Voor schrijvers, door schrijvers

Kort verhaal

Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! In deze schrijfactiviteit is ook ruimte voor reisverhalen en flitsverhalen.
 "Het meest beknopte en sprekend voorbeeld van een flitsverhaal is het verhaal dat Ernest Hemingway schreef.
" Te koop: babyschoenen. Nooit gedragen."
Aantal gepubliceerde inzendingen: 553
Klik op de profielnaam of -afbeelding van de schrijver voor meer informatie en een overzicht van zijn/haar schrijfactiviteiten.

Ouwe Rupsen van bil?

| Harmen Sneer

Donderdag, 11 uur ’s morgens, arriveer ik op mijn fietsie met zijtassen voor de boodschappen maar waarin nu slechts mijn opvouwbare wandelstok zit bij het terras van het café-restaurant op de hoek van de winkelstraat en zie mijn vriend Gerrit al lekker aanzitten. Hij heeft de koffiefase maar overgeslagen, denk ik, en zit aan een groot glas tapbier als een grootvorst rond te kijken in zijn stoel aan het tafeltje aan de lijzijde van het terras, zodat er in ieder geval geen terrasrokers hem een schorre keel kunnen bezorgen, afgezien van ademhalingsmoeilijkheden en koppijn, een glimlach van oor tot oor op zijn fris geschoren gezicht. De haverzak was weg!
Ik parkeerde mijn fiets en ging naar zijn tafeltje.
“Môge, Gerrit! Zo ken ik je weer! Waarom opeens die luizenbos eraf geschoren?” Ik schoof aan.

“Môge, Harmen! Tja, ik voelde dat het moest gebeuren toen ik vanmorgen in de spiegel keek, een frisse start of zo; je hebt dat soms wel eens, niet? Dat je denkt dat er iets op stapel staat?”

“Ik snap wat je bedoel, maar zo’n gevoel heb ik al een hele tijd niet meer gehad; een jaar of vijftig, denk ik, dus er is iets aan de hand. Spelen je hormonen op? Heb je een wijffie leren kennen of zo? Of heb je toch een Chinese sekspop gekocht?”

De ober kwam in de deuropening staan en ik gebaarde hem dat ik hetzelfde wilde als mijn kameraad. Hij draaide zich direct op en kwam niet veel later terug met een groot glas bier met een kleine schuimkraag, precies zoals ik dat wilde.

“Nee, vriend, niets van dat alles. Het is gewoon een gevoel, meer niet. En bovendien vond ik die haverzak opeens wat onhygiënisch worden. Én je krijgt er zo’n ouwe grijze kop door. Ik ga vandaag beginnen aan mijn derde jeugd, Harm.”

“Klinkt logisch, behalve dat derde jeugd gebeuren dan. Wat bedoel je daar nu weer mee? Zijn die eerste twee mislukt of zo? Moeten we de borst nat maken?”

“Ja, maak jij je borst maar nat, vriend! Want ik ga er tegenaan, hoor! Straks even lunchen en dan samen naar de kroeg voor een poolgame en je zult zien dat ik als een hinde om de tafel huppel. Ik ben namelijk wat gaan sporten en dat helpt behoorlijk met die versleten knieën. Ik fietste al af en toe, korte stukjes, dat wel, maar nu doe ik langere stukken, zeg zo’n 30 tot 40 kilometer op de elektrische fiets, maar ik loop nu ook door het park, in ieder geval twee keer rond. Eerst de wandelstok mee, maar na een paar keer hoefde dat ook niet meer. En weet je, Harm, de pijn in je onderstel wordt daarmee een stuk minder en dat bespaart een hoop energie, energie die ik dus nu over heb voor andere zaken. Dan voel je je opeens geen ouwe bok meer, snap je!”

“Dat klinkt goed, Gerrit. Dus je voelt je als herboren, minder pijn in de poten, sik er af en het haantje komt weer naar boven. Tijd voor je Chineessie, denk ik?”

“Gaat óók gebeuren, Harm! Vandaag nog, en ik wilde je vragen om met me mee te gaan, straks na het biljarten. Wat denk je er van?”

“Donders, dat komt even plat op mijn dak, Gerrit! Je bent wat van plan, zeg! Het klinkt erg aanlokkelijk, net als vroeger in Singapore, Maleisië en dat soort plaatsen, body-to-body in Thailand, maar we zijn nu wél thuis en niet op de wilde vaart. En een daggie ouder, dat telt ook mee. Ik denk er nog wel even over na, onder het poolen bespreken we het verder. Ik hoef nu geen rekening meer te houden met Hetty, natuurlijk! Maar stel je voor dat ik het lekker begin te vinden en dat elke week ga doen!”

“Ja, snap ik, maar Hetty is er niet meer, heel jammer, maar het leven gaat door en de hormonen gieren door het lijf. Ik heb hetzelfde gehad met Nel. Het duurt even, maar ja, uiteindelijk besef je dat je verder moet. Wel alleen, maar ook vooral verder. En we zijn maar hooguit een uurtje bezig, en dan voel jij je ook weer als herboren. Net als vroeger, Harm! En elke week, nou dat zien we dan wel weer.”

“Ok, ik heb hem. Maar we zijn nu wel thuis, en thuis deden we nooit die dingen die we in het buitenland deden, als je daar al de kans kreeg. Ik zie het nog niet zo zitten, hoor. Het voelt gewoon niet goed, tegen de gewoonte in, zo voelt dat. Ja, we zijn nu weer single, maar vroeger getrouwd. Nee, Gerrit, deze ouwe rups heb je zomaar niet mee naar de Chinees. En die Chineessies van nu en hier zijn compleet anders dan de Chineessies van toen en daar! Ik denk dat je hormonen je parten spelen, man. Dat zie je wel meer op onze leeftijd, maar of je daar nu direct aan moet overgeven, dat is een tweede. Nou, eerst nog maar een bier, wat! Er lijkt wel een gat in dat glas te zitten!”

“Zoals gewoonlijk, en aan de bovenkant, ouwe slobber! Maar had je andere plannen voor vandaag dan?”

“Nou, nee, dat ook weer niet, maar van bil gaan met een ondermaatse Chinese masseuse was ook niet direct bij me opgekomen, Gerrit. Eerlijk gezegd zijn die hormonen nog niet naar boven gekomen sinds Hetty is overleden, maar ja, als je er even over nadenkt …. tja, een man in de glorietijd van zijn leven moet ook wat, is het niet?”

“Juist, Harm, zo kijk ik er ook tegenaan. Die glorietijd is met de pensionering wel aangebroken, al moet gezegd worden dat het lichaam toch hier en daar wat haperingen vertoont. Maar goed, we zijn nog geen 70 en alles behalve de knieën functioneert nog behoorlijk normaal, en knieën heb je niet nodig voor een klein Chineesje!”

Gerrit lachte om zijn eigen grapjes, maar ik zat nog met een ernstig gezicht voor me uit te kijken. Hij heeft makkelijk praten, dacht ik, zijn Nel is al veel langer dood dan mijn Hetty. Mmm, nu ik erover nadenk scheelt dat ook nog maar net twee jaar of zo met Hetty en dat is op deze leeftijd toch ook niets. Maar Gerrit was altijd al een drukkere persoon dan ik, met dit soort initiatieven, uit het zeemanshart gegrepen. Het leven van wat er in een haven gebeurt, dat sprak hem altijd erg aan, het rauwere van de mensen daar, gewoon: recht voor zijn raap en geen gezeur of gezeik, zeg wat je op het hart ligt.

“Zeg dat! Wat heb je zoal verder uitgespookt, Gerrit?”, om het over een andere boeg te gooien.

“Niet echt veel. Het is geen weer geweest om in de tuin te werken, en daarmee ben ik ook zo klaar, gelukkig, want als ik ergens een hekel aan heb! Nee, ik fiets wat rond en thuis doe ik graag lezen, zoals je weet, maar ik doe tegenwoordig ook van die legpuzzels maken, zogenaamde Comics, glaasje en een hapje erbij, zacht muziekje ook. Dat is een leuk tijdverdrijf, beter dan naar die stomme reclametelevisie te kijken, want daar wordt je toch ook helemaal gestoord van! Wat een herrie geeft dat toch altijd, je wordt er helemaal gestrest van als die wijven met die schelle stemmen het uitschreeuwen dat je iets kunt kopen voor 9 99! Wat is de wereld verloederd, Harmen! Ik had nog nooit eerder gehoord van vaginale schimmel, nooit geproefd ook! Hahaha!! En nu zit ik te eten en komt zo’n juf zeggen dat je er met één capsule vanaf kunt komen! Dan denk ik: dan moet je het eerst hebben, miep, en hoe ben je daar dan aan gekomen? En waarom moeten wij mannen dat weten onder het eten? Gadver-de-gadverdamme!”

“Dat vind ik nou ook, Gerrit! Misselijkmakend gewoon. Je moet continue met je remote controle in je handen rondlopen om die rotherrie elke keer zachter te zetten, dat is toch niet normaal meer! En zeg nu zelf, koop jij die dingen die ze op tv laten zien?”

“Ik niet! Maar ik heb dan ook al een tijdje geen vaginale schimmel gehad!”, lachte hij hardop.

“Hahaha, je bent me er eentje, Gerrit! De vaginale schimmel die wij konden oplopen was meestal in je mond! Hahaha! En dat spoelde je dan gewoon weg met een biertje!”

We werden weer wat luidruchtiger, zag ik achter de rug van Gerrit, en ogen keken onze kant op, maar daarom hadden we nog nooit wat gegeven, dus trokken we ons nergens wat van aan. Anders werd je nóg meer geleefd dan je al deed.

“Hahaha, maar dat zou ik niet oplopen met dat mens in die reclame! Wat een onooglijke miep is dát, en dan dat smoel als ze over haar vaginale schimmel vertelt! Hahaha! Hoe verzinnen ze het!”

“Ja, maar we zitten er wel met z’n allen naar te kijken en gaan het nog normaal vinden om onder het eten over je vaginale schimmel te praten! Vroeger hadden we het nooit over vaginale schimmel, dus waarom dit nu zo opdoet is mij een raadsel.”

“Dat is nu de stuwende kracht van de commercie, zo vinden zij dat zelf. Nieuwe dingen uitvinden die onnodig zijn maar iedereen aan het twijfelen brengt en dan cashen met de verkoop van weinig. Eén capsule en u bent van uw vaginale schimmel af! Walgelijk toch!”

“Dan zal het wel niet ernstig zijn geweest, maar vrouwen beginnen al snel te denken dat zij er ook last van hebben als ze wat jeuk krijgen. En van mij mogen ze jeuk hebben, hoor, dan hebben de mannen er ook nog wat aan!”

“Die Harm, en dan zit ie nog na te denken of ie een Chineesie moet gaan pakken! Maar even serieus,” lachte hij verder, “ik heb altijd geleerd dat een vagina een pH-waarde heeft waarbij er geen schimmel kán groeien, dus je wordt gewoonweg belazerd! Zoals gewoonlijk!”

“Ja, dat is ook zo! Maar goed, ik heb nooit een lakmoespapiertje erin gestoken! Wel een likmoes, hahaha! Maar ja, je wordt toch zeker overal belazerd om maar geld uit je zakken te trekken. Én je wordt er voor gewaarschuwd. En dan kunnen dit soort zaken gewoon je eetlust bederven als je toevallig TV zit te kijken tijdens het eten. Vaginale schimmel, gekkenwerk! Nee, ik kijk altijd naar die deurwaarders in Engeland, en wat worden die ook steeds weer bedonderd, wat! Elke keer weer!”

“Kijk ik ook naar. Wat een domme figuren zijn dat toch, de één nog dommer dan de andere, die denken die deurwaarders te kunnen bedotten. Het is allemaal zo simpel: als je wat koopt moet je ervoor betalen en doe je dat niet dan kun je verwachten dat iemand dat geld komt halen. Het valt me wel op dat het allemaal van die buitenlanders zijn die dat denken. Lekker om met dat volk opgezadeld te zitten. Krijgen ze alles zowat al gratis, betalen ze ook nog eens nergens voor. Over klaplopers ge-sproken!”

“Ik betaal straks wel, hoor, Harm. Geen zorgen, deze ouwe rups heeft nog geld genoeg. Maak je schootan eens leeg, dan bestel ik er nog eentje.”

De glimlach verraadde dat hij het grappig bedoelde. Al dat gepraat over vaginale schimmel had wel de aandacht getrokken van een ouder echtpaar vlak naast ons, die ijzig stil waren geworden. Misschien hoopten ze wel dat we snel weer weggingen, maar daar zag het nog niet naar uit. Bij mij kwam na de schootan toch echt een lunch, liefst een volledige, alles erop en eraan. Dat wist Gerrit natuurlijk ook, maar dat echtpaar niet.

“Je weet dat ik dat niet zo bedoelde, Gerrit, maar van mij mag je betalen, hoor, maar alleen als we klaar zijn met de lunch, en zonder vaginale schimmelgeluiden graag, en onderweg gaan naar het poolcafé. Bovendien doen we, zoals altijd, ieder zijn deel, krijg je nooit scheve gezichten. Enne dit is de laatste bier voor de lunch voor mij. Ik hoef dan wel niet op de hondenwacht en zou zo mijn kooi kunnen induiken, maar zonder lunch kan ik niet.”

“Neem me niet kwalijk dat ik u onderbreek,” sprak de oudere heer achter Gerrit, “maar ik krijg de indruk dat u zeemannen geweest bent. Mijn naam is Klaas en ik was stuurman op de walvisvaart, met de Willem Barendsz, jullie vast wel bekend, en daarna op de vrachtvaart. Ik hoor wel dat jullie ook over de wereld zijn geweest en veel hebben meegemaakt, net als ik. Dus ik wilde eigenlijk zeggen, dat ik geniet van dergelijke verhalen en hoop dat u het niet erg vindt dat we meeluisteren.”

“Nee, hoor, Klaas, schuif bij en je vrouw ook. Dan kunnen we wat horen van je verhalen in de stille en koude zuidelijke oceanen. Ik zal een bier voor je bestellen, we zijn er net weer aan toe.” zei Gerrit, die zich had omgedraaid en zijn stoel had verzet om wat ruimte te geven voor de nog oudere rups.
“Laat mij dat maar even regelen,” zei Klaas, en bestelde bij de ober drie grote bier en een wit wijntje voor zijn vrouw, die al spoedig op tafel stonden. Klaas werd door Gerrit en mij aangekeken in de hoop dat hij gelijk van wal zou steken, maar Klaas had een zetje nodig in de goede richting.

“Ik ben Harmen en deze ouwe rups met verjongd gelaat, zijn sik is er net af, is Gerrit, oud-collega van de wilde vaart en mijn beste vriend. We waren allebei Chief Engineers en ik vooral op offhore-schepen. Zat je op de eerste of op de tweede Willem Barendsz, Klaas?”, zei ik om hem het woord te geven en dus de kans zijn verhaal te vertellen.

“Mijn vrouw heet Jannie, we zijn al ruim 50 jaar getrouwd. Altijd mijn steun en toeverlaat geweest, zowel thuis als toen ik op zee zat. Ik ben 84 jaar en dus al een tijdje met pensioen, maar niet direct na de walvisvaart, hoor, daarvoor was ik toen nog veel te jong. Nadat de Willem Barendsz, de tweede dus, uit de vaart werd genomen ben ik op de vrachtvaart terechtgekomen, eerst bij de KNSM en toen naar NedLloyd. Ondertussen was ik natuurlijk al kapitein geworden, dat spreekt voor zich. Voordat het P&O Nedlloyd werd kon ik met pensioen. Ik was 60 jaar toen. Het was toen ook wel welletjes, helemaal versleten, dat snap je, maar ook dat het niet de bedoeling was meer dan twintig jaar van je pensioen te genieten, dus de pot is niet zo erg vol meer. Klein pensioentje over, AOW-tje en zo, maar zo samen redden we het prima en kijken terug op een mooi, werkzaam leven waarbij de hele wereld wel is bezien.”

“Dus als ik het gauw optel allemaal ben je langer op de vrachtvaart geweest dan de walvisvaart, klopt?” zei Gerrit, die altijd al goed was in rekenen.

“Je bent goed bij de les, Gerrit. Ja, in 1964 was het afgelopen met de Willem Barendsz en mee naar de Jappen wilde niemand, maar de tien reizen die ik heb gedaan hebben mijn leven wel getekend, dat blijft me altijd bij. De vrachtvaart daarna was van 1964 tot mijn pensioen in 1996, toen ik 60 werd, dus 32 jaar ook. Ja, mooie reizen gemaakt, met steeds modernere schepen, eerst over prachtige heldere zeeën met veel zeedieren, later werd de zee vies en waren er steeds minder walvissen, dolfijnen en zelfs de robben hadden het moeten ontgelden. Volgens ons kwam dat door die offshore-schepen die veel troep en olie loosden, al konden tankers er ook wat van. Nu is het natuurlijk nóg erger, maar ik ben natuurlijk allang niet meer op zee geweest.”

“Ikzelf ben ook op de vrachtvaart geweest en daarop blijven varen. Harmen is onderweg ergens in de jaren 80 van de vorige eeuw in de offshore-industrie verzeilt geraakt en is er niet meer uitgekomen. Ik heb een goed pensioen van de Koopvaardij, maar Harmen heeft alleen maar AOW, en niet eens alles omdat hij veel onder buitenlands contract werkte, maar medelijden heeft niemand met hem, want hij was zo verstandig om van zijn stuk hogere gage geld opzij te zetten en te beleggen. Dus hij leeft vooral van zijn spaargeld. Mijn vrouw is alweer drie jaar geleden overleden, maar Harmen is nog maar een jaar zonder zijn vrouw. Jij hebt veel geluk, Klaas, dat je je vrouw nog hebt, wat!”

“Zeker, en ze is kerngezond. Ik eigenlijk ook wel, afgezien van wat slijtage hier en daar, maar ja, wie heeft dat niet. De rust van het pensioen heeft me wel goed gedaan. Maar als je werkt moet er ook wat bij jou slijten, toch?”

“Klopt, Klaas”, zei Gerrit, “maar als het slijtage is uit het begin van je zware zeemansbestaan zoals ik dan draag je dat je leven lang mee en als je dan in je pensioen zit wordt het er niet beter op. Ik merk dat wel aan mijn knieën. Altijd die trappen op en neer. De accommodatie was zelden minder dan zes dekken hoog, want we hadden gewoonweg veel mensen aan boord nodig. Een wonder dat ik telkens weer door de zware keuringen heen kwam!”

“Bij ons was dat vaak niet meer dan twee of drie dekken. Meer was er ook niet nodig,” zei ik weer, “maar later kwamen er extra hutten bij voor passagiers en dat scheelde ook weer een dek. En dan zaten de lagere rangen, matrozen, motorlui, oliemannen en dergelijke nog onderdeks in hun gedeelde hutjes.”

“Ik mocht ook wel eens meevaren, maar dan natuurlijk in de hut van Klaas.” zei Jannie opeens, “Hij was toen al kapitein. Goh, wat was dat fantastisch, zeg! Al die rust en ruimte die zo’n zee uitstraalt, dat heb ik nergens anders zo ervaren. Daar denk ík nog heel vaak aan.”

“Dat is erg leuk, Jannie, dat je meekon en hetzelfde kon ervaren als je echtgenoot. Die kans krijgen niet veel mensen!” zei ik.

“Dat geluk heb ik nooit gehad,” zei Gerrit, “we hadden nooit ruimte over, altijd te kort bedden in offshorewerk. Nee, mijn Nel is nooit de zee op geweest.”

“Hoelang duurden je reizen op de Willem Barendsz, Klaas?” vroeg ik.

“Meestal in oktober begon het geronsel en werden de opvarenden van het jaar ervoor benaderd om nóg een reis te maken. De meesten zeiden daar geen “nee” tegen, maar een paar wisselingen van de wacht had je natuurlijk altijd. Het was zwaar werk om het schip voor te bereiden voor de walvisvangst van maanden, die zo halverwege december moest beginnen, dus dan moest je in de zuidelijke Atlantic zitten, samen met veel andere schepen, zoals de jagers en de halers, zoals wij de boeiboten noemden en die de gedode, met een boei gemarkeerde, walvissen naar het fabriekschip brachten voor de slacht. Soms in heel slecht weer ook, dat je niet wist of zo’n scheepje op z’n kop lag of niet. Ik had wel eens met ze te doen, want de veel grotere Willem Barendsz lag meestal toch als een meeuwtje op het water. Een beetje slingeren, dat was alles, maar daar kon je goed van slapen. Je wist nooit tevoren hoelang de reis ging duren. Als de tanks vol traan zitten heeft het geen zin meer te blijven, maar als er nog ruimte was ging je verder. Soms was je terug in april, een heel goed jaar dus, maar eind mei was ook mogelijk. Zware en vooral lange tijden, elke dag twaalf uur achter elkaar werken. Gelukkig was ik stuurman en dus kon ik dat fysiek wel aan, maar ik heb jonge kerels in elkaar zien klappen na wéér een wacht van twaalf uur al die walvissen slopen. Zo’n walvis lag meestal in een kwartiertje uit elkaar, dus dan weet je dat je moet aanpoten. Gebroken kwam je thuis, na een reis van bijna zes maanden, en zwoer je dat je nooit meer ging. Je zakken vol geld, salaris en bonussen waarvan je een jaarlang moest leven. Maar dan kwamen ze je in oktober weer vragen voor de volgende reis en dan gíng je weer!”

“Tjonge, wat een lange reizen waren dat, zeg!” zei Gerrit, “Ik deed ook dagen van twaalf uur werken, maar het slechtste wat ik heb gehad was dat ik na twee maanden naar huis kon voor een maand verlof. In totaal komt het wel zo’n beetje op hetzelfde neer als wij jij had, Klaas, maar jullie deden één reis per jaar van een half jaar en dan op z’n best een half jaar vrij. Ja, dat is zwaar.”

“De meesten die aan dek het zware werk deden zijn dan ook niet zo erg oud geworden, dat kun je je voorstellen. Maar je kunt je ook voorstellen dat de vrouwen thuis zolang hun man moesten ontberen en dus heel erg zelfstandig moesten zijn. Hun eigen boontjes doppen, elke dag weer, terwijl wij aan de andere kant van de wereld walvissen sloopten om er thuis goed van te kunnen eten. Jennie heeft zich goed geweerd; ik heb nooit een onvertogen woord daarover gehoord, dus ik ben er altijd vanuit gegaan dat zij er vrede mee had om zo’n zelfstandig bestaan te leiden.”

“Ja, hoor,” zei Jennie, “je went er aan, denk ik, maar ook moest je wel, toch? Zelfs toen ik zwanger was, en zelfs de bevalling zelfstandig moest regelen, ja, maar dan is het wel even moeilijk soms. Gelukkig had ik veel steun aan je familie, want helemaal alleen ga je het natuurlijk niet redden.”

“Toch is het zeemansleven het mooiste leven dat je je kan wensen,” zei Klaas. “En als we weer op huis aangingen vanaf Kaapstad, waar we een deel van de bemanning, het werkvolk aan dek zeg maar, en wat schepen achter ons lieten, deden we minder uren per dag maken en konden we lekker rustig in de zon zitten, pootjes op de reling, boekje lezen, relaxen, zo gauw als we de Roaring Forties achter ons hadden gelaten, want dan was het wel een beetje gebeurd met het slechtere weer en konden we tot Frankrijk wel goed weer hebben, geen wet van Meden en Perzen, dat snap je. Lekker schilderen aan dek, alles weer spic en span maken, en dat was hard nodig. Zongebrand kwamen we thuis, als inboorlingen soms. En dat werk scheelde weer bij de volgende reis, want dan had je onderweg ook heel wat aan voorbereidingen te doen en moest het schip ook aan alle kanten in orde zijn. Mooie tijd was dat!”

Gerrit en ik konden dat volop beamen, we zeiden niets, maar we zaten hevig te knikken, elk met onze eigen gedachten aan vroegere tijden dat de vrouw thuis het moeilijk had terwijl hun mannen de wereld ontdekten in al zijn pracht en praal, in schitterend tropisch weer in prachtige schone zeeën. Het weemoedige gevoel van heimwee kwam een beetje over ons. Klaas had een gevoelige snaar geraakt.

Zo zaten we een tijdje, zonder dat iemand wat zei, ieder met zijn eigen herinneringen, die je zowat van de gezichten kon aflezen: jammer dat die tijd voorbij is en nooit meer terugkomt.

“Zeg dat wel,” zei ik na een tijdje met een zucht, “maar alles heeft zo zijn prijs gehad ook. Je leeft tenslotte niet in je eentje. De liefde is een raar ding om mee te dragen. Soms heerlijk licht en vrolijk, dan weer zwaar drukkend en depressief. En iedereen heeft dat aan boord gehad, zonder uitzondering, al die gedachten aan thuis en je geliefden daar. Zouden ze je nog kunnen herkennen, als je een half jaar of langer bent weggeweest? Zouden je kinderen je niet als een vreemdeling zien zodra je je eigen woning binnenstapt en ze je niet gemakkelijk meer zien als hun vader. Je vrouw kende je meestal nog wel, al trokken sommige vrouwen een lelijk gezicht als je er weer was en zagen ze je liever weer snel gaan, zodat ze hun eigen leventje konden leiden zonder de pottenkijker die wel zorgde voor het binnenkomende geld. Ik heb er wat zien gaan en staan bij het potdeksel met de wanhoop in hun ogen. Nee, het was niet voor iedereen even gemakkelijk, maar ja, als je eenmaal de weg van de zee had gekozen was de weg terug een zware. En bovendien loste dat thuis waarschijnlijk ook niets op. Fijne gasten zag je wegkwijnen en zich verdrinken in de drank, alleen maar uit eenzaamheid en zich niet begrepen voelen door hun geliefden thuis, die vaak snel de liefde van vader op zee vergeten waren. Wij hebben nog geluk gehad dat onze vrouwen bij ons bleven, maar ja, nu we niet meer op zee zitten, zijn we toch ook wéér zonder geliefde.” Ik werd er een beetje melancholisch van. Gerrit voelde dat perfect aan.

“Kop op, Harmen. Samen gaan we het redden, man! Ik wijk niet meer van je zijde!” En tegen Klaas en Jennie: “Harmen heeft het laatste jaar zijn vrouw verloren en dat moeten verwerken. Was hij eindelijk gepensioneerd en kon hij eindelijk bij zijn vrouw blijven en dan krijgt ze een herseninfarct, valt van de trap met ernstig en blijven hersenletsel en moest haar laten inslapen. Dat valt niet mee, als je eraan dacht samen oud te kunnen worden na een zwaar zeemansleven, en zwaar heeft hij het ook gehad, hoor. Altijd is er wel iets dat kapot gaat op een schip en als je dan de hoofdscheepswerktuigkundige bent heb je de verantwoordelijkheid om het zo snel mogelijk weer voor elkaar te krijgen, of het de voortstuwingsmotor is of en wasmachinepompje, alles moet draaien kunnen. En nu is het lichaam kapot en versleten door het zware werk, maar de reparaties zijn nu niet zelfstandig meer uit te voeren met ons technisch vernuft, zonder ondersteunend personeel ook. Ik had dezelfde functie als Harmen, maar ik had meer personeel in de machinekamer, ook elektronica-mensen en elektriciens. Er waren dan ook veel meer motoren, vooral generatormotoren, maar je kon er niet één missen natuurlijk. De rederij geeft je niets cadeau. En als je maar één of twee voortstuwingsmotoren hebt, zoals bij Harmen, dan heb je nóg minder backup en móet je dag en nacht op je poten staan om het probleem te verhelpen en het schip draaiende te houden. En zo hebben we allemaal wel wat meegemaakt, want het is en blijft techniek en dat gaat allemaal een keer stuk. Ik heb altijd gedacht dat een stuurman een veel beter beroep zou zijn geweest voor me. Altijd op de brug, op de uitkijk, kijken naar de horizon, de zee met hun schitterende bewoners, het slechte of goede weer zien aankomen, andere schepen bekijken en met ze lullen over de radio. Dát leek me veel leuker dan in die vetput rond te hangen in de eeuwige herrie en de diesel- en oliestank, maar achteraf is dat toch ook weer niet zo slecht geweest. Ik weet nu zóveel van technische dingen af, en wat is er tegenwoordig niet technisch, dat ik vrijwel elke techniek kan begrijpen en vele reparaties zelfstandig kan doen. Ook computers bouw ik zelf en repareer de software en de hardware. Zelfs sterretjes schieten is er al lang niet meer bij sinds we satellieten hebben en dat moet jij toch ook wel een paar keer gedaan hebben, Klaas.”

“Ja, drie keer per wacht, of meer als het een druk bevaren route was. Maar er waren ook nog wel andere dingen te doen, natuurlijk. Ik was de baas van de bootsman die het schilderwerk binnen en buiten op peil moest houden, een flinke taak, of de accommodatie tiptop moest houden met zijn mannen. En dan de veiligheidsmiddelen. Een schip op zee blijft een gevaar voor de mensen die erop werken. De krachten van de natuur zijn zo verschrikkelijk sterk , dat weet alleen de zeeman die in heel slecht weer heeft gezet, windkracht oehoe en dat is meer dan 12 en op het staande werk moest lopen. Stampen, zodat het schip met schokjes weer uit de zee omhoog kon komen, je voelde het schip over de lengte buigen, zo diep erin gedoken, en slingeren van boord naar boord. Man, hoe vaak hebben we dat niet meegemaakt en vertrouwde je erop dat de scheepsbouwers je een solide schip hadden gemaakt dat niet zomaar uit elkaar viel met dergelijke onstuimige krachten. Hoe beroerd zou het zijn dat je in je laatste redmiddel het gebroken schip moest verlaten en er dán pas achter kwam dat er geen waterzakken in de sloepen lagen, of een paar die ver over de datum waren! Dan was je nóg ten dode opgeschreven. Of dat je brand had en de brandblusser deed het niet omdat die niet was gecontroleerd toen dat moest. De grootste hekel had ik aan inspecties van de ballasttanks. Al die kleine poortjes in pikdonker, waar je radio slecht of net werkte zo dat je niemand kon waarschuwen als je verdwaald was tussen al die spanten en schotten, of je batterij van je lamp het had opgegeven. Maar, net als jij, Gerrit, we hebben het gered en kunnen er leuk over meepraten. Een mooi deel van je werkzame leven dat je nu achter je kan laten, maar toch nooit meer kwijtraakt.”

“Net zoals de walvisvaart dus. Dat blijf beter in je hoofd zitten dan de vrachtvaart. Destijds heel mooi, jaren later verguisd door mensen die vinden dat je die beesten met rust moet laten. Maar na de Tweede Wereldoorlog hadden ze niets te eten en we hebben het gered mede dankzij de dingen die men nu niet meer leuk vindt.” zei ik. “Maar ik denk dat je dat nu ook niet meer zou doen, is het wel, Klaas?”

“Nee, natuurlijk niet. Maar dat neemt niet weg dat het toen voor ons, zo na de oorlog, een goed bestaan was en we werden alom gerespecteerd. De geschiedenis draai je niet meer terug, Harmen, anders zouden we nu nog in een berenvel rondlopen, als we de beren niet hadden uitgeroeid tegen die tijd, net als zovele andere diersoorten. Ik denk niet dat je er veel aan kunt doen. Als je in zo’n tijd leeft is het gewoon niet te vergelijken met het leven in een totaal andere tijd.”
“Wijze woorden, Klaas,” zei Gerrit, “en daarom vind ik dat ons de slavernij niet verweten kan worden.”

“Natuurlijk niet!” zei ik, “zelfs mijn opa zijn vader was daar niet bij betrokken!”

“Maar natuurlijk plukken we nog wel steeds de vruchten daarvan,” zei Jennie.

“Dat moge dan zo zijn, al heb ik daar zelf niet zo’n erg in, hoor!” zei Gerrit. “De wereld evolueert nu eenmaal, en vooral rond de sterksten, en je kunt niet de mensen daarvan de schuld geven. Het zit hem gewoonweg in de genen!”

“Zeg vriend, we moeten de lunch maar eens gaan bestellen, als we zo nog gaan biljarten,” zei ik. “Klaas en Jennie, ik hoop dat jullie ons willen verontschuldigen?”

“Ja, natuurlijk, Harmen. Wij moeten eigenlijk ook snel weg. De zus van Jennie zal wel al zitten wachten met een lunch. We gaan er snel heen, het is niet ver lopen hier vandaan. Bedankt voor het gesprekje en wie weet zien we elkaar nog eens?”

“Dat zou zomaar eens kunnen, Klaas. We zitten hier regelmatig van onze schootan en lunch te genieten in het mooie weer. Beter dan alleen thuis te zitten kniezen, wat! Het was leuk jullie te ontmoeten. Wéér een echte zeeman ontmoet, er zijn er niet veel meer van over.” zei Gerrit en stond op ten teken dat we ons gezellig samenzijn moesten beëindigen. De anderen stonden ook op, Klaas en Jennie gingen met een hand en een vriendelijke groet van het terras af en Gerrit draaide zijn stoel weer terug aan het tafeltje en wenkte de ober.

“Afrekenen?”, vroeg hij.

“Nee, nee, we moeten eerst wat te eten hebben, beste man, dus als je ons het menu wilt brengen, heel graag.”

De efficiënte ober ging, en kwam snel terug met twee menu’s. “Nog iets te drinken?” vroeg hij nog, met onze lege glazen al in de hand.

“Ja, ik ga voor een zwarte koffie. En jij, Harmen?”

“Doe mij ook maar, lekker voor bij het brood.”

“U heeft uw keuze al gemaakt?”

“Eerst mijn kameraad nog en dan bestellen we alles tegelijk, zodat we ook tegelijk kunnen eten. Momentje geduld, alstublieft.”

“Zeker, meneer!” zei de ober en verliet ons.

De ober weer weg, zei ik: “Wel een mazzelpik, die Klaas, dat hij zijn vrouw nog bij hem heeft. Zo had ik dat ook graag gehad, Gerrit”.

“Ja, man, maar het gaat zoals het gaat en veel kun je er niet aan doen, toch? Je moet het accepteren, Harmen, en het liefst zo snel mogelijk, zodat je je plezier in het leven weer kunt ervaren, zoals we dat vroeger hadden. Ik weet wel, ik heb twee jaar voorsprong op jou als je het verlies van je vrouw in aanmerking neemt, maar ook bij jou gaat het goedkomen, Harmen. Maar hoe het ook zij, ik blijf je vriend en zal je met alles wat je wilt helpen.”

“Dank je, Gerrit, ik reken altijd op je. Nee, maar het zou zo leuk zijn als …” Ik deed er verder het zwijgen toe. Gerrit begreep het al.

De ober kwam met de koffie en nam de bestellingen op, die Gerrit doorgaf, want ik zat nog even in gedachten. Maar ik kreeg al water in de mond, want die omeletten waren heerlijk daar!

Na een tijdje zei ik: “Soms denk ik wel eens, Gerrit, dat ik op zoek moet naar een wijffie. Het is en blijft een gemis en al zal er geen één zijn die op mijn Hetty zal lijken, het gezelschap van een gezellige vrouw doet wonderen voor een man op onze leeftijd. En er zijn er vast heel veel van. De eenzaamheid is groot, onder vrouwen én mannen, en eigenlijk wil ik niet zo eenzaam blijven. Ik wil nog een hele tijd mee, hoor!”

“Komt goed, man. Je komt vanzelf weer aan de beurt. Het komt soms zomaar aanwaaien, en soms moet je er veel werk van maken en dan blijkt het niet zo lekker te zitten. Geduld mijn zoon. Voorzichtigheid is altijd geboden, want er zijn er bij die achter je centen aan zitten. Altijd oppassen!”

“Mmmm”, knorde ik. “Ik ben toch geen kleine jongen meer, al voel ik me soms wel zo”, zei ik met een glimlach.

“Het gaat om die grote knul tussen je benen, Harmen. Die moet je klein zien te houden, anders komen er alleen maar problemen van. Maar nou ben ik laatst wezen zwemmen, in dat overdekte zwembad hier in het dorp, hoe heet het ook weer. O ja, “De Waterhoen”, wat een naam! Vast verzonnen door een muts. Ze hebben een speciale tijd voor gemengd oude rupsen en rupsinnen zwemmen, en dát is leuk! Dat zal jij ook leuk vinden. Hett is op elke dinsdagmiddag, vanaf twee uur, dus net na de siësta, dus dat komt goed uit. Ik zwom vroeger ook altijd graag, al is het tegenwoordig vooral in het water uithangen en spartelen, maar ik ga dat straks elke week doen! Er zit een lekker wijffie bij waar ik probeer een beetje mee aan te pappen. Ik word helemaal nat in mijn zwembroek van haar. Ze heet Els en haar man is al een tijdje dood, heb ik al gehoord, dus moet er ook wel wat jeuk zijn, zo je denken. En ze drinkt een glaasje wijn, dus dat is gezellig, en rookt gelukkig niet en zit er warmpjes bij. Ideaal eigenlijk, want ze heb ook nog een lekker bekkie daarbij, voor een rupsin. Als je nou meegaat volgende week, dan kun je met haar kennismaken en ook met haar vriendin Rebecca, eigenlijk ook een lekker ding wel. Net wat voor jou, feitelijk, lekker spontaan en goed voor de afleiding van jou ook. Je hormonen ga je dan ook weer voelen werken. Met een beetje geluk hoeven we dan ook niet meer van bil met een Chineessie!”

“Dat kun je niet weten, Gerrit! De ene jong en gewillig, de andere oud en terughoudend en dan moet je er nog hard voor werken ook. Dat komt niet altijd goed uit, als die hormonen je kleine jongeheer doen steigeren!”

“Je bent een zwartkijker nu, Harmen. Ah, daar komt ons eten!”

De lunch werd voor ons op tafel geplaatst en we bestelden nog een flesje water erbij, want al dat praten maakte dorstig, en als je dan aan het bier blijft wordt het weer niks met poolen. Het terras was ondertussen volgelopen met andere mensen voor de lunch en het was een drukte met praten en geschuif van stoelen. Er was geen belangstelling meer voor twee ouwe zeelieden die wat zaten te zwetsen, soms wat luider dan verwacht. Ons gesprek ging dan ook gewoon verder.

“Gerrit, ik denk dat het een goed idee is om dat zwemmen op te pakken. En niet alleen omdat we wat extra beweging nodig hebben. Dat zijn wel de plekken waar de wat levenslustiger type vrouwtjes rondhangen, precies wat we nodig hebben. Ik móet Hetty uit mijn hoofd hebben, tenminste, niet élk moment van de dag in mijn hoofd. Ik krijg er helemaal zin in. Dinsdagmiddag zei je, niet?”

“Ja, man! Mooi, dan gaan we met z’n tweeën. Ik kom je wel ophalen, het ligt toch op de weg naar het zwembad. Lijkt me inderdaad heel gezellig, en je hebt gelijk, ook voor mij wordt het wel weer eens tijd om het celibate leven vaarwel te zeggen. Met z’n tweeën hebben we ook meer kans bij die twee wijffies daar. Ik word er helemaal peu nerveu van!”

“Dat zijn de hormonen, Gerrit, en jij weet al hoe jouw Els eruit ziet natuurlijk.”

“Je zult haar zien, Harm, en haar vriendin ook. Ze gaan goed samen, die twee, kunnen het uitstekend met elkaar vinden, vrolijk en spontaan en zo, en volgens mij best nog wel intelligent ook. Je kunt niet alleen over gebreide sokken gaan lullen natuurlijk! Maar duidelijk is dat ze vaak bij elkaar zijn, net zoiets als wij dus, en in je eentje maak je geen kans bij wie van de dames ook, lijkt me.”

“Nee, natuurlijk geen gebreide sokken, maar waarover ga je dan praten?”.

“Begin met praten over het zwemmen, vanzelf. Joh, de rest gaat vanzelf, maak je niet druk. Relaxt blijven en de kop erbij houden, en niet als een dronken droppie vanzelf.”

“Die tijd is allang voorbij, Gerrit, dat weet je ook wel.”

“Ja, dat is zo, bij wijze van spreken dan, maar toch denk ik dat we alles bij elkaar toch behoorlijk wat opslobberen zo. Misschien moeten we dat wat meer naar beneden gaan afstellen ook, als je je met dametjes gaat inlaten. Denk je ook niet? Ook beter voor een man op onze leeftijd.”

“Dat klopt als een zwerende vinger, Gerrit. Als je alleen bent let je daar ook helemaal niet op. ’s Avonds hang ik in de stoel voor de TV, val meestal nog in slaap ook, zodat het niet voor middernacht is dat ik de kooi inga tot ’s morgens een uur of acht. Als je met z’n tweeën zou zijn doe je het allemaal toch wat anders, denk ik tenminste.”

“Je loopt wat hard van stapel, Harmen, maar ik snap je wel. En ga niet direct denken dat deze dames gelijk bij een man als wij willen gaan wonen en leven. Dat kon wel eens heel anders uitpakken. We moeten wel realistisch zijn. Tenslotte hebben de dames elk zelf ook wel het één en ander meegemaakt, kun je verwachten, en misschien nog wel, met kinderen en zo. Zelf denk ik dat je het beste af bent met ieder zijn eigen huisje en zelf besluit of je die nacht bij hem of bij haar, of bij je eigen alleen gaat snurken. Soms is het ook wel eens even lekker om alleen in een bed te liggen en je je niet opgejaagd gaat voelen omdat je iets zou moeten doen om de ander tevreden te stellen, snap je?”

“Dat snap ik. Ik denk dat je gelijk hebt. Vroeg op omdat zij naar de kapper moet, bijvoorbeeld, dat hoeft van mij ook niet.”

Ondertussen werd de lunch verorberd en zaten we elkaar met volle magen aan te kijken. Er is vaak een aandrang om de oogjes even te sluiten na zo’n middagmaal, en nu was dat niet anders. De kop ging even omlaag en we zaten een minuut of tien met de ogen dicht, ieder in zijn eigen wereld, ongestoord door de ober of anderen. Het geroezemoes om ons heen deed wonderen voor de slaap, die even heel diep was daardoor. Maar ja, we konden daar niet blijven rondhangen zo. Dus ik werd wakker in het kabaal, zag Gerrit in zijn stoel hangen en tikte zachtjes zijn schoenen aan met mijn voet. Hij keek me even wat slaperig aan en deed zijn ogen weer dicht.

“Voor en achter, Baas!”, zei ik, zoals we dat aan boord zeiden als het schip moest vertrekken, doelende op de trossen die aan de voor- en achterkant van het schip van de bolders moesten worden gehaald, en ook het teken voor de Chief Engineer, de Baas, om de machinekamer in gereedheid te brengen, hoofd- en hulpmotoren op te starten en op te warmen, zodat de schroeven en de lieren gebruikt konden worden door de stuurlui en de bootsman, en dan verder de instructies van de brug af te wachten.

Zonder zich verder te bewegen, deed Gerrit zijn ogen open, knipoogde en kwam daarna lui overeind.

“Ik ben bang dat we eventjes verder moeten, Harmen, anders komen we hier voorlopig niet meer weg. Ondiep water langs de kade, we liggen zó vast en moeten dan wachten op het volgende tij. Ik zal even de rekening betalen binnen en dan gaan we maar onderweg, ok?”

“Prima plan, Gerrit. Dan ga ik gelijk even lenzen op de voorpiek.” Dat betekende dat ik naar het toilet moest om te piesen. “Jij moet ook een varkensblaas zo groot als een kurkenzak hebben!”
“Ik zit in je kielzog, Harmen!”

Ik was blij dat we de koffie hadden genomen. Als het wéér een bier zou zijn geweest zouden we er langer over gedaan hebben, dat was zeker.

Even later was Gerrit terug van zijn toiletbezoek en vertelde me wat de schade was geweest. Ik zou dat zoals gewoonlijk met hem verrekenen nadat we in het poolcafé waren geweest. Bij ons was geld geen probleem meer, dus was het slechts informatie voor mij om straks niet te schrikken van het totaal. We deden dit ook niet iedere dag, dus het viel allemaal wel mee.

Met een vriendelijk gebaar namen we afscheid van de ober, Gerrit had vast een tip voor hem achtergelaten, en liepen het terras af. Ons tafeltje werd alweer klaargemaakt voor nieuwe bezoekers en het duurde niet lang of alles was weer bezet. Goeie business, dacht ik nog.

Niet veel later kwamen we aan bij het poolcafé en gingen naar binnen. Het was er warm en rustig en het poolbiljart was vrij. Gerrit nam er direct bezit van en gooide geld in de automaat waardoor alle ballen losvielen in de bak eronder. Hij ging ze gelijk opzetten terwijl ik aan de bar ons bier bestelde en kort een lulpraatje met de barman hield. Hij begon ons te herkennen, een teken dat ik nooit erg kon waarderen vroeger. Ik blijf liever anoniem bij dat soort mensen, ik had hem ook nooit een naam gegeven. Als een barman erop stond dat hij een naam moest opschrijven voor het bonnetje zei ik altijd O. Rups, met voornaam werd het d’Ouwe, wat altijd als Douwe werd opgeschreven. Mij prima, ook al trokken ze vaak een wenkbrauw op, maar gek genoeg vaak ook weer niet. Als het zo was dat we bekend begonnen te worden als ik op het schip zat zou ik een andere bar zoeken. Maar ja, ik was thuis, gepensioneerd en een andere bar met een pooltafel in ons stadje zou ik zo gauw ook niet weten te vinden. In Engeland of Schotland, waar we vaak waren met het schip zou dat helemaal geen probleem zijn geweest. Het kleinste havenplaatsje had minstens twee kroegen.

Met het bier in de hand ging ik naar de biljarttafel en zette ons drankje op de tafel daar vlakbij. Ik ging zitten en keek hoe nauwgezet Gerrit de ballen op hun plekje zette en de witte stootbal aan de andere kant van de tafel.

“Kop of munt?” vroeg hij.

“Munt.” zei ik, omdat ik toch iets moest zeggen, want het is mij om het even wie er begint. We deden altijd “best of five” en de vorige keer had ik mogen beginnen met “kop”. Het is maar net hoe de ballen kwamen te liggen na de afstoot, hoeveel er alvast ingingen en hoe zuiver je nog bent na dat bier dat je de ballen kunt potten.
Het was weer “kop”, Gerrit ging de afstoot nemen en met een luide knal schoten de ballen alle kanten op, maar er kwam geen bal in een gat terecht: “dry break”, en er waren er toch zes, met acht ballen, afgezien van de stootbal!

Ik keek de tafel een tijdje aan en besloot toen een bal te nemen met een zwarte stip er op, een “spot”. De andere ballen werden daarmee van Gerrit, de “stripes”. We waren nu eenmaal de Engelse termen en regels gewend.

Mijn bal ging er in en ik ging verder om de volgende “spot” te potten, maar na drie ballen ging het mis en was Gerrit aan de beurt. En zo speelden we ruim anderhalf uur, en toen kwamen er een paar jongeren die wilden spelen, dus lieten we de tafel aan hen. De eindstand was uiteindelijk toch weer 3-2 geworden, deze keer in het voordeel van Gerrit die triomfantelijk naar me zat te kijken. Die week eerder was ik de triomfator geweest, dus we gingen gelijk op. Het is een leuk spel, waarin je je helemaal verliest en wat toch veel beweging geeft voor ons oude rupsen met rond die tafel lopen.

Nog even nazitten aan de bar, bier opdrinken en toen begon Gerrit weer over dat chineessie, en dat we daar nu wel heen konden gaan.

“Kom, Harmen, laten we naar dat chineessie gaan. Het is nu net een mooie rustige tijd daar. Even vieren dat ik gewonnen heb vandaag!”, sprak hij met een glimlach van oor tot oor.

“Ik ga passen voor het chineessie, Gerrit. Het spijt me wel, maar ik heb er helemaal geen zin meer in en bovendien zit er nu teveel bier in het lijf. Dat moet misschien maar een andere keer, of misschien is het niet meer nodig als het goed loopt bij het zwemmen. Daar zie ik echt veel meer heil in dan bij een chineessie. En zo druk nodig heb ik een happy end ook weer niet, Gerrit; de hormonen zijn behoorlijk veel zwakker dan toen we op zee zaten. Vijftien jaar geleden was het geen probleem geweest, dat weet jij ook wel. Nee, man, het wordt tijd in te zien dat je alleen als een ouwe rups doet, maar ook een ouwe rups bént en zeker geen jonge koorknaap.”

“Ok, ik snap wat je zeg. Enne, ok, je hebt gelijk, Harmen, zoals altijd wel eigenlijk. Het is ook niks voor ouwe rupsen. Vroeger was vroeger en nu is het heel anders. Mijn lol met één of andere stoephoer is er ook wel af, al zijn die chineessies dat nou ook weer niet. Ze weten donders goed dat ze hun vergunning kwijtraken als ze aan happy ends gaan doen. En die ielige wijffies richten weinig schade aan bij een massage, dus hou je ook daar geen goed gevoel aan over. Goed, we gaan het op het zwemmen gooien, iets om naar uit te kijken.”

“Je wordt nog wel eens verstandig op je ouwe dag, Gerrit. Nee, vriend, we moeten onze herinneringen koesteren en niet proberen in Nederland te herhalen wat we aan de andere kant van de wereld hebben uitgespookt tijdens de vaart toen we stukken jonger waren. Ja, we hebben geen vrouwen meer en zouden het allemaal zo kunnen doen, zonder dat de vrouw je een veeg uit de pan geeft, of met de pan, maar ja, het wáren andere tijden en andere plekken. In Singapore konden we in de jaren 80 nog lekker tekeer gaan. Bugis Street, Change Alley, Clifford Pier, Saté Club, man wat was het daar genieten, en dan naar China Town voor de rest. Maar als je daar nu heengaat zul je zien dat er niets meer van over is en we ons er niet meer thuis zullen voelen.”

“Dat klopt. Clifford Pier, ik geloof niet dat er iemand nog weet dat je daar met de bootjes aankwam vanaf de ankerplaats. Het ligt nu bijna midden in de stad, vlak bij Boat Quay met zijn vele straatrestaurantjes langs de rivier, en je herkent het allemaal niet meer. Saté Club, weg, andere plek gekregen en dus niet meer zo gezellig, Change Alley is nu een grote koele shopping mall, terwijl het vroeger van die kleine tentjes in de hitte waren. Ik ben daar toen naar de kapper geweest voor knippen én scheren, en daarna een Seiko horloge kopen bij zo’n Chinees die het jaren heeft uitgehouden. Ja, Harmen, je hebt helemaal gelijk, jongen. Het is er allemaal niet meer, en dus moet je de herinnering koesteren en blij zijn dat we dát hebben mogen meemaken! Bugis Street, niks meer van over! Maar wat een lol hebben we daar gehad!”

“Nou zitten we weer op dezelfde golflengte, Gerrit. Dat zwemmen van jou, dat is een uitstekend idee voor oudjes als wij. Wie weet krijgen we andere toehoorders van onze verhalen. Ik hoop dat ze daar tegen kunnen!”

“Dat merken we dan wel. En er zijn er nog meer, hoor, die daar zwemmen, maar ook mannen natuurlijk, maar of dat concurrentie is, dat weet ik niet.”

“Ben je gek, zulke knappe zeemannen, daar kan geen walpik tegenop, Gerrit!”

“Maar zo bedoelde ik dat niet, Harmen. Ik bedoelde eigenlijk dat je niet weet of die ouwe mannetjes nog wel op zoek zijn naar een wijffie. Het zijn walpikken, dat is juist, dus achter de wijffies aan is geen groot onderdeel van hun leven geweest. Zeker niet zoals bij ons knappe zeemannen.”

“Ok, maar ja, dat is speculeren. Zullen we er nog eentje nemen, voordat we aan het avondeten gaan denken?”

“Prima, maar ik ga vanavond mijn eigen Bourgondische maaltijd maken, en sorry, ik heb maar één rib-eye-steak.”

“Dat is ok, hoor, ik heb mezelf een varkenshaasje in de roomboter beloofd, met championroomsaus, gebakken aardappeltjes en asperges. Wegslobberen met een Cabernet Sauvignon en dan daarna in mijn stoel voor de TV hangen. Spoorloos kijken van een paar dagen geleden, en Tussen Kunst en Kitsch, of De Rijdende Rechter, ook leuk.”

“Ik ga mijn steak grillen, dat vind ik het lekkerste. Met een pepersausje, mmmm. Het water loopt me al in de mond!”

En zo kletsten we door het bierdrinken heen totdat het voor ons gevoel tijd werd om te vertrekken. Er zat niemand op ons te wachten. We namen afscheid, houden contact en anders tot dinsdag één uur voor het zwembad, en fietsten elk naar ons eigen huis. Ik was blij dat we deze middag niet verzeild waren geraakt bij een chineessie om “van bil” te gaan. Die Gerrit denkt nog als een dertiger, maar als je tegen de zeventig loopt dan zijn die gedachten alleen maar na-ijlende herinneringen die je slechts op kosten jagen en geen goed resultaat kunnen opleveren. Ik was blij dat ik het Gerrit uit zijn hoofd heb kunnen praten. Zijn idee om te gaan zwemmen in het gemengde uurtje van ons prachtig overdekt en verwarmd zwembad was als een warme deken over me heen gekomen. Dat is erg leuk, en kan leuke contacten opleveren, zelfs met een lieve alleenstaande vrouw die natuurlijk ook al van alles heeft meegemaakt. Al die rugzakken die iedereen meedraagt zal het niet gemakkelijker maken om gelijkgestemden te vinden, was mijn gedachte. Maar ja, niet geschoten, altijd mis, dus we gaan het een kans geven. En lukt het daar niet, dan zoeken we wat anders totdat het wel gelukt is. Ik heb voor mijzelf ook nog geen idee hoe of ik dat zal gaan vinden als het wel een beetje uitpakt zoals Gerrit zich dat voorstelt.

Dinsdagmiddag, dan gaan we het zien. O jee! Ik zal eens kijken of ik nog een zwembroek heb die mij en in deze tijd past, of misschien moet ik van de week nog een nieuwe kopen, dacht ik op de fiets. Waar had ik dat ding ook alweer in de kast gezien?

Hetty had het onmiddellijk geweten.

Goh, ik mis haar nog elke dag.

Dit artikel delen?

Graag je mening (waardering en/of commentaar) over deze inzending.

Hits: 40

3.55

(De gemiddelde waardering is 3.5 door 2 stem(-men)
Misschien wil je de volgende inzending ook wel lezen...

iCloud

Geschreven door Monique Teeling. Geplaatst in Column.
We hebben ‘m al een tijdje, onze computer waar ik geen reclame voor mag maken maar waarvan de naam te maken heeft met fruit. Echt, hij is geweldig, draadloos, snel en de ui...
Actuele Top 3 van deze rubriek

Even iets anders in deze onzekere tijd.

23, mrt, 2020 Harry Boerkamp

Loslaten

13, mei, 2020 Esther Goesinne

De bloem en de mens

10, mei, 2020 Esther Goesinne

FEEDBACK

Schrijvers stellen je waardering en/of commentaar bij een artikel erg op prijs!
 
-
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen door bezoekers. Door een waardering (1-5 sterren) te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!