Voor schrijvers, door schrijvers

Kort verhaal

Taboe
Inzendingen: 1004
Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! In deze schrijfactiviteit is ook ruimte voor reisverhalen en flitsverhalen.
 
 "Het meest beknopte en sprekend voorbeeld van een flitsverhaal is het verhaal dat Ernest Hemingway schreef.
" Te koop: babyschoenen. Nooit gedragen."
Taboe
© Elka Le Mair op .
Aantal hits: 132
Ik kan het niet meer. Hoe ga ik de kloof overbruggen? Hoe kan ik zeggen wat er aan de hand is, zonder dat ik het zelf precies kan duiden. ‘Het gaat niet goed met mij’, zo kan ik beginnen. En dan? Hoe gemakkelijk om dan te zeggen dat je last heb van iets in je lijf. Maar dat is het niet.

Al jaren voel ik me anders en ik drijf steeds verder af. Iedere keer weer dat rotgevoel wegduwen, tegen mezelf zeggen dat iedereen wel wat heeft. Steeds harder werken aan het imago dat ik oké ben, dat ik er bij hoor, heus! Maar ik hoor er niet bij. Nooit echt. Ik mag meedoen aan de randen. Altijd bang dat ik niet gewenst ben. Het laatste dat ik wil, is dat iemand over me denkt: ‘Oh God, daar heb je háár weer.’ Dus neem ik geen initiatief.

Steeds minder durf ik. Mijn rij-angst heeft groteske proporties aangenomen. Het idee dat ik een fout maak, dat ik een ongeluk veroorzaak, dat iemand gewond raakt of zelfs het leven verliest … Rijden doe ik niet meer, nooit van mijn leven! Hoe zeggen ze dat: ‘Better safe than sorry.’ Ik ga op de fiets, of met de bus, die niet zo heel vaak gaat in het plaatsje waar ik ben gaan wonen. Steeds vaker blijf ik thuis. De boodschappen, naar iemand toe, dat gaat op de fiets. Verder weg wordt het lastig. Ik heb een taalmaatje, van stichting Vluchtelingen. Dat durf ik te doen. Alleen met iemand die ik Nederlands probeer te leren, daar kan ik me geen buil aan vallen. Maar bij veel baantjes die voorbijkomen, zelfs als ze op vrijwillige basis zijn, ben ik bang te falen. Keihard door de mand te vallen. Dat iedereen ziet hoe ik eigenlijk ben. ‘Zeg’, zei mijn man Luuk laatst, ‘je drempel wordt steeds hoger. Doe er eens wat aan.’ Muurvast zit ik, zo vast dat ik soms denk geen adem meer te krijgen. De druk is enorm. De druk en het schuldgevoel dat ik een blok ben aan het been van Luuk, aan het been van iedereen, eigenlijk.

Ik breng het niet meer op, merk ik. Ik kan de telefoon niet meer oppakken om iemand te bellen, ik kán nauwelijks meer blijven staan voor een praatje. Ik graaf en graaf. Langzaam kom ik erachter wat mijn overlevingsmechanisme geweest is: me richten op de ander, vragen naar de ander. Het niet over mezelf hebben, hooguit op humoristische wijze. Niemand weet het als ik verdriet heb, als ik pijn heb. Ik voel me doodmoe en breng het doodleuk niet meer op om me ‘in contact’ met de ander te begeven. Ach, denk ik nog, ze zullen me gaan missen, vroeg of laat. Eens belt iemand me op, eens staat iemand voor de deur. Maar de tijd tikt door en het blijft stil.

’s Nachts lig ik wakker, mijn ogen opengesperd in het donker. Luuk ligt naast me. Zijn diepe adem vertelt me dat hij slaapt. Ik voel angst, doodsangst. Ik zie geen weg meer. Hoe moet het met mij verder? Hoe kom ik morgen door? Af en toe zak ik even weg, om dan weer totaal angstig met bonkend hart wakker te worden. De nachten duren het langst.

Ik trek me verder terug. Ik kan niet meer zijn. Contacten buiten de deur heb ik nauwelijks nog. Het enige dat ik nog heb is de boekenclub. Een groep van zes vrouwen, die eens in de twee maanden bij elkaar komt om een boek te bespreken. Twee vriendinnen van me zitten erbij. Zijn het wel vriendinnen? Ik ben bij ze langs geweest, ik móest een keer over mijn problemen te praten. Door niets te zeggen, krijgen ze ook geen kans, bedacht ik laatst. Ze reageerden wisselend. Ellen zei: ‘Ah welnee, joh. Ik geloof niet dat er met jou iets aan de hand is.’ Marieke deed geen uitspraak, stelde wat meer vragen. Maar sinds mijn bezoek aan hen, heb ik van beiden niets meer gehoord. ‘Ik ga weg uit de boekenclub’, zeg ik tegen mijn dochter Anne. ‘Moet je doen, mam, trek vooral de laatste stekker ook uit het stopcontact.’

En dus ga ik met de billen bloot. Ik moet wel, ik verkeer in een andere wereld, kan me niet meer aansluiten, zelfs niet voor de schijn. Het is al een heel ding om er tussen te komen. Iedereen heeft het hoogste woord. Voor we aan het boek beginnen, praten ze elkaar bij. Hun weekend weg, hun vakantie, hun huis, auto, mobiel en last but not least de kinderen. Het doet me pijn dat noch Marieke, noch Ellen vraagt hoe het met me gaat. Maar dat is van later zorg. Hoe vraag ik aandacht?

Ik schraap mijn keel. ‘Mag ik even?’ Dat was te zacht, niemand reageert. Of willen ze me niet horen? Ik voel me een schaduwvlek. Harder nu: ‘Ik wil wat zeggen.’ Vijf paar ogen kijken me aan. ‘Tja, beetje ongemakkelijk’, zeg ik. ‘Maar het gaat niet goed met me. Ik voel me niet goed. Binnenkort word ik getest.’
‘Wat heb je dan?’, vraagt Bea.
‘Ik weet het niet, mijn leven loopt niet. Ik …’
‘Onzin’, weet Suus, ‘hoezo loopt jouw leven niet?’ Ik zucht. ‘Ik weet niet goed waar ik moet beginnen. Het vermoeden is dat het in mijn vroegste jeugd begon, zeiden ze bij de intake. Ik had bijvoorbeeld een nogal dominante vader.’
‘Ah!’ neemt Janet het over. ‘Dat ken ik hoor! Mijn moeder was ook dominant.’
‘Oh ja, joh?’ vraagt Suus, ‘dat heb je nooit verteld.’
‘Och, breek me de bek niet open’, gaat Janet verder. De aandacht is bij haar. Janet, groot en zelfverzekerd, kan altijd aandacht vragen voor het kleinste detail uit haar leven. En terwijl ze begint, word ik overspoeld door een gevoel van ‘niet gezien, niet gehoord’ worden. Ik verschrompel en zwijg in alle talen. Mijn ogen prikken.

Als ik thuiskom ligt Luuk al in bed. Met zware benen en een dikke keel ga ik de trap op. Hij opent één oog. ‘Hoi’, mompelt hij, ‘was het leuk?’
‘Nee’, zeg ik en mijn stem trilt. Hij merkt het niet op, vermoed ik.
‘Oh jammer, volgende keer beter’. Hij draait zich om en mompelt ‘welterusten’.

Drie testdagen en zes weken later moet ik mezelf herdefiniëren. Ik lijd aan angst en dwang, heb een negatief zelfbeeld en een matig-ernstige depressie. Een heuse persoonlijkheidsstoornis. Alleen het woord al vind ik heftig. Mijn wereld staat op zijn kop. Mij is therapie aangeboden, maar de wachtlijst is lang: een half jaar tot een jaar. Ik kan er niet over uit dat ik nu ineens een ‘psychiatrisch patiënt’ blijk te zijn. Later leer ik dat je als patiënt tegenwoordig positief ‘cliënt’ wordt genoemd. Het maakt me niets uit, ik weet in welke hoek ik hoor.

Op de markt zie ik van een afstandje Marieke aankomen. Ongemakkelijk. Zij hield zich vorige keer bij de boekenclub op de achtergrond toen ik aandacht vroeg. ‘Hallo’, zegt ze en blijft staan. ‘Alles goed?’ Alles goed? denk ik, hoe kan ze dat nou vragen. Ik heb haar toch verteld … dus ik antwoord: ‘Nou ja, alles … Ik heb inmiddels testuitslagen binnen en heb onder andere een matig-ernstige depressie.’ Ze zucht. ‘Ach jee, vervelend. Tja, ik ben een positief mens. Bij mij is het glas altijd halfvol. Bij jou is het kennelijk altijd halfleeg. Dan krijg je dit. Nou meid, succes en tot de volgende keer!’ Met een glimlachje loopt ze door. De kilte dringt bij me naar binnen. Ik voel me teruggeworpen op mezelf. Maar mama’s stem uit het verleden klinkt: ‘Kom op, schouders eronder en doorgaan. Niet klagen, maar dragen.’ Ik recht mijn schouders, stap op de fiets en rijd naar huis.

Twee maanden later bij de boekenclub kom ik iets te laat. Suus zit in tranen. Zij heeft bij een uitstrijkje een foute uitslag gehad. Het moet opnieuw gebeuren. Iedereen is in rep en roer. ‘Ach, meid toch’, zegt Bea. ‘Kunnen we iets voor je doen?’ vraagt Marieke. Ik kan niets zeggen, behalve ‘naar voor je’ en haat mezelf om de jaloezie die ik voel. Achteraf spreken we af met bloemen bij haar langs te gaan. ‘Dat verdient ze gewoon’, zegt Janet.

Anderhalf jaar later mag ik eindelijk in therapie. Het is wennen in het begin. Ik vind het moeilijk het over mezelf te hebben. We zijn ongeveer een jaar bezig als ik zeg: ‘Ja maar, als ik dat zeg, willen ze me helemaal niet meer.’ ‘Oh’, zegt mijn therapeut, ‘en wat heeft al dat zwijgen en wegduiken je eigenlijk opgeleverd? Veel slechter kan het niet worden, denk ik.’ Die komt binnen. De pijn is enorm, maar het eerste zonnestraaltje kiert voorzichtig bij me naar binnen. Ik grijp de zin en neem ‘m met me mee op mijn lange weg naar herstel.
Dit artikel delen?

geef een waardering voor: "Taboe"

Geschreven door Elka Le Mair . Geplaatst in Kort verhaal.
07.12.20
Feedback:
Jee wat heftig. Hoever ben je nu op dit moment? Dapper dat je dit schrijft. Betekent dat dat je weer meer durft? Meer van jezelf durft te laten zien? Petje af!
Grammatica & Spelling:
Goed
  • Lezenswaardig:
    100%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
  • Elka Le Mair 07.12.20
    Ha Paco, ik denk niet dat het de bedoeling is van deze site dat ik antwoord zou geven op dit soort vragen, toch? ;) Maar fijn dat je het verhaal waardeert. Bedankt!
Emoticons: ;o = wink, :d = bigsmile, :-$ = blush, (^) = cake, (h5) = clapping, 8) = cool, ;( = crying, (x) = handshake, :? = thinking, (hartje) = heart

Jouw feedback hier?

Je helpt een andere schrijver met jouw eerlijke, respectvolle feedback en een serieuze waardering voor de schrijfkwaliteit van het artikel. Zie je verbeterpunten? Geef ze dan a.u.b. concreet aan in je commentaar.
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen.

Snelmenu: Klik, voor belangrijke pagina's, aan de rechterkant op de blauwe button !