarna zijn vuist met alle kracht een laatste maal haar billen trof voordat ze als de wiedeweerga langs hem heen vluchtte. De voordeur liet ze openstaan.
De trein schiet vooruit. Ze gaat het redden. Tanden bewaren in melk en binnen twee uur hier, heeft de tandarts tegen Anna gezegd. Komt helemaal goed.
Was dat maar waar.
 
*Opgenomen in de wedstrijdbundel “De zwarte agenda” van Schrijverspunt.
Dit artikel delen?

Ineke van Stempvoort

Avatar

Publicatie op .
Hits: 89

geef een waardering voor: "Zeer*"

Geschreven door Ineke van Stempvoort . Geplaatst in Kort verhaal.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
27.11.20
  • Lezenswaardig:
    100%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
16.11.20
Feedback:
Aandoenlijk...
Grammatica & Spelling:
Goed
  • Lezenswaardig:
    100%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Emoticons: ;o = wink:d = bigsmile, :-$ = blush, (^) = cake, (h5) = clapping, 8) = cool, ;( = crying, (x) = handshake, :? = thinking, (hartje) = heart
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!

Snelmenu: Klik, voor belangrijke pagina's, aan de rechterkant op de blauwe button !