Loading...
Kort verhaal

Het korte verhaal leent zich voor het type analyse waaraan literaire romans worden onderworpen, voor wat betreft bijvoorbeeld de verteltechniek. Een kort verhaal verschilt van de anekdote doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard. Poe vond dat een kort verhaal in een half uur tot twee uur, maar in elk geval in één keer moest kunnen worden uitgelezen en gericht moest zijn op het bereiken van een enkel effect.

De waarschijnlijk meest uitdagende vorm van een kort verhaal is het flitsverhaal. Een flitsverhaal is een compleet verhaal in het kleinst mogelijk aantal woorden. Het moet een begin, midden en einde hebben en bij voorkeur een draai of verrassing aan het einde. "Het meest beknopte en sprekend voorbeeld van een flitsverhaal is het verhaal dat Ernest Hemingway schreef."

Te koop: babyschoenen. Nooit gedragen.

Jouw zelf geschreven korte verhaal  of flitsverhaal is hier ook welkom. Een kort verhaal bij Schrijverspunt mag uit maximaal 500 woorden bestaan.

Korte verhalen

Rust

Hij kijkt om zich heen. Hij ziet de rust. De rust heeft geen kleur. De rust is in elk opzicht een stilte. Het is zondag. Zondag is geen echte dag. Zondag heeft geen `moeten’. Hij is alleen. Er is rust om hem heen.

 

Maar er is geen rust in hem. Rust is het `het is goed zo’- gevoel. Maar dat gevoel heeft hij niet. Niet nu. Hij luistert naar niets, want rust spreekt niet. Hij praat wél, maar wat er volgt, is stilte. Soms kan stilte oorverdovend zijn. In zijn hoofd is de stilte druk aanwezig. Het geeft onrust. Onrust in hem.

 

Hij moet wat doen. Hij bewatert de plantjes. Hij doet dat altijd in dezelfde volgorde. Zijn gietertje vult hij twee keer voordat hij de kamer rond is. Daarna staat hij stil en denkt na. Hij trekt zijn jas aan en loopt naar buiten. Hij vraagt zich even af of hij, zoals altijd, het huis moet afsluiten, maar hij doet het deze keer niet. `Als mijn huis het wil, staat het straks nog op mij te wachten,’ denkt hij met een glimlach op zijn gezicht.

 

Hij pakt zijn fiets, steekt zijn vinger in zijn mond en daarna in de lucht. De wind vertelt hem waar hij heen gaat, maar zegt niet waar hij heen móet gaan. Hij wil vandaag een dag zonder móeten. Een dag zoals een zondag `moet’ zijn.

 

Hij fietst richting een meer, maar het fietsen gaat hem zwaar af. De banden zijn te leeg en het zadel zit scheef. Bij het meer aangekomen besluit hij te gaan lopen. Hij plaatst zijn fiets tegen een boompje. Even denkt hij na of hij hem op slot moet zetten, maar niets móeten is zijn motto vandaag. Dat geldt dus ook voor zijn mooie blauwe fiets. Hij wil vandaag out-of-the-box denken en laat het slot open. `Als mijn fiets het wil, staat hij straks nog op mij te wachten’, denkt hij met een glimlach op zijn gezicht.

 

Hij heeft de fiets gekregen van zijn vader. Zijn vader kan niet meer fietsen. Door een operatie kan hij zijn linkerknie onvoldoende buigen. Het heeft hem jaren geduurd voordat hij dit kon accepteren. Als mijn vader moppert dat hij niet meer kan fietsen, zeggen de kinderen altijd `maar pa, je fietst toch nooit meer’. `Nee. klopt, maar dan wil ik het nog wel kunnen, bromt hij dan steevast. Het heeft hem waarschijnlijk jaren gekost om van het gevoel `iets niet meer kunnen' afstand te kunnen nemen en het uiteindelijk te accepteren. Wellicht is het weggeven van zijn fiets voor hem een symbool voor de innerlijke rust die deze acceptatie met zich meebrengt.

 

Het is een mooie fiets. Een fiets met tien versnellingen. Beter dan de zware oude fiets met drie versnellingen die hij heeft weggedaan. De keuzes zijn vermeerderd, maar toch gebruikt hij steeds maar dezelfde versnelling. Net zoals in het leven; uiteindelijk maak je voor alles maar één keuze.

 

Hij staat aan het begin van het fietspad dat het meer volledig in zijn greep houdt. Ruim 5km rondom met in zich het landschap dat hem rust geeft. Het fietspad kent maar één richting en heeft als doel hem van A uiteindelijk weer naar A te brengen. Er is niet veel te zien; riet langs de oever, veel struiken en enkele bomen die voortdurend zwaaien naar enkele dappere recreanten die onvermoeibaar proberen het windsurfen onder de knie te krijgen. Er staat een zuchtje wind en met een diepere zucht begint hij te lopen. Eigenlijk heeft hij geen zin in het rondom-het-meer wandelingetje, maar iets in hem zegt dat hij dit `moet’ doen. Zo is er altijd wel een regelmatig terugkerend `moeten’ in het leven van de mens.

 

Zijn vader is een krachtig mens. Goed in keuzes maken. Niet, zoals zijn vrouw en kinderen, geschoold vóór het leven, maar juist door het leven. Dat maakt hem een wijs man, Als kleine jongen heeft hij de oorlog meegemaakt. Het was voor hem een speeltuin; chocolade halen bij de Duitse soldaten die een paar jaar later door laagvliegende Engelsen van de weg werden geschoten. Hij zag de angst niet in de ogen van zijn ouders die de zorg over de kinderen hadden. Voor hem had het leven nog geen kleur. Het leven begint pas op latere leeftijd. Als jouw leven zó begint, leef je zonder referentie, maar je draagt het later wel met je mee.

 

Hij ziet vogels badend in het meer en vogels tsjilpend in de bomen. Hij heeft geen verstand van vogels. Hij noemt deze vogels meerkoeten en merels. Hij kan er nooit ver naast zitten. Dit is tenslotte een meer. Even verderop ziet hij een man van zijn leeftijd aan de waterkant zitten. Regenjas aan en zuidwester op. Hij wil nog grappig uit de hoek komen door te zeggen dat dit het noordoostelijke gedeelte van het meer is, maar slikt zijn misplaatste grap ditmaal maar in. Toch blijft hij staan. De zittende man straalt rust uit. Hij is nieuwsgierig waar deze rust vandaan komt en besluit een paar meter verder ook aan de oeverrand plaats te nemen. Het valt hem nu pas op dat de man zijn handen voor zich uit heeft en dat hij naar het water tuurt. Na hem een tijdje te hebben gadegeslagen, kan hij zijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen.

`Hallo, buurman, wat bent u aan het doen?’ Even lijkt het of de man hem niet heeft gehoord.

`Aan het vissen’, zegt hij plotseling met verbazingwekkend heldere stem.

Er valt een stilte. Hij weet niet wat hij hiermee aan moet. Hij ziet geen hengel en hij ziet geen dobber bewegen op het licht rimpelende water. Hij lacht niet. Hij durft niet te lachen. Het is ook niet grappig.

`Maar meneer, u heeft geen hengel,’ zegt hij op zachtere toon, klaar om op te springen alsof er plotsklaps een vishaakje zijn richting op kan zwaaien.

`Ik laat altijd mijn hengel hier achter, maar vanochtend lag hij niet meer op mij te wachten,’ zegt de man.

Er valt een stilte, hij moet het antwoord tot zich laten doordringen.

`Maar dan kunt u toch niet vissen?’ durft hij te zeggen.

`Dit is wat ik elke zondagochtend op dit tijdstip doe. Ik moet dit doen, ik wil geen keuzes hebben. Een leven zonder keuzes geeft mij rust.’

Het antwoord verwart hem. Hij moet dit op zich laten inwerken en begin te dubben over het bestaan, terwijl de visser begint te twijfelen over het bestaan van zijn dobber. Zij zitten zwijgend, een paar meter van elkaar, wellicht een paar minuten, misschien wel een kwartier, voor zich uit te starten. Plotsklaps keert de man zich naar hem toe en kijkt hem recht in de ogen aan. Hij heeft zware wenkbrauwen, gebruind, gehard gezicht en zijn ogen hebben geen kleur. Geen kleur is wel rust. `Hij is mijn zondag, maar dan anders,’ denkt hij.

`U moet gaan, u verwart mijn bestaan,’ zegt de visser resoluut.

Hij aarzelt niet. Hij staat op, zegt zachtjes dag, maar hoopt eigenlijk dat hij niet gehoord wordt, bang voor de consequentie.

Hij loopt verder en denkt na.

 

Zijn vader is inmiddels ver gevorderd in leeftijd en heeft een vrouw, zijn moeder, die hij volledig moet verzorgen. Zijn vrouw is angstig en ligt voornamelijk in bed. Heel soms heeft zij een opleving die hem met blijdschap vult, maar zijn vader tempert zijn vreugde. `Wacht even, zoon, hoe het morgen is,’ zegt hij. En hij heeft gelijk, want de volgende dag is alles weer terug naar het troosteloze oude. Zijn vader is een wijs man, dat bewijst hij eens te meer. Hij kent het leven, hij begrijpt het leven. Soms hoopt hij voor zijn vader dat zijn vrouw niet meer wakker wordt. Hij denkt zich in dat dit `het is goed zo’ – gevoel voor zijn vader moet zijn en dat dit ook beter is voor moeder, waarvan de geest al lijkt afscheid te hebben genomen. Maar zijn vader zegt `zolang ik weet dat ze er is, heb ik een doel.’ Dit is liefde, dit doet meer dan een halve eeuw trouw aan elkaar met je. Hij, de zoon, voelt zich een egoïst. Wellicht dacht hij alleen maar aan zijn vakantie en vroeg hij zich af of hij die wel zorgeloos door zou komen. `Als dit mijn pijlers zijn, begrijp ik nog niet veel van het leven,’ denkt hij.

 

Hij is verward door de gedachtes over zijn vader en zijn verhaal met de man aan de oever van het meer. Hij kijkt snel achterom, maar ziet hem niet meer. Het gezicht van de visser begint te vervagen en hij vraagt zich af of de Zuidwester wel heeft bestaan.

 

Hij wil niets `moeten’, hij móet zijn hele leven al. En toch begint hij zich af te vragen of het doel van het leven niet: leven voor een doel is. De visser heeft een doel, zijn vader leeft voor een doel, zelfs die ene versnelling op zijn fiets heeft een doel, maar wat is zijn doel? Tja, elke ochtend plantjes water geven. Nou ja, dat is in ieder geval iets.

 

Hij bemerkt dat hij het fietspad heeft losgelaten, de enige zekerheid die hem van vertrek A terug naar bestemmingsdoel A zou brengen, en loopt nu langs de oever van het meer. Zijn voeten worden nat. `Duidelijk het verkeerde schoeisel gekozen’, mijmert hij.

 

Er is nu niemand om hem heen. Niemand op het water De vogels zijn vertrokken. Zelfs de wind heeft een ander doel gekozen. Er is totale rust. Het water komt inmiddels tot zijn knieën maar het deert hem niet meer. Hij wil zijn zondag, zoals deze dag bedoeld is; zoals hij het wil. Dit verwart hem.

 

En als de kleurloze waterspiegel zich boven hem sluit, vraagt hij zich af of zijn fiets op hem zal blijven wachten.

 

 

 

Deel 2

Hij kijkt om zich heen en aanschouwt het kleurrijke onderwaterleven om zich heen. Vanaf het land is het water grauw en grijs, maar onder de kleurloze waterspiegel blijkt er van alles aan de hand te zijn. Het zijn teveel indrukken. Hij moet kiezen waar hij moet kijken. Het voelt niet vredig of vreedzaam aan. Het geeft hem geen rust.

 

Voor hem doemt een arm op. Hij grijpt hem vast. De arm trekt hem naar boven. Proestend en naar adem snakkend beleeft hij het leven weer dat hij van plan was los te laten. Hij opent zijn ogen en kijkt omhoog. De roodgele zon verblindt zijn zicht. Hij ontwaart slechts een donkergrijs silhouet.

 

`Is alles goed met u,’ hoort hij luid en duidelijk. Hij herkent de stem van de visser. Hij wil iets zeggen, maar verslikt zich in een visje. Een meerval, denkt hij, maar net zoals van vogels heeft hij ook geen verstand van vissen die in het meer zwemmen.

 

Hij steekt zijn duim op en hoort de visser een diepe zucht slaken.

 

`U heeft geluk, meneer, ik ben u achterna gekomen vanwege uw opmerking. Ik wilde u spreken. Kom, drink wat.’ Een koffiekan met lege mok wordt hem voorgehouden.

`Nee, dank u, ik heb voorlopig genoeg gehad.’ Hij glimlacht om zijn eigen nuchtere, doch onnozele grap.

 

Een paar minuten zitten beide mannen zwijgend naast elkaar. Het is een déjà vu, maar toch anders. De visser is opgelucht dat hij de man ging zoeken en de man zoekt naar lucht. Het is zo anders en toch weer hetzelfde.

`Dank u,’ weet hij stottert uit te brengen. `Ik had net besloten te gaan, uw hand heeft mij gered.’

`Gaan? Wat bedoelt u? Waarheen wilde u gaan?’

`Naar de zondag zoals hij bedoeld is,’ maar als hij de woorden uitspreekt, weet hij dat dit banaal en onbegrijpelijk zal klinken.

`Ik begrijp u,’ zegt de Zuidwester, `ik zoek echter mijn zondag niet onder de waterspiegel, maar daarboven. Het gerimpelde water en de dobber die daar drijft, geven mij rust. Dat is mijn zondag.’

Hij kijkt de visser verbaasd aan en slikt bijtijds, tezamen met een tweede `meervalletje,’ zijn geplande opmerking over de ontbrekende dobber in.

`De visser is zo anders dan hij. Hij overdenkt zijn rust anders. Maar toch begrijpt hij hem. Hoe is dit mogelijk?’

`Meneer’, vervolgt de visser zijn verhaal, `de zondag is voor ieder bedoeld zoals hij wil. Er is niet één zondag.’

Hij schaamt zich. De visser begrijpt hem zó goed, maar hij begrijpt de visser niet.

`Ziet u, meneer, ik kan mijn zondag vullen met de gedachte dat ik vis. Ik heb geen hengel nodig. Maar u daarentegen, wilt uw gedachte vullen met úw zondag, die leeg moet zijn. Daar hengelt u naar,’ glimlacht de visser. Het gevoel van flauwe grappen hebben zij in ieder geval gemeen.

 

Zijn vader heeft besloten zijn vrouw te laten gaan. De zorg die zij nodig heeft kan hij niet meer bieden. De kracht ebt in hem weg. Het lichaam is te zwak en de verlaten wil van zijn vrouw te sterk. Ze gaat naar een verzorgingstehuis; klein qua omvang, groot in aandacht. Wij, de kinderen, zijn het er allemaal mee eens, maar we voelen de pijn mee. De pijn van het loslaten is onverdraaglijk en definitief. Maar er is geen weg terug. Er is maar één weg; de weg van berusting.

 

Hij staat op. Hij zoekt naar de zon die hem moet drogen. Gezamenlijk lopen ze terug naar het pad dat hem slechts twee mogelijkheden biedt. Hij kiest ervoor om door te lopen. Als je wil leven, beslis je uiteindelijk om toch door te gaan.

 

`Kijk, meneer, het leven is als dit wandelpad. Je wordt uit het niets geboren en uiteindelijk verdwijn je in het niets. Net zoals dit pad: Het begint bij punt A en uiteindelijk komen we daar ook weer uit. Maar het is de vraag hoe u dit pad bewandelt. Loopt u snel of loopt u langzaam. Raakt u de zijkanten aan met uw tenen of loopt u in één rechte lijn. Het is zoals u het wenst, het is úw zondag.’

Hij begrijpt dat de `zondag’ een metafoor is geworden. Maar deze keer begrijpt hij de visser wel.

 

De man kijkt hem aan. Het gebruinde, geharde gezicht staat veel vriendelijker dan hij eerst vermoedde. De ogen weerkaatsen het zonlicht. `U moet nu gaan, gaan zoals u wenst.’

 

Hij kijkt naar het water, naar de lucht en naar de ogen van de Zuidwester. Alles heeft kleur. Alles is blauw, maar dan anders.

 

Hij voelt de warmte van het leven in zijn lichaam terugstromen en zowaar heeft hij zin om met stevige pas zijn weg te vervolgen.

 

`Dank u wel. Dank u voor uw wijze woorden,’ stamelt hij en deze keer niet door een achtergebleven bewoner van het meer, die kriebelt in zijn keel. Hij keert zich om, om de kleurrijke man met een levenslustige handdruk te bedanken, maar de visser is in geen velden of wegen `meer’ te bekennen.

 

Hij staat even stomverbaasd stil, maar realiseert zich dat er nu in zijn leven geen plaats meer is voor stilstaan. Met ferme pas vervolgt hij zijn weg; naar het einde van het pad, naar het begin van een nieuwe zondag.

 

Uiteindelijk komt hij vrolijk en vol levensdrang aan bij de boom waar hij zijn blauwe fiets heeft achtergelaten, maar zijn fiets heeft niet op hem gewacht. Tegen de boom rust slechts een gebroken hengel met een kleurloze dobber. Hij kijkt nogmaals om zich heen of hij zich in de boom heeft vergist en als hij zijn ogen samenknijpt en in de verte tuurt ziet hij, tegen de oranje namiddagzon inkijkend, tussen de groene bomen, het blauw van zijn fiets voorbijrazen, voortbewogen door een donkergrijze zuidwester, richting het noordoosten.

 

Het in zondag. Iedereen is bij elkaar in het ouderlijk huis dat al 50 jaar bewoond wordt door het bejaarde echtpaar. Morgen gaat moeder het verzorgingstehuis in, maar ze weet nog van niets. Maar als ze het zou weten, wist ze het nu niet meer. Vader is rustig en moeder ligt te rusten in de kamer. Ze voelt onze spanning niet. De kinderen op middelbare leeftijd kijken vader geruststellend aan.  `Het is goed zo,’ praten we elkaar moed in. Het is geen zondag zoals alle andere. De keuze is gemaakt, maar het was eigenlijk geen keuze. Het was een acceptatie. Het is het juiste pad dat wij `moeten’ bewandelen. Het is een zondag met een nieuw begin.

 

 

Slot

Dit artikel delen?
  • Hits: 252

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

Nomineer deze schrijver!

Bezoekers van Schrijverspunt kunnen 2 schrijvers nomineren voor de titel van talentvolle schrijver 2019. Je kunt de schrijver van dit artikel nomineren door op de blauwe button te klikken.