Kort verhaal

Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! 
Fragmenten uit gepubliceerde manuscripten of vervolgverhalen zijn niet toegestaan en verwijderen we! Bij een kort verhaal geven we de voorkeur aan maximaal 1000 woorden.

Ga s.v.p. naar het overzicht van deze schrijfactiviteit om ook jouw verhaal/gedicht toe te voegen.

236 Hits

Publicatie op:
Verhaal met een staartje

De wekker was weer later dan de vele vogeltjes die Appie hadden wakker gezongen. Met een bonzend hoofd van het slaapgebrek had hij op de tast zijn pantoffels aangedaan, met zijn ogen nog half dicht. Iedere ochtend hetzelfde. Ver voor zonsopgang werd hij wakker gemaakt door de sijsjes. “Je hebt sijsjes en drijfsijsjes,” hield hij stug vol, “en verder interesseert het me niet.” Volgens zijn vader, een verwoede ornitholoog, begint de roodstaart als eerste met roepen, gevolgd door de lijster en de merel. Hem was het om het even. “Vliegende herriemakers zijn het,” bromde hij voor de zoveelste keer tegen zijn vrouw. Zoals altijd had zij heerlijk geslapen en niets gehoord.

Beneden in het toilet liepen weer mieren rond. Twee weken geleden had hij nog een lokdoosje neergezet, maar dat hadden die krengen kennelijk al weer leeggegeten. Hij sloeg geërgerd naar een fruitvliegje dat voor zijn neus een rondje deed en vertelde vrouwlief dat ze de planten buiten moest zetten in plaats van binnen. Zij hoorde hem geduldig aan, zoals altijd, en zette ondertussen het ontbijt op tafel.

Hij at haastig, met grote happen en slokte zijn iets te hete koffie gulzig naar binnen. Toen stond hij op om naar zijn fiets te gaan, net voordat de kinderen uit bed kwamen. Zijn ergernis was compleet toen er een kattendrol voor de schuur bleek te liggen.

“Ik haat dieren, ik haat ze, ik haat ze,” herhaalde hij half hardop.

De kater van de buren, die door Appies plotselinge komst geen tijd had gehad om zijn uitwerpselen te begraven, hoorde hem. Beledigd zette hij zijn haren overeind en vertelde het aan de herdershond. Het duurde niet lang, of iedereen had het gehoord, dat wil zeggen, alle dieren.

Toen hij hard fietsend was aangekomen op de hoek van de Keizer- en de Stadhouderstraat zetten ze de aanval in. De wesp vloog precies tussen zijn ogen richting neus, de hond leidde zijn aandacht af door hard te blaffen en moeder eend liep samen met haar kleintjes hard kwakend de weg over. Toen hij zijn stuur omgooide, vloog mama duif hem recht in het gezicht.

Het geluid van de sirene werd overstemd door het gekwetter van de vogels, het geblaf van de honden en het gemiauw van de katten. Ze hadden grote lol toen Appie half bewusteloos werd weggedragen de ambulance in.

In het ziekenhuis was het stil, akelig stil. Toen hij zijn ogen voor het eerst weer opende, zag hij een verpleegster die hem vol medelijden, maar ook met enige ironie in haar ogen, bekeek.

“U hebt een mooie val gemaakt,” zei ze, “een lelijk geval van Zoöfobie. Een mevrouw die haar hondje uitliet heeft het allemaal gezien. Ze zei dat u zo schrok van haar Fikkie, die overigens keurig aan de lijn liep, dat u over de kop bent geslagen met de fiets.”

Verontwaardigd wilde hij haar uitleggen wat er echt was gebeurd, maar bedacht toen dat toch niemand hem zou geloven.

“U hebt geluk meneer,” vervolgde ze toen, op een irritante sussende toon, “de dokter, een grote dierenvriend, heeft een nieuw medicijn uitgevonden. Gecombineerd met een goede therapie kan het uw angst voor dieren misschien verminderen. U had vanmorgen geluk dat er verder niemand in de buurt was, want u had ook anderen schade kunnen berokkenen.”

“Angst?” vroeg hij, ziedend van woede. “Angst? Ik haat dieren, ik haat ze!”

Na het bezoek van de psychiater besloot hij om toch maar vrijwillig in behandeling te gaan. Hij werd een week lang opgesloten in een kliniek waar geen diertje te zien was. Voor de grap hing er een koekoeksklok aan de wand waar ieder heel en half uur een clown op een veertje uitsprong. Bij de maaltijden kreeg hij niets dierlijks geserveerd, zelfs geen melk of eieren.

Toen hij dit absoluut zat was, besloot hij – geheel vrijwillig natuurlijk – om het nieuwe medicijn, dat nog in de testfase zat, uit te proberen. Aangezien hij nog nooit angst voor dieren had gehad, enkel een hekel aan hen, werkte het fantastisch tegen zijn angst.

Nog een week later mocht hij weer naar huis. De vogels lachten hem vrolijk uit vanuit de hoge bomen, de honden blaften en de poezen miauwden. Zijn vrouw had een gebraden kippetje in de oven staan en zijn kinderen hadden mooie tekeningen van vissen, vogels en vlinders voor hem gemaakt.

Het was de jongste, die als eerste opmerkzaam werd op de vreemde bobbel achter in zijn broek. Net boven zijn billen begon zich een staart te vormen. De medicijnen bleken toch een onverwachte bijwerking te hebben en werden niet toegelaten op de markt.

Appie is samen met zijn familie vertrokken, met zijn staart tussen de benen. Niemand heeft ooit meer iets van hen gehoord, hoewel sommigen beweren dat de vogels in de bomen over hem zingen als ze 's ochtends vroeg de mensen wakker fluiten.


&caption=www.schrijverspunt.nl" class="popup" onClick="ga('send', 'event', 'socialshare', 'click', 'facebook');"> facebook
  •   Het lukt niet, ik zie alleen maar zijn rug in de verte. ‘Rik! Rik!’, probeer ik boven het gejuich van het publiek uit te komen. Maar Rik lijkt nog verder weg, klaar voor actie, zijn ogen gericht op de fretten van zijn versleten Fender. En Jake heeft zijn microfoon van de standaard afgehaald. Hij rent de catwalk op die ver het publiek insteekt. Omdat ik niet aftel, dondert zijn stem over de mensenzee: ‘ONE, TWO, THREE, FOUR!’  ‘Ik heb dorst!’, roep ik naar niemand in het bijzonder. We zouden het moeten doen zoals wielrenners. Met een bidon aan onze instrumenten. Met een rietje.

    Toen we pukkelige jongens waren in een garage, droomden we na de bandrepetitie  over het Godendom.  Nu ben ik een God, maar ik wil maar één ding: drinken. In Godsnaam, drinken. Maar de massa wil show, hier, ergens in Europa, God weet waar,  in een stadion. We spelen onder de rook van een vliegveld. De landingslichten van de Jumbo’s voeren een surreëele dans op met het schijnsel van onze theaterlampen. Het is bijna volbracht, God zij geprezen. Sally, ik kom thuis. Je bent vandaag jarig, maar ik kreeg je niet aan de lijn. Misschien lag je wel in je bed, moed te verzamelen voor de dag. Je krijgt van mij een zwembad. Eigenlijk wil ik je liefde geven, maar een zwembad is makkelijker. Het leven doet mij ook pijn, Sally. Meer pijn dan ooit, omdat dit het is wat ik altijd al wilde, en dit het dus is. Daar neem ik pillen voor, poeders, injecties….Maar voor de dorst, voor de dorst moet ik even kunnen stoppen, even alles stilleggen en drinken. Dan herinner ik me dat er een halve liter Budweiser naast mijn basedrum staat, onaangeroerd. Mijn rechterhand bevindt zich maar veertig centimeter van het ingeblikte koude vocht af! Maar die heeft het druk met de snare te bedienen, met de toms, met de cimbalen….. Wacht even. Denk helder na, zegt een stem in mij. Heerlijk helder, kloekklinkend frisdrinkend…….zet alles eens op een rij. In Jupiter Explosion zit de solo van Rik. Je begeleidt hem dan alleen op je hihat. Met je voet! Dan kan je de Budweiser pakken,  het lipje verwijderen en het bier in één keer achterover gooien. Halleluja! Gered! Maar waar blijft die solo nou? Die had er al lang moeten zijn. Ik ga dood. Als ik nu geen vocht krijg droog ik uit als het waterschildpadje dat ik had toen ik kind was, en dat de buurjongen zou verzorgen toen ik op kamp ging met de YMCA. Maar de buurjongen durfde niet aan te bellen, bang als hij was voor mijn vader en moeder. Die altijd genoeg te drinken hadden. 

    Een schijnwerper met helwit licht kiest mijn snare als brandpunt. Mijn zweetdruppels vallen op het drumvel en spatten in een lichtgevende nevel uiteen. Ik moet het zweten stoppen, het vocht bij me houden!

    Ik concentreer me op de muziek, die slechts in flarden mijn oren binnenkomt, alsof ik er zelf geen onderdeel van uitmaak. Hell. We spelen helemaal geen Jupiter Explosion. We spelen Marrakesh Torment. Of tenminste-John, Rik en Jake spelen Marrakesh Torment, ik speel Jupiter Explosion. Dus is er geen solo, dus geen Budweiser. Help me, collega’s! Jahweh, Allah, Ganesha met je Jumbokop! Geef ons heden ons water en bier! Maar mijn gebeden vervliegen in de mist op het podium. Wacht eens even…de mist trekt op, en onthult een gedaante. Het is niet Rik, Jake of John. Daar staat Hij, vlak voor mijn drumstel, Zijn gezicht naar mij toe. Liefdevol kijkt hij mij aan, zijn mantel wit als melk, zijn lange haren golvend als een waterval…Hoe kon ik je vergeten, Jezus Christ Superstar! 

    Zijn mond beweegt. Hij spreekt tegen me. Dan hoor ik zijn woorden:

    ‘Drink hiervan, dit is mijn zweet, het zweet van het verbond, dat voor velen wordt geplengd tot vergeving van zonden.’

    De Messias verandert de helwitte lichtbaan op mijn snare in een baan van sprankelend geel, het zweet zijns aanschijns, waarin Hijzelf oplost. Ik les mijn dorst met het licht, het bruisende licht dat drinkbaar is, het Goddelijke zweet dat mij bedwelmt als Dionysos achter zijn vilten drumstel. Vilten drumstel? Voorwaar, ik zeg u: mijn drumstel is veranderd in een vilten exemplaar. En waarom hebben Rik, John en Jake pakken aan die ook van vilt zijn gemaakt? En waarom draait de lavende lichtbundel weg? Lampje, waarom zwenk je? Ik spring over het vilt achter het gerstelicht aan, ik val, maar beland zacht op mijn rug op het vilten podium. Mijn ogen zijn wijdopen, en kijken recht in de landingslichten van Ganesha. God van de reizigers, land zacht! In gedachten zie ik de olifant rechtstandig dalen. Haar buik klapt open, en honderden stewardessen in sarongs van dunne doorzichtige lichtblauwe stof dansen een choreografie met hun blote voeten op het vilten vloerkleed. Ze gieten India Pale Ale in mijn mond vanuit kelken die op hun blote schouders rusten. Maar in het echt dorst de Jumbo hier niet te landen en verdwijnt uit het zicht.  En dan, heel plotseling, is alles donker. Honderden schijnwerpers zijn gedoofd. Nu kan ik het steelpannetje zien. Ik hoor geklap. Onheilspellend  langzaam ritmisch geklap van zestigduizend paar handen. Sally, waar ben je? Ik wil bier. Beer. Grote beer.

  • " class="popup" onClick="ga('send', 'event', 'socialshare', 'click', 'googleplus');"> google+
  • twitter
  • pinterest
  •   Het lukt niet, ik zie alleen maar zijn rug in de verte. ‘Rik! Rik!’, probeer ik boven het gejuich van het publiek uit te komen. Maar Rik lijkt nog verder weg, klaar voor actie, zijn ogen gericht op de fretten van zijn versleten Fender. En Jake heeft zijn microfoon van de standaard afgehaald. Hij rent de catwalk op die ver het publiek insteekt. Omdat ik niet aftel, dondert zijn stem over de mensenzee: ‘ONE, TWO, THREE, FOUR!’  ‘Ik heb dorst!’, roep ik naar niemand in het bijzonder. We zouden het moeten doen zoals wielrenners. Met een bidon aan onze instrumenten. Met een rietje.

    Toen we pukkelige jongens waren in een garage, droomden we na de bandrepetitie  over het Godendom.  Nu ben ik een God, maar ik wil maar één ding: drinken. In Godsnaam, drinken. Maar de massa wil show, hier, ergens in Europa, God weet waar,  in een stadion. We spelen onder de rook van een vliegveld. De landingslichten van de Jumbo’s voeren een surreëele dans op met het schijnsel van onze theaterlampen. Het is bijna volbracht, God zij geprezen. Sally, ik kom thuis. Je bent vandaag jarig, maar ik kreeg je niet aan de lijn. Misschien lag je wel in je bed, moed te verzamelen voor de dag. Je krijgt van mij een zwembad. Eigenlijk wil ik je liefde geven, maar een zwembad is makkelijker. Het leven doet mij ook pijn, Sally. Meer pijn dan ooit, omdat dit het is wat ik altijd al wilde, en dit het dus is. Daar neem ik pillen voor, poeders, injecties….Maar voor de dorst, voor de dorst moet ik even kunnen stoppen, even alles stilleggen en drinken. Dan herinner ik me dat er een halve liter Budweiser naast mijn basedrum staat, onaangeroerd. Mijn rechterhand bevindt zich maar veertig centimeter van het ingeblikte koude vocht af! Maar die heeft het druk met de snare te bedienen, met de toms, met de cimbalen….. Wacht even. Denk helder na, zegt een stem in mij. Heerlijk helder, kloekklinkend frisdrinkend…….zet alles eens op een rij. In Jupiter Explosion zit de solo van Rik. Je begeleidt hem dan alleen op je hihat. Met je voet! Dan kan je de Budweiser pakken,  het lipje verwijderen en het bier in één keer achterover gooien. Halleluja! Gered! Maar waar blijft die solo nou? Die had er al lang moeten zijn. Ik ga dood. Als ik nu geen vocht krijg droog ik uit als het waterschildpadje dat ik had toen ik kind was, en dat de buurjongen zou verzorgen toen ik op kamp ging met de YMCA. Maar de buurjongen durfde niet aan te bellen, bang als hij was voor mijn vader en moeder. Die altijd genoeg te drinken hadden. 

    Een schijnwerper met helwit licht kiest mijn snare als brandpunt. Mijn zweetdruppels vallen op het drumvel en spatten in een lichtgevende nevel uiteen. Ik moet het zweten stoppen, het vocht bij me houden!

    Ik concentreer me op de muziek, die slechts in flarden mijn oren binnenkomt, alsof ik er zelf geen onderdeel van uitmaak. Hell. We spelen helemaal geen Jupiter Explosion. We spelen Marrakesh Torment. Of tenminste-John, Rik en Jake spelen Marrakesh Torment, ik speel Jupiter Explosion. Dus is er geen solo, dus geen Budweiser. Help me, collega’s! Jahweh, Allah, Ganesha met je Jumbokop! Geef ons heden ons water en bier! Maar mijn gebeden vervliegen in de mist op het podium. Wacht eens even…de mist trekt op, en onthult een gedaante. Het is niet Rik, Jake of John. Daar staat Hij, vlak voor mijn drumstel, Zijn gezicht naar mij toe. Liefdevol kijkt hij mij aan, zijn mantel wit als melk, zijn lange haren golvend als een waterval…Hoe kon ik je vergeten, Jezus Christ Superstar! 

    Zijn mond beweegt. Hij spreekt tegen me. Dan hoor ik zijn woorden:

    ‘Drink hiervan, dit is mijn zweet, het zweet van het verbond, dat voor velen wordt geplengd tot vergeving van zonden.’

    De Messias verandert de helwitte lichtbaan op mijn snare in een baan van sprankelend geel, het zweet zijns aanschijns, waarin Hijzelf oplost. Ik les mijn dorst met het licht, het bruisende licht dat drinkbaar is, het Goddelijke zweet dat mij bedwelmt als Dionysos achter zijn vilten drumstel. Vilten drumstel? Voorwaar, ik zeg u: mijn drumstel is veranderd in een vilten exemplaar. En waarom hebben Rik, John en Jake pakken aan die ook van vilt zijn gemaakt? En waarom draait de lavende lichtbundel weg? Lampje, waarom zwenk je? Ik spring over het vilt achter het gerstelicht aan, ik val, maar beland zacht op mijn rug op het vilten podium. Mijn ogen zijn wijdopen, en kijken recht in de landingslichten van Ganesha. God van de reizigers, land zacht! In gedachten zie ik de olifant rechtstandig dalen. Haar buik klapt open, en honderden stewardessen in sarongs van dunne doorzichtige lichtblauwe stof dansen een choreografie met hun blote voeten op het vilten vloerkleed. Ze gieten India Pale Ale in mijn mond vanuit kelken die op hun blote schouders rusten. Maar in het echt dorst de Jumbo hier niet te landen en verdwijnt uit het zicht.  En dan, heel plotseling, is alles donker. Honderden schijnwerpers zijn gedoofd. Nu kan ik het steelpannetje zien. Ik hoor geklap. Onheilspellend  langzaam ritmisch geklap van zestigduizend paar handen. Sally, waar ben je? Ik wil bier. Beer. Grote beer.

  • %0A%0Ahttps://www.schrijverspunt.nl/verhalenwedstrijd/ik-heb-dorst%0A%0A" onClick="ga('send', 'event', 'socialshare', 'click', 'email');"> email
  • instagram
  •   Het lukt niet, ik zie alleen maar zijn rug in de verte. ‘Rik! Rik!’, probeer ik boven het gejuich van het publiek uit te komen. Maar Rik lijkt nog verder weg, klaar voor actie, zijn ogen gericht op de fretten van zijn versleten Fender. En Jake heeft zijn microfoon van de standaard afgehaald. Hij rent de catwalk op die ver het publiek insteekt. Omdat ik niet aftel, dondert zijn stem over de mensenzee: ‘ONE, TWO, THREE, FOUR!’  ‘Ik heb dorst!’, roep ik naar niemand in het bijzonder. We zouden het moeten doen zoals wielrenners. Met een bidon aan onze instrumenten. Met een rietje.

    Toen we pukkelige jongens waren in een garage, droomden we na de bandrepetitie  over het Godendom.  Nu ben ik een God, maar ik wil maar één ding: drinken. In Godsnaam, drinken. Maar de massa wil show, hier, ergens in Europa, God weet waar,  in een stadion. We spelen onder de rook van een vliegveld. De landingslichten van de Jumbo’s voeren een surreëele dans op met het schijnsel van onze theaterlampen. Het is bijna volbracht, God zij geprezen. Sally, ik kom thuis. Je bent vandaag jarig, maar ik kreeg je niet aan de lijn. Misschien lag je wel in je bed, moed te verzamelen voor de dag. Je krijgt van mij een zwembad. Eigenlijk wil ik je liefde geven, maar een zwembad is makkelijker. Het leven doet mij ook pijn, Sally. Meer pijn dan ooit, omdat dit het is wat ik altijd al wilde, en dit het dus is. Daar neem ik pillen voor, poeders, injecties….Maar voor de dorst, voor de dorst moet ik even kunnen stoppen, even alles stilleggen en drinken. Dan herinner ik me dat er een halve liter Budweiser naast mijn basedrum staat, onaangeroerd. Mijn rechterhand bevindt zich maar veertig centimeter van het ingeblikte koude vocht af! Maar die heeft het druk met de snare te bedienen, met de toms, met de cimbalen….. Wacht even. Denk helder na, zegt een stem in mij. Heerlijk helder, kloekklinkend frisdrinkend…….zet alles eens op een rij. In Jupiter Explosion zit de solo van Rik. Je begeleidt hem dan alleen op je hihat. Met je voet! Dan kan je de Budweiser pakken,  het lipje verwijderen en het bier in één keer achterover gooien. Halleluja! Gered! Maar waar blijft die solo nou? Die had er al lang moeten zijn. Ik ga dood. Als ik nu geen vocht krijg droog ik uit als het waterschildpadje dat ik had toen ik kind was, en dat de buurjongen zou verzorgen toen ik op kamp ging met de YMCA. Maar de buurjongen durfde niet aan te bellen, bang als hij was voor mijn vader en moeder. Die altijd genoeg te drinken hadden. 

    Een schijnwerper met helwit licht kiest mijn snare als brandpunt. Mijn zweetdruppels vallen op het drumvel en spatten in een lichtgevende nevel uiteen. Ik moet het zweten stoppen, het vocht bij me houden!

    Ik concentreer me op de muziek, die slechts in flarden mijn oren binnenkomt, alsof ik er zelf geen onderdeel van uitmaak. Hell. We spelen helemaal geen Jupiter Explosion. We spelen Marrakesh Torment. Of tenminste-John, Rik en Jake spelen Marrakesh Torment, ik speel Jupiter Explosion. Dus is er geen solo, dus geen Budweiser. Help me, collega’s! Jahweh, Allah, Ganesha met je Jumbokop! Geef ons heden ons water en bier! Maar mijn gebeden vervliegen in de mist op het podium. Wacht eens even…de mist trekt op, en onthult een gedaante. Het is niet Rik, Jake of John. Daar staat Hij, vlak voor mijn drumstel, Zijn gezicht naar mij toe. Liefdevol kijkt hij mij aan, zijn mantel wit als melk, zijn lange haren golvend als een waterval…Hoe kon ik je vergeten, Jezus Christ Superstar! 

    Zijn mond beweegt. Hij spreekt tegen me. Dan hoor ik zijn woorden:

    ‘Drink hiervan, dit is mijn zweet, het zweet van het verbond, dat voor velen wordt geplengd tot vergeving van zonden.’

    De Messias verandert de helwitte lichtbaan op mijn snare in een baan van sprankelend geel, het zweet zijns aanschijns, waarin Hijzelf oplost. Ik les mijn dorst met het licht, het bruisende licht dat drinkbaar is, het Goddelijke zweet dat mij bedwelmt als Dionysos achter zijn vilten drumstel. Vilten drumstel? Voorwaar, ik zeg u: mijn drumstel is veranderd in een vilten exemplaar. En waarom hebben Rik, John en Jake pakken aan die ook van vilt zijn gemaakt? En waarom draait de lavende lichtbundel weg? Lampje, waarom zwenk je? Ik spring over het vilt achter het gerstelicht aan, ik val, maar beland zacht op mijn rug op het vilten podium. Mijn ogen zijn wijdopen, en kijken recht in de landingslichten van Ganesha. God van de reizigers, land zacht! In gedachten zie ik de olifant rechtstandig dalen. Haar buik klapt open, en honderden stewardessen in sarongs van dunne doorzichtige lichtblauwe stof dansen een choreografie met hun blote voeten op het vilten vloerkleed. Ze gieten India Pale Ale in mijn mond vanuit kelken die op hun blote schouders rusten. Maar in het echt dorst de Jumbo hier niet te landen en verdwijnt uit het zicht.  En dan, heel plotseling, is alles donker. Honderden schijnwerpers zijn gedoofd. Nu kan ik het steelpannetje zien. Ik hoor geklap. Onheilspellend  langzaam ritmisch geklap van zestigduizend paar handen. Sally, waar ben je? Ik wil bier. Beer. Grote beer.

  • " class="popup" onClick="ga('send', 'event', 'socialshare', 'click', 'linkedin');"> Linkedin
  • Youtube
  • Printen
  • Whatsapp
  • Telegram
  • Als een auteur geen behoefte heeft aan feedback verschijnt er geen review mogelijkheid.

    Feedback voor schrijfactiviteiten

    Review voor: "Verhaal met een staartje"

    © Janneke De Leeuw van Weenen
    24.10.20
    Feedback:
    Je bent een sprookjesschrijfster.
    • Schrijfkwaliteit
      5.0/5
    Show more
    0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
    • Janneke De Leeuw van Weenen 24.10.20
      Ik heb echt zitten twijfelen of ik dit bij de korte verhalen of bij de sprookjes moest plaatsen Lieven :) Bedankt voor je waardering!
    24.10.20
    Feedback:
    Heel erg geestig Janneke! Jouw fantasie is eindeloos.
    • Schrijfkwaliteit
      5.0/5
    Show more
    0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
    • Janneke De Leeuw van Weenen 24.10.20
      Misschien lijken we daarin wat op elkaar Annemarie? :) Bedankt voor je waardering!

    In elke boekenwinkel: