Voor schrijvers, door schrijvers
Kort verhaal

Kort verhaal

Aantal gepubliceerde inzendingen: 726

Zand

Sinds mijn huis vol ligt met dingen die ik langs de straat vind, wil niemand nog iets met mij te maken hebben. Ik ben er niet rouwig om.

Mijn dagen kan ik uittekenen. Iedere dag als de wekker gaat, rek ik mij uit en draai ik mij langzaam op mijn linkerzijde. Met de rechterhand breng ik de lawaaischopper tot zwijgen. De eerste inspanning is gelukt terwijl de dag nog moet beginnen. Even zitten op de rand van het bed om de duizeligheid te bedwingen. Daarna sta ik langzaam op en wandel langs de dozen op de overloop naar de badkamer. Twee handen vol water wrijf ik in het gezicht en een bats water gooi ik over mijn bijkans kale hoofd om het weinige haar enigszins te fatsoeneren. Kort rossen met de handdoek. In de spiegel kijken, daar heb ik niets mee. Als je in je eentje woont en alleen de deur uitgaat om een wandeling te maken terwijl bijna iedereen nog op één oor ligt, is een kam overbodig. 

Kort slapen en nachtelijk piekeren jagen mij ‘s morgens het bed uit. Er is veel om wakker door te blijven. Mijn onbegrepen avontuur van jaren geleden houdt mij nog steeds uit de slaap. Ik werd op een ochtend wakker in een voor mij onbekende kamer van ongeveer vier bij vijf meter. Ik had geen idee hoe ik in die kamer terecht was gekomen. Vanuit huis was ik, als directeur van de timmerfabriek van Greet, in mijn nette pak gewoon naar mijn werk gegaan. Toen ik de eerste keer in de kamer, die achteraf een bunker bleek te zijn, wakker werd, had ik een t-shirt, overall en zware schoenen aan. Bij het verkennen van de ruimte vond ik een matras in de hoek, een stapel onderbroeken, drie t-shirts, twee overalls en een emmer met daarin toiletpapier. Verder een wastafel met alleen een koudwaterkraan en nog een lichtknopje bij de deur dat niet werkte. Alleen door het kijkgat in de deur zag ik licht naar binnen vallen. Zo in het donker restte mij niets anders dan mijzelf vragen te stellen, na te denken en mij zorgen te maken. Daar had ik gelukkig een dagtaak aan. Een keer per dag kwam iemand mij een maaltijd brengen. Dan ging het licht dat door het kijkgat straalde uit en hoorde ik voetstappen en het hijgen van een hond die aan een ketting rukte. De deur ging even open om een dienblad naar binnen te schuiven. Met een klap viel daarna de deur weer in het slot. Tien maaltijden heb ik daar al met al gehad. Om de andere dag groente, vlees en aardappelen of pasta. Iedere dag een jerrycan met water. Dat was alles. Overigens ben ik er nooit zeker van geweest dat iedere maaltijd voor een dag stond. Bij iedere derde maaltijd zei een jongen die de maaltijd kwam brengen gebiedend: “Emmer wisselen.” Hij schoof een schone emmer en toiletpapier naar binnen en nam mijn volle emmer mee. Hij verdween daarna zonder verder een woord te zeggen. Ik heb hem tot op heden, zover ik weet tenminste, nooit gesproken. 

Als ik zijdelings langs de stapels kranten de trap afloop, praat ik zachtjes tegen mijzelf. Even de stembanden smeren voor het geval dat een onverlaat het in zijn hoofd haalt om vandaag bij mij aan te bellen of met mij een gesprek aan te knopen. De kans is klein, maar ondanks dat ik niets met mensen heb, zou het lastig zijn als het eerste contact met de ander op de stembanden mis zou lopen. De broodrooster staat nog op het aanrecht met de stekker in het stopcontact. Een sneetje brood verdwijnt in het apparaat. Terwijl het plakje brood een bruin laagje krijgt en een warme geur verspreidt, vul ik de waterkoker. Een ochtend zonder thee is als een slaap zonder dromen. Geen zak aan. Iedere ochtend groene thee als bijdrage aan mijn vetverbranding en het goede cholesterol. Dat is gezond. Althans dat is mij verteld door mijn buurvrouw. Zij is diëtiste en heeft er verstand van. Wat ík tegenwoordig vooral belangrijk vind is de tekst die aan het theezakje hangt. Een vraag of overdenking op het label zet mijn hersenen direct aan het werk. Al weet ik niet altijd een oplossing, toch geeft een overdenking mij iedere ochtend een prettig gevoel. Zeker nu, nadat ik mij sinds vorige week minder zorgen maak.

Mijn buurvrouw heeft mij een tijdje geholpen met de huishouding en het boodschappen doen nadat Greet, mijn vrouw, vijf jaar geleden verdween. Dat was vlak nadat ikzelf terug was na een onbegrepen avontuur. 

Ik was dagenlang gegijzeld, maar de laatste keer dat ik wakker werd in mijn cel stond de deur wagenwijd open. Licht uit de gang stroomde naar binnen. Tot mijn verbazing voelde ik dat ik mijn nette pak weer aan had. In de zak van mijn colbert ontdekte ik de sleutels van mijn Volvo. Mijn mobieltje zat in mijn binnenzak. Naast het matras stonden mijn eigen schoenen. In de gang zag ik niemand. Druppels hingen aan het lage plafond. Gebukt liep ik in de richting van het daglicht. Vol ongeloof dat ik zo weg kon lopen. Buiten aangekomen zag ik tussen de bomen mijn Volvo op het bospad staan. Ik was vrij. In mijn auto reed ik het bospad af. Aan het einde van het pad kwam ik op de Apeldoornse weg. De route naar huis was zo gevonden. Toen dacht ik nog dat Greet het wel fijn zou vinden om mij weer terug te zien. De schrik waarmee ze bij mijn thuiskomst reageerde, houdt mij nog steeds uit mijn slaap. 

Na de verdwijning van Greet heeft de hele buurt helpen zoeken. De buurtgenoten hadden geen idee waar ze moesten beginnen. De politie kwam er ook nog aan te pas al had die eerst weinig interesse. ‘Niets verdacht aan een verdwijning van een volwassene. Dat weet u toch uit ervaring. Volwassenen zijn vrij om te gaan en te staan waar ze willen. Ze zal, net als u, wel terugkomen als ze daar zelf zin in heeft,’ hadden de agenten gezegd. Ik vertelde de agenten niet dat Greet niet blij was geweest toen ik weer thuis kwam. De politie kwam pas weer in actie nadat ik hen een pluk haar en een eis voor losgeld bracht. Daarna heb ik, vreemd genoeg, niets meer vernomen.

Ik trek mijn jas aan en schuifel langs de dozen naar buiten. Mijn handkar die met twee kettingen aan de lantaarnpaal staat, haal ik van het slot. De kar houd ik even schuin om het regenwater op het blauwe dek te lozen. Mijn dagelijkse wandeling door de wijk en langs de Punt van Pad kan beginnen. Het ochtendbriesje streelt mijn hoofd, terwijl een waterig zonnetje zijn best doet om mijn kalende hoofd te verwarmen. In de ochtend is dat een kansloze missie. Aan het einde van de straat zie ik een oudere vrouw in een blauwe jas. Zij laat haar lichtbruine labradoodle uit. Een lieve aaibare hond. Dit in tegenstelling tot het baasje. Een roddeltante, dat is ze. Ik vertraag mijn pas. Zin om een praatje te maken heb ik niet. Gelukkig slaat ze bijtijds af. 

Na een paar minuten ben ik op de dijk. Op de talud ligt een verdwaald voorwiel van een fiets. Ik buk mij om het op te rapen en in mijn handkar te leggen. Twee  plezierjachten liggen voor de brug. Op dit vroege uur moeten de schippers nog even geduld hebben. De brug maakt deel uit van de ringweg en tijdens spitsuur gaat de brug niet open voor boten. Dat moet je maar net weten. Ze hadden nog een uurtje kunnen slapen als zij daar behoefte aan hadden gehad. Één zwaait vanaf het dek naar mij. Ik steek mijn hand op en mompel ‘morgen.’ 

Aan de overkant van het water opent een man de gordijnen van zijn appartement. Twee fietsers rijden keuvelend richting het centrum van de stad. Ook zij zijn er vroeg bij. Ze worden ingehaald door een man die zich zelfs op zijn speed pedelec nog in het zweet jaagt. Die kan eerst gaan douchen voordat hij achter zijn bureau gaat zitten. De bus dendert over de brug. Naast de brug zie ik werklui die op dit vroege uur druk bezig zijn met het bestraten van de stoep rondom het nieuwe bedrijf voor biomedische technologie. Als ik ze zo bezig zie, dan denk ik dat ze dit geen jaren vol zullen houden.

Wandelend langs het water, mij verwijderend van de stad, hoor ik het geluid van rondvliegende vogels en het zoemen van een mug. Je kunt je amper voorstellen dat het centrum van de stad op tien minuten fietsafstand ligt. Als ik mij omdraai richting sluis zie ik de twee waarschuwingsborden op de Punt van Pad al weer staan: ‘Levensgevaarlijk terrein, niet betreden’ en ‘VERBODEN TOEGANG. Art. 461 Wetb. V. Strafr.’ Na vorige week loop ik iedere dag even langs. De laatste jaren is er een berg ontstaan, opgeworpen door vrachtauto’s met laadbakken vol grond. Daar ben ik blij mee. Alleen de chauffeurs kennen de herkomst. De borden doen het ergste vermoeden. Veel buurtgenoten vragen zich af: Waarom verboden toegang, waarom levensgevaarlijk terrein? Is het vervuilde grond? In de naastliggende wijk denken ze nog steeds dat er een nieuw natuurgebied komt. Nu lopen er al reeën. Wat zouden de mensen uit de buurt graag even de heuvel beklimmen om te achterhalen wat er nu allemaal op het terrein gebeurt. Helemaal nu ze begin vorige week mannen in witte pakken bovenop de berg hebben zien staan en de twijfel in de buurt is toegeslagen.

Jaren geleden ben ik voor het eerst in het gebied geweest. Toen was het nog geen verboden terrein, maar wel zo drassig dat bijna niemand zich er waagde. Vorige week ben ik tegen de regels in twee keer over het hek geklommen. De eerste keer om te kijken wat de werklui daar allemaal aan het doen zijn. Ik heb niemand op de heuvel gezien. Dat snap ik wel. Het borrelt er en het sist. En dan die hoeveelheid nat zand die er ligt te drogen. De tweede keer was ik er om half vijf in de ochtend om te kijken of de grote grijze zak die ik daar jaren geleden gedumpt heb nog steeds goed verborgen ligt. Ik kon hem niet meer vinden. Wat mij betreft kom ik nu nooit weer achter dat hek. Terwijl ik langsloop stel ik vast dat er ook vandaag geen beweging op de heuvel is. Tevreden ga ik naar huis. 

De deurbel gaat. Half liggend in mijn leunstoel schrik ik op. Stijf van het middagdutje is het een heel gedoe om uit de stoel te komen. Met moeite kom ik overeind door met beide handen af te zetten op de leuningen van de stoel en gelijktijdig de benen te strekken. Zo is het mij in het ziekenhuis geleerd toen ik daar na een breuk in mijn linker been in behandeling was. De deurbel gaat opnieuw. 

“Ja, ja, rustig maar. Ik kom eraan hoor,” zeg ik met krakende stem. Het zal mij benieuwen of de bezoeker mij gehoord heeft. 

Licht zwalkend sta ik voor de stoel. Rustig uitstrekken en even blijven staan voordat ik de eerste stap zet. Het overhemd dat een beetje kreukelig is, stop ik strak bij mijn broek in. Even mijzelf toonbaar maken zodat ik het bezoek geen schrik aanjaag. Het duizelige gevoel trekt langzaam weg. 

Door het spionnetje in de buitendeur zie ik twee agenten. Zij hebben mij waarschijnlijk gehoord en lijken geduldig te wachten. Ik zet de deur op een kier en schraap mijn keel. 

“Goedemiddag heren, wat kan ik voor u doen?”

“Mogen we binnenkomen. We willen graag even iets met u bespreken.”

Ik kijk hen verbaasd aan. “Wat valt er te bespreken?”

“Dat kunnen wij u zo hier bij de voordeur niet zeggen. Is het goed dat we even binnenkomen?”

Ik maak de ketting los om de deur verder te openen: “Vooruit, kom dan maar even binnen. Volg mij maar.”

In de kamer haal ik opgestapelde kleren van de stoelen. De agenten gaan zitten en kijken om zich heen. Al die spullen, ze zullen wel denken.

“Wat wilt u met mij bespreken?”

“We zullen maar meteen met de deur in huis vallen. Bent u wel eens bij de dijk op de afgraving geweest?”

Ik knik: “Dus jullie hebben mijn vrouw gevonden” 

Dit artikel delen?
Auteur van dit artikel:
© Eelco Visser
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
Hits: 78
Publicatie op .
 
  Meer van deze schrijver:

Geef een waardering voor: "Zand"

Geschreven door Eelco Visser . Geplaatst in Kort verhaal.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!

Nu te koop...