SCHRIJFACTIVITEIT: KORT VERHAAL

Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Fragmenten uit gepubliceerde manuscripten of vervolgverhalen zijn niet toegestaan!
Bij een kort verhaal geven we de voorkeur aan maximaal 1000 woorden.

Klik voor meer schrijfactiviteiten in het menu op SCHRIJFACTIVITEITEN.

Suikerstroop

Publicatie: 01.01.2022 | Dianne van Oosterhout

Mijn vader zat met zijn rug naar me toe toen ik het zaaltje kwam binnen lopen, zijn rug kromgebogen ondanks zijn korset. Hij zat tegen het raam geplakt en zwaaide enthousiast met de muziek mee naar de mensen die buiten voorbij kwamen. Ik wrong me een weg door de rolstoelen naar voren om naast hem te gaan staan. Met een brede glimlach keek hij op, om samen te delen in al deze vrolijkheid, maar ik zag geen spoor van herkenning in zijn gezicht. Nog voor ik hem kon begroeten had hij zich alweer weggedraaid en zat hardop mee te zingen met de carnavalskraker, riep tussendoor door het raam heen naar de harmonie die buiten stond te spelen. Mijn vader genoot, onbekommerd. Ongeremd voor het eerst in zijn leven. Ik kreeg een blik van zijn afgepelde zelf. Het maakte me blij verdrietig, het was te mooi, het was te pijnlijk. Op weg naar zijn lege huis, zijn was onder mijn snelbinders, fietste ik een eind achter de optocht aan die door reed naar het volgende dorp. Een gigantische oranje nar laveerde door de scherpe bochten tussen de huizen op de dijk door, de schelle muziek uit de luidsprekers verwaaide. Er staat een paard op de gang, Oh oh. Dat had mijn vader mooi gevonden, mijn nieuwe dan. Mijn oude vader had nooit carnaval gevierd, het zat niet in hem. Bovendien was hij boven de rivieren opgegroeid. Dat moment, daar op de koude dijk, besefte ik dat hij er niet echt meer was, nog maar half. De tranen begonnen eindelijk te lopen.

We klommen in de lange smalle roeiboot die beladen was met jerrycans en visnetten, mijn vader zocht onhandig zijn evenwicht. De boot schommelde. We waren tot onze bovenbenen nat want de boot lag op het strand. Met zijn knieën hoog opgetrokken zat hij op een plankje. Mijn vaders natte broek zat om zijn magere benen gekleefd, zijn sokken afgezakt. Ik zag een stukje spierwit scheenbeen. Met zijn beide handen hield hij de boot stevig vast, maar hij zei niets, keek onzeker om zich heen. Na een klein stukje varen moesten we overstappen op een iets grotere boot, formaat politiesloep. Daar zouden we mee naar Peucang eiland varen, een klein eilandje voor de kust van een natuurreservaat in het uiterste puntje van Java. Gelukkig wisten we toen nog niet dat de golven zo hoog zouden worden, en dat iedereen behalve mijn vader kotsend in de kombuis lag, of uitgewrongen over de reling hing. Sylas was nog geen vier en spuugde al mijn sarongs onder die ik had ingepakt voor op het strand. Het oranje reddingsvest kwam tot onder zijn knietjes. De golven waren aardig hoog, af en toe zag ik de zwarte driehoek van de Anak Krakatau tussen het schuim verschijnen. Die was hoger dan in mijn herinnering. Ooit, 1990 was het geloof ik, was ik met een klein motorbootje aan wal gegaan. Het snoeihete grind maakte de tocht naar de punt loodzwaar. Toch groeide er wat kruipsel op het strand en zaten er slangen. Het eerste uur had ik nog naast hem op het bankje gezeten, dat midden op het open dek stond vastgeschroefd. Ik probeerde niet te laten merken dat ik toch wel ietwat bezorgd was of hij het wel zou trekken. En of wij het wel zouden redden. De licht blauw gelakte vissersboot was achteraf gezien toch wel erg klein, de zee gedroeg zich ook helemaal niet als een rustig binnenzeetje. Hij zei alleen maar, als het echt nodig is bid ik wel een weesgegroetje. Ik was jaloers op zijn vertrouwen.

Het eiland was een klein paradijs. De mangrovebomen stonden tot ver het water in, hier en daar een strandje, enorme ficussen in het midden waar we met ons zevenen niet eens omheen pasten als we elkaars handen vast pakten. Er stonden een paar blokhutten, de meesten waren leeg. Een werd bewoond door de beheerder, die bijna alle dagen van het jaar alleen op het eiland woonde. Vergane glorie. Suharto kwam er vroeger wel eens voor meetings, dan landde hij met een helikopter op het centrale grasveld. Zijn oude cottage was echter op slot. Wij logeerden in een houten bijgebouwtje, met kippengaas als ramen en een plek om te koken in een apart schuurtje er achter. DB, of Dikke Buik zoals we het enorme hert hadden genoemd, stak nieuwsgierig zijn kop naar binnen, het zwijn kon ik gelukkig wel buiten houden. Die gooide ik na het koken wat eten toe zodat ik met de pannen naar de hut kon oversteken. Het stikte er ook van de apen, als je even niet keek plunderden ze zo je voorraad. We bleven tot diep in het donker op de veranda zitten luisteren naar de nacht en probeerden DB tussen de schimmen op het veld te ontdekken. Het strandje was prachtig, wit zand omringd door bomen. We zwommen in het heldere zeewater en bouwden van bamboe een irrigatiekanaal. Mijn vaders litteken van lang geleden was nog altijd zichtbaar, dwars over zijn romp naar achteren. Met een bootje konden we naar het grote natuurpark oversteken, een schiereiland op een paar meter afstand. Op zoek naar de laatste overgebleven neushoorns in Indonesië liepen we door het bos. De kans was natuurlijk wel erg klein dat we iets zouden kunnen zien, het park was groot, de kudde bijna uitgeroeid. Die enkele natuurbeheerders die het park moesten bewaken konden niet voorkomen dat stropers op jacht gingen om de hoornen duur te verkopen. Neushoorn was een geliefd middel tegen erectiestoornissen. We kwamen wel een zwarte panter tegen, lopend tussen het lange gras. Heel stil bleven we staan, niet bewegen, geen geluid maken. Ronduit prachtig. En een tikkeltje spannend. We waren onder de indruk en opgelaten liepen we terug naar de boot. Dat was toch best wel dichtbij geweest, hoe zou ik mijn broers kunnen uitleggen dat onze vader door een panter was verscheurd. Want hij kon niet meer zo hard rennen. Mijn vader liet alles doodgemoederd over zich heen komen, scheerde zich voor een vergeten spiegeltje en joeg de apen weg die zijn waterbakje wilden pakken. Hij merkte slechts droog op dat het wel even wat anders was.

De laatste jaren was hij al veranderd. Sinds de dood van mijn moeder was hij veel emotioneler geworden, praatzamer ook. En avontuurlijker dan ik van hem gewend was. Hij kon eigenlijk niet tegen onvoorspelbaarheid en als iets niet goed lukte. Veranderingen vond hij moeilijk. De eerste tekenen van dementie slopen er af en toe al door heen, ik herkende ze maar al te goed van mijn schoonmoeder, die al jaren in haar waanbeelden rondwandelde en die ik geregeld moest helpen met wassen, tanden poetsen, ze begreep niet meer wat ze met tandpasta ook al weer moest doen. Onze woonkamer was de markt, de garage de moskee. Maar die keren dat hij op bezoek kwam was hij vooral aan het inhalen leek het, dingen doen die vroeger niet konden, en sinds mijn moeder ziek was ook niet meer mogelijk waren. Indertijd had hij zich opgegeven om zijn militaire dienst in Suriname uit te zitten, zijn enige kans om iets van de wereld te zien, maar toen het zijn beurt was werd de basis opgeheven. De eerste keer dat hij landde had ik wat douane personeel omgekocht om hem al bij de vliegtuigdeur op te kunnen halen. Hij had nog nooit alleen gevlogen, sprak geen Engels en was zo wie zo altijd enorm gespannen voor het onbekende. De warme lucht die je buiten als een muur tegemoet kwam besloeg zijn bril. Hij haalde zijn zakdoek tevoorschijn om hem schoon te poetsen. Mijn vader was nog van de generatie die altijd een katoenen zakdoek bij zich droeg. Die trip naar het eiland was de laatste keer geweest dat hij op bezoek kwam. Het werd voor ons tijd om terug naar Nederland te gaan, en voor hem om zijn wereld weer kleiner te maken.

De ouders van mijn vader kwamen uit dezelfde streek als mijn moeder maar waren naar de stad boven de rivier verhuisd omdat er als landarbeider in de polder niet veel te verdienen viel. Mijn opa was de jongste zoon uit een gezin van 9 kinderen en had dan ook geen kans gehad op een eigen boerderij. Hij moest als boerenknecht bij andere boeren werken en voelde zich diep vernederd en uitgebuit. Hij is altijd op die arrogante boeren blijven schelden die zichzelf meer waard vonden dan mensen die geen eigen grond hadden. Hij vertrok dus en werkte bij het Spoor en had hierdoor een lapje grond voor een tuin langs de rails, maar in plaats van voedsel verbouwde hij daar tabak, ook tijdens de oorlog. Mijn vader vertelde dat hij de bladeren altijd naar de sigarenboer moest brengen om ze te laten versnijden. Opa was een hele grote man van weinig woorden, maar soms vertelde hij over zijn jonge jaren tijdens de 1e wereldoorlog, toen hij 4 jaar lang lopend de grenzen van Nederland moest helpen bewaken. Te voet vanuit Zeeland naar Limburg en weer terug. Hij had in al die jaren echter weinig actie gezien. Mijn oma kwam uit hetzelfde dorp als mijn moeder en was de meegaandheid zelve. Toch moest ze ooit een sterke vrouw geweest zijn. Oma trotseerde in de volgende oorlog de lange afstand en het oorlogsgeweld om bij haar familie in Brabant voedsel te halen. Voor mij was ze een heldin die met gevaar voor eigen leven voor de bommen moest schuilen in de greppels langs de kant van de weg, om vervolgens weer door te gaan. Met haar fiets beladen met eten liep ze het hele eind weer terug naar huis. Waarom mijn opa dit eigenlijk niet zelf deed vroeg niemand zich hardop af. Jezelf opofferen, dat was kennelijk de taak van moeders. Toen de oversteek niet meer mogelijk was en de hongerwinter inzette, werd mijn vader als mooi blond jongetje naar de gaarkeukens gestuurd in de hoop meer eten mee naar huis te kunnen krijgen. Mijn vader kon sindsdien nooit meer eten weg kon gooien. Hij was altijd degene die de droge korstjes toch nog op at. Altijd met stroop of katenspek, heel soms kaas met stroop. Na de oorlog maakte hij alsnog de lagere school af en ging in de leer bij een meubelstoffeerder. Elke dag fietste hij als jongen van een jaar of 14 langs een tennisbaan waar tot zijn verbazing mensen aan het spelen waren terwijl het toch een gewone werkdag was. Onbegrijpelijk voor hem. Werken moest je. En jezelf niet beter voordoen dan de rest. Tegelijkertijd bleef hij altijd opkijken tegen mensen ‘van stand’, maakte zichzelf klein en zat daarna thuis vloekend een bankstel voor hen te stofferen. Hij kluste bij om zijn salaris aan te vullen. Er stond altijd wel een stuk meubel in het schuurtje half uitgekleed, of als het daar echt te koud werd in de woonkamer. Telkens als hij per ongeluk op zijn vingers hamerde volgde er een hartgrondig godverdomme. Ik was er niet zeker van of hij vloekte vanwege de pijn of eigenlijk omdat hij boos was.

De laatste maanden was hij hard achteruit gegaan. Soms belden de buren dat hij in zijn hemd over straat liep te dolen, achter zijn rollator. Of meldde de wijkverpleegkundige dat hij veel te veel medicijnen had ingenomen en heel erg verward was. In korte tijd was het meeste bijzaak geworden, zijn tuin, zijn huis, zijn kamer uitgekleed tot de essentie: zijn favoriete stoel, een paar foto’s aan de muur. Een in elkaar gezakte, magere man, die vaak bang uit zijn ogen keek. Het was duidelijk dat dit een aflopende zaak was. Al een week kon hij nog nauwelijks eten of drinken. Hij was bij vlagen nog erg helder, dan opeens zat hij weer in die andere wereld, liep door zijn herinneringen rond, dacht dat ik mijn moeder was. Praatte tegen onzichtbare oude vrienden alsof ze in de kamer waren. Die laatste dag was hij erg onrustig, wilde telkens uit bed opstaan, zijn katheter lostrekken, hij moest voor mijn moeder gaan zorgen. Een kopje thee zetten. Zijn laatste hapjes, koffie met melk, een bruine boterham met stroop, een biertje. Ik goot een paar lepeltjes naar binnen. Hij glimlachte. Die laatste nacht deden we allebei geen oog dicht. Soms praatten we wat, of we keken foto’s. Zijn ouders, de kleinkinderen. Wij samen voor een Balinese tempel. Hijzelf als soldaat en in trouwpak. Hij streelde de foto van mijn moeder. Ondanks dat ze een ingewikkeld huwelijk hadden gehad, had hij wel veel om haar gegeven. Angstig greep hij mijn arm. Wat als ik Riek straks niet meer kan vinden? Wat als ik niet naar binnen kan? Hij begreep dat hij de oversteek ging maken, maar twijfelde plotseling of hij het wel kon, of hij daar helemaal alleen zou zijn. ’s Ochtends was de pastoor al gekomen om hem te bedienen, wat hem zichtbaar opluchtte. Hij had zijn Christelijke plicht volbracht en kreeg de zegen mee om hem te begeleiden, als een soort paspoort. Het andere moment zag hij zijn zus en zijn broer naast zijn bed staan, een blik van blije herkenning trok over zijn gezicht. Ha Corrie! Shell! Hoe is het toch met jullie? Vervolgens frommelde hij weer aan zijn dekens, hij moest ergens heen, maar waarheen ook al weer? In zijn oude Simca reed hij door zijn hoofd, de deken tot een wiel gevouwen. Tevreden zat hij achter het stuur. Ga maar, ze wachten op je. Ik zal je missen. Ik mis je.

 

WAARDERING

HITS:

219

AANGEPAST:

01 januari 2022

Enthousiast over deze inzending? Deel je enthousiasme op sociale media m.b.v. onderstaande buttons.

Commentaar en/of waardering voor dit artikel:

Geef s.v.p. alleen 5 sterren als het werk perfect is en jij geen verbeteringsmogelijkheden ziet. Schrijvers stellen jouw tips en opmerkingen vooral op prijs.
14.01.22
Graag je feedback a.u.b.:
Mooi verhaal, met interesse en gedeeltelijke herkenning gelezen. Ik zit zelf altijd te stoeien met hoe ik een verhaal schrijf en hoop hier nog één en ander te leren. Wat me invalt, bij het lezen van dit verhaal, is dat ik denk dat het nog meer tot zijn recht zou komen als het langer zou zijn, zodat sommige zaken meer uitgesponnen zouden kunnen worden. Op het moment dat je meer 'feeling' met de personen uit het verhaal krijgt, wat m.i. gebeurt als ik meer word meegevoerd, gaat het (nog meer) raken.
Klein zeurtje: zo wie zo moet 'sowieso' zijn.
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
14.01.22
Graag je feedback a.u.b.:
Mooi verhaal, met interesse en gedeeltelijke herkenning gelezen. Ik zit zelf altijd te stoeien met hoe ik een verhaal schrijf en hoop hier nog één en ander te leren. Wat me invalt, bij het lezen van dit verhaal, is dat ik denk dat het nog meer tot zijn recht zou komen als het langer zou zijn, zodat sommige zaken meer uitgesponnen zouden kunnen worden. Op het moment dat je meer 'feeling' met de personen uit het verhaal krijgt, wat m.i. gebeurt als ik meer word meegevoerd, gaat het (nog meer) raken.
Klein zeurtje: zo wie zo moet 'sowieso' zijn.
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
06.01.22
Graag je feedback a.u.b.:
Interessante familiegeschiedenis.
Liefdevolle beschrijving van vader en grootouders.
Goede timing vanuit eigen perspectief van afscheid.
Weinig over wat dit voor de schrijver betekent, behalve: ik zal je missen.
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
06.01.22
Graag je feedback a.u.b.:
Interessante familiegeschiedenis.
Liefdevolle beschrijving van vader en grootouders.
Goede timing vanuit eigen perspectief van afscheid.
Weinig over wat dit voor de schrijver betekent, behalve: ik zal je missen.
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
Naar boven

Ook meedoen aan een schrijfactiviteit? Meedoen is gratis. We publiceren je inzending voor minimaal 12 maanden. Meedoen is mogelijk door eerst in te loggen en dan bovenin de pagina op de rode balk te klikken. Nog geen lid? Aanmelden is gratis.