Korte verhalen

Kort verhaal

Het korte verhaal leent zich voor het type analyse waaraan literaire romans worden onderworpen, voor wat betreft bijvoorbeeld de verteltechniek. Een kort verhaal verschilt van de anekdote doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard. Poe vond dat een kort verhaal in een half uur tot twee uur, maar in elk geval in één keer moest kunnen worden uitgelezen en gericht moest zijn op het bereiken van een enkel effect.

De waarschijnlijk meest uitdagende vorm van een kort verhaal is het flitsverhaal. Een flitsverhaal is een compleet verhaal in het kleinst mogelijk aantal woorden. Het moet een begin, midden en einde hebben en bij voorkeur een draai of verrassing aan het einde. "Het meest beknopte en sprekend voorbeeld van een flitsverhaal is het verhaal dat Ernest Hemingway schreef."

Te koop: babyschoenen. Nooit gedragen.

Jouw zelf geschreven korte verhaal  of flitsverhaal is hier ook welkom. Een kort verhaal bij Schrijverspunt mag uit maximaal 500 woorden bestaan.

Rimpels in scheerlicht

Hij eet met grote happen. Zo bijvoorbeeld: hij balanceert de dot slagroom op het vorkje en schuift het geheel in zijn wijd geopende mond. Vaak erger ik me daaraan, maar vandaag niet. Ik weet eigenlijk niet waarom niet. Zelfs het vlokje slagroom dat aan zijn bovenlip is blijven kleven ergert me niet. En ook niet de grijze haartjes die weer eens uit zijn halsplooi steken omdat hij zich voor de zoveelste keer niet goed heeft geschoren. Het ergert me allemaal niet. Waar is die ergenis gebleven?
    “Het blijft al weer lang licht,” zegt hij, zijn hoofd gebogen over het schoteltje en kruimels bijeen vegend.
    Er waren tijden dat ik me aan alles ergerde. Vooral toen we jong waren. Aan de manier waarop hij zijn schoenen uitdeed (zittend op de rand van het bed,  minutieus de veters lostrekkend tot aan het laatste gaatje en pas dan kon hij voorzichtig zijn voet eruit heffen), aan hoe hij lachte (met gierende piepjes, als een auto in de winter die niet wil starten), of aan hoe zijn plas ruikt in de ochtend. Ik deed altijd mijn best vóór hem wakker te worden. Hij heeft dat nooit gemerkt. Er waren zelfs tijden, ik denk jaren lang, dat ik me ergerde aan zijn ademhaling. Zo vreselijk vond ik het, dat ik er niet van kon slapen. Ben ik een monster?
    Hij haalt zijn grote hand langs zijn mond, voelt klaarblijkelijk iets, bekijkt fronsend en ernstig het derde kootje van zijn wijsvinger en likt dan, met een vlezige tong die hij veel te ver naar buiten steekt, de slagroom eraf. Ik kan zelfs de blauwe aderen aan de onderkant van zijn tong zien. Een veegje slagroom blijft nog achter op zijn bovenlip, zijn bovenlip die lang en grijs is als die van een giraffe.
    Niets. Ik voel helemaal niets.
    Ik draai het theeglas wat rond tussen mijn handen. Een meisje met een bontrode sjaal en een laptop onder haar arm loopt langs ons tafeltje. Ze loopt niet, maar ze schrijdt. Het pand van haar paarse jas glijdt langs mijn been. Hoe zou haar leven er uit zien? Zou ze een lief hebben? Zal ze hier later net zo zitten als ik? Ze gaat een paar tafeltjes verderop zitten. Als ze naar buiten kijkt, glanzen haar ogen vol vuur.
    Soms denk ik dat het leven gordijnen is; gordijnen waar wij doorheen glijden. Een gordijn van tien jaar, één van twintig jaar, één van dertig. We glijden er allemaal doorheen en spelen onze rol van tienjarige, twintigjarige, dertigjarige. Ja, we nemen de rollen van elkaar over of zo. En straks zit zij hier mijn rol te spelen.
    “Misschien moeten we hem toch maar kopen, denk je niet?” zegt hij terwijl hij het laatste stuk taart aan het vorkje probeert te prikken, maar het is te hard en breekt in tweeën.
    Er is nooit iets nieuws. De dagen volgen elkaar op en de mensen volgen elkaar op. We maken ons druk over van alles en nog wat en onze opvolgers maken zich druk over dezelfde dingen.
    Er zit weer veel roos in zijn haar dat steeds dunner en valer wordt. De roos hangt er tussen als minuscule sneeuwvlokjes in een berkenbos of zoiets.
    Vroeger liepen we eens in een berkenbos, papa en ik. Er waren vogeltjes en bijen en papa liet me zien hoe je de bast van de berk kon trekken. De zon scheen op zijn jas in allemaal vlekjes.
    Hij schuift de ene helft van het stuk taart uiteindelijk met zijn vinger op het vorkje en tilt het dan voorzichtig naar zijn mond, waarbij hij zich helemaal voorover buigt.
    Het meisje kijkt nog steeds naar buiten. Ze houdt een kop koffie tegen haar wang. Zou ze op iemand wachten? Op haar vriendje? Vroeger wilde ik wel graag weer jong zijn, verliefd worden, naar iemand smachten. Zelfs pijn hebben uit liefde wilde ik nog liever dan de algehele staat van gevoelloosheid waarin ik verkeerde. Nu heb ik dat al lang niet meer gewild.
    “Maar misschien kunnen we ook wel zonder,” zegt hij smakkend, “de oude gaat nog best een tijdje mee.”
    “Het is ook een hele investering,” zeg ik.
    Hij knikt, houdt het bordje schuin en laat de kruimels in zijn hand rollen ie hij vervolgens naar zijn mond brengt. Zoals hij altijd doet. Ik kan niet begrijpen dat ik me daar vroeger zo aan geërgerd heb! Vorige week nog, toen hij het bordje schuin hield, heb ik hard in mijn zakdoek moeten knijpen om er niet wat van te zeggen. En nu. Het raakt mij niet.
    Zou dat ouder worden zijn? Dat je gevoelens langzaam uitdoven? Zowel de liefde als de haat? Dat je afstompt? Je zenuwen zich terugtrekken in voorbereiding op.
    Ik kijk naar buiten, hou het theeglas tegen mijn wang, net zoals zij doet. Zo vurig kijken, dat kan ik al lang niet meer.
    Buiten op de straat spelen kinderen met een bal. Een dikke man op een brommer tuft langs, zijn haar wappert achter hem aan.
    “Maar kijk,” zegt hij, “als die oude nou kapot gaat, dan krijgen we er niks meer voor.” Hij kijkt naar buiten. Zijn ogen staan ernstig. De zijkanten van zijn oogleden hangen druilerig af. “Wat denk jij?”
    “Nou,” zeg ik, “ik hou eigenlijk wel van die oude. Ik zou hem niet kunnen missen.
    Hij kijkt me een ogenblik verbaasd aan. Dan glimlacht hij. “Echt niet?”
    Ik lach terug en schud mijn hoofd.
    Het meisje lacht ook. Ze staat op en omhelst een vrouw die blijkbaar binnen is gekomen. De vrouw is ouder dan zij. Ze drukken hun neuzen tegen elkaar en kijken elkaar in de ogen. Zonlicht schijnt in vlekjes op haar paarse jas.
    “Ik ook niet,” zegt hij. Hij slaat op zijn knieën, “zullen we gaan?”
    “Ik heb mijn thee nog niet op. Je bent altijd zo snel.”
    “Ik weet het, sorry.” Hij zucht en kijkt naar buiten. Zijn rimpels zijn nog dieper in het scheerlicht. Hij moet zijn oorhaar weer eens bijknippen.
    “Het geeft niet, ik hou van je.”
    Hij trekt zijn brede mond tot een glimlach en knikt.
Dit artikel delen?
Pin It
  • Hits: 164
(Gemiddelde waardering 5 met 2 waardering(-en)

Login of registreer om een reactie te plaatsen

Nomineer deze schrijver!

Bezoekers van Schrijverspunt kunnen 2 verschillende schrijvers nomineren voor de titel van talentvolle schrijver 2019. Je kunt de schrijver van dit artikel nomineren door op de groene button te klikken.

Dank voor je nominatie!

Elke bezoeker van Schrijverspunt kan schrijvers nomineren voor de titel van talentvolle schrijver. In totaal mag elke bezoeker 2 verschillende schrijvers nomineren over heel 2019. Nomineren is mogelijk tot 31 december 2019.

Omdat we streven naar een eerlijke nominatie voor Talentvolle schrijver 2019 controleren we elke nominatie op geldigheid. Ongeldige nominaties tellen niet mee in de score en verwijderen we.

Om de geldigheid van een nominatie te controleren vragen we je hieronder je e-mailadres in te vullen.  We garanderen dat we dit emailadres niet aan derden verstrekken en slechts gebruiken voor controle. Na afronding van de nominatie verwijderen we  dit e-mailadres.
Ongeldige invoer

Alle gepubliceerde inzendingen

Geef een waardering voor een artikel
Schrijvers stellen je waardering en/of commentaar bij een artikel erg op prijs!

Hoogste beoordeelding:

Boekentip

Top 10 : Meest gelezen

BookBuster