Voor schrijvers, door schrijvers

Kort verhaal

Rillette
Inzendingen: 888
Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! In deze schrijfactiviteit is ook ruimte voor reisverhalen en flitsverhalen.
 
 "Het meest beknopte en sprekend voorbeeld van een flitsverhaal is het verhaal dat Ernest Hemingway schreef.
" Te koop: babyschoenen. Nooit gedragen."

Rillette

 
De middaghitte weegt even zwaar als de stilte op deze voortijdige zomerdag. Iedereen lijkt binnen de koelte op te zoeken. Of zit aan tafel.
Op dit uur winkelen ze er het liefst, in het buurtsupermarktje. Kort voor sluitingstijd. Op zondag gaat het om één uur dicht. Net ervoor is er nauwelijks volk. Met de rollator laveer je dan vlot tussen de rekken en bij de kassa hoef je niet in de file te staan.
Pierre en Lucrèce kunnen het op dat ogenblik redden zonder personeel. Ze staan er dan ontspannen bij met het vooruitzicht op hun wekelijkse halve vrije dag en maken al eens een praatje met de klanten over het reilen en zeilen in de wijk. Zo vangen ze ook de nieuwste weetjes op die ze op hun beurt weer kunnen doorvertellen. Dat bevordert de klantenbinding. Bij gelegenheid wordt er weleens een product dat op vervallen staat gratis tussen de aankopen geschoven.

De wielen klapperen over de eeuwenoude kasseien. Een stronk prei en een wuivende bos wortelloof steken uit de tas die in het rollatormandje staat. Ze verspreiden een kruidige groentegeur. Op het middaguur werkt dat op de speekselklieren.
Vandaag duwt zij het wagentje. Hij loopt naast haar, steunend op de wandelstok. Het gladde hoornen handvat past als gegoten in zijn handpalm. In de donkere groeven moet nog gedroogd zweet van zijn vader zitten. Om beurten wisselen ze: de volgende keer zal hij de vierwieler met de eigenzinnig zwenkende wieltjes de trottoirs op- en af rijden terwijl zij zich zal beredderen met de houten wandelstok.
Ze hebben wel eens overwogen om een tweede rollator aan te schaffen. Al gauw lieten ze dat idee varen. Op die smalle, hobbelige voetpaden zouden ze achter elkaar moeten lopen, als twee rammelende wagonnetjes. Belachelijk toch? En dan pardoes tegen de hielen van de voorste oprijden wanneer deze plots halt houdt. Gewoon naast mekaar lopen te keuvelen zou niet meer kunnen. Wat het plan definitief naar de prullenmand verwees, was de ondraaglijke gedachte dat de buitenwereld zo’n aankoop op hun leeftijd wel eens als spilzucht zou kunnen beschouwen.
Nee. Nu kunnen ze gewoon gearmd lopen. In de pas. Allebei met dezelfde voet vooruit. Hij houdt zijn steltige benen wat in toom, zij dwingt zich tot grotere passen. Zo loopt het lekker. Soms maken ze tussendoor een huppelpasje om gelijk te komen als ze uit de maat zijn geraakt. Zoals vroeger, in de danszaal, bij de salondansen. Wanneer ze ergens hebben moeten stil houden, kijken ze eerst naar elkaars voeten om weer met gelijke voet te kunnen vertrekken, de linkse.
In de doodstille straat weerklinkt het rustige flapperen van de wielen op de oneffen stenen. Telkens ze langs een geparkeerde wagen passeren klinkt het rammelen, het sloffen van hun slepende voeten en de doffe tik van de wandelstok net iets harder doordat het geluid tussen auto en muur weerkaatst en zichzelf versterkt.
 
Een zweem van opgewekte, ritmische muziek ontluikt ergens in de verte. Groeit. Komt snel naderbij. Zwelt aan. Uit de zijstraat rechts, zo'n flinke honderd meter van hen vandaan, zwaait een gele cabriolet de hoek om en stuwt een muur van loeiharde muziek met bulderende bassen hun richting uit. Het lawaai scheurt verder open naarmate hij nadert. Dan ineens, tussendoor, een doffe dreun, enigszins uit het ritme, begeleid door wat geratel dat op tromgeroffel lijkt.
De auto met aan het stuur een jongeman, zongebruind, reflecterende zonnebril, wit hemd, openliggende kraag, linkerarm over het portier, rijdt voorbij. Hun ingewanden trillen mee op de beukende bastonen.
'Heb je dat gehoord? Wat was dat?' roept hij boven het helse geluid uit.
'Weet ik niet. Die muziek ken ik niet. Deze is niet van onze tijd.'
'Die knal, bedoel ik.’
Geconcentreerd probeert ze de weerspannige wieltjes in de juiste richting te dwingen
'Welke knal? Muziek hoort tegenwoordig altijd te knallen.'
'Ben jij doof? Heb je die bonk niet gehoord?'
‘Doof? Ik hoor alles wat ik moet horen. Het zal mijn tijd nog wel duren.'
Hij lost haar arm. Blijft staan. Dan houdt ook zij stil. Kijkt om. Met zijn stok wijst hij naar een plek tussen twee auto's.
Ze draait de rollator een kwartslag en komt naderbij. Een rosse kat ligt op zijn zij tussen twee geparkeerde auto's.
'Zie je wel. Dat zal het zijn wat ik heb gehoord. Die knal. Tegen het lijf van die kat. Zo’n kanjer. Er zal wel een deuk in zijn bolide zitten.’
'Je ziet toch zó dat het beest er al langer ligt?'
Hij stapt het voetpad af. De punt van de wandelstok duwt hij onder het dier en wentelt het op zijn andere zijde. Groene aasvliegen warrelen op uit de vacht. Mieren stuiven gestoord weg uit de kleverige vlek. Witte maden zijn verrast bij hun maaltijd. Ze wriemelen en wentelen over en door elkaar heen en schuiven in doodsangst alle kanten uit.
'Sta daar zo niet met je stok te pulken. Kom! Vooruit, Lucien! Ik krijg honger.'
'Ik dacht nochtans...'
'Wie is hier nu de slechthorende?’
Nijdig snokt ze een wiel uit de put waar een kassei ontbreekt. De boodschappentas wankelt en dreigt te kantelen. Ze grabbelt hem net op tijd vast. Voorover gebogen over haar stuur, als een renner op een koersfiets, drijft ze het tempo op.
‘Jij hebt nooit honger,’ zegt ze. ‘Tot je aan tafel zit. Dan weet je niet van ophouden.’
Met haar bovenarm klemt ze zijn arm steviger tegen haar romp en dringt hem haar ritme op. Zijn stok tikt sneller. Nog even en ze kunnen hun straat indraaien.
‘Hé, kijk,’ zegt hij.
‘Wat nu weer?’ zegt ze terwijl ze driftig verder sjokt en hem meesleurt.
‘Daar!’
Ze kijkt over haar rechterschouder. Vertraagt. Staat stil. Lost zijn arm. Draait zich om. Gaapt naar het punt dat zijn stok aanwijst. Ze trekt de ogen wijd open, slaat de rechterhand voor haar mond.
‘Jezusmariajozef,’ mompelt ze.
Een gefrommelde zomerjurk, met kleurig bloemenmotief. Twee witte benen, gespreid, het ene recht, het ander gebogen. Een blote voet. Een losse schoen, rood, met laag hakje, op zijn kant. Een handtas. Pioenrozen, over de kasseien gestrooid. Een verwrongen fiets. Een diepe deuk en krassen in de achterkant van de geparkeerde auto. Haar bovenlijf in een ongewone hoek met het onderlijf, als twee puzzelstukken die bij elkaar lijken te horen maar toch niet goed ineen passen. Ogen die zonder knipperen naar de lucht staren. Blijven staren. Uitgewaaierde hennaharen waar wat bloed onderuit loopt.
'Mijn god!’. Ze trekt de rem aan. Laat het handvat los. Houdt de handen tegen de wangen. Schudt het hoofd heen en weer. 'Sjonge, sjonge toch!'
Hij pikkelt aarzelend dichter bij de onfortuinlijke vrouw. Een oma, redelijk jong, schat hij. Die van bloemen houdt. Een zomerse zondag in mei. Op de fiets. Bloemen gekocht op de markt. Op weg naar huis om ze in een vaas te zetten. Of naar iemand die het nu zonder zal moeten stellen.
'We moeten haar helpen, Céline.’
'Het is te laat, jongen. Wat wil je dat wij doen? Twee oude sukkels.'
Hij kijkt rond. Geen mens te zien.
'Ergens aanbellen misschien.'
'Kom,' zegt ze, 'dat mens is morsdood. Dat zie je toch? Straks denkt men nog dat wij er iets mee te maken hebben. Verhoren en zo. En wat zouden we moeten vertellen? We hebben niets gezien. Niets gehoord. Kom, het is etenstijd.'
Met de rubberen top van de wandelstok trekt Lucien het bloemenkleed behoedzaam naar onder over de mollige dijen. Duwt het daar wat naar beneden zodat haar kruis zedig bedekt is.
Hij haakt zijn arm weer in die van zijn vrouw. Al stappend kijkt hij nog even achterom. Zij moet door de sportwagen van die flierefluiter geraakt zijn en tegen de achterkant van de geparkeerde wagen gesmakt.
'Zie je wel dat ik het goed had gehoord. Die harde bons. Dat was niet de muziek. Dus, ik had gelijk!’
Een fietser komt sloom de straat ingedraaid. Zijn remmen krijsen een eind achter hen.
Terwijl ze verder huiswaarts schuifelen, gluurt Lucien over de schouder. De fietser staat bij het lijk. Draait zijn hoofd afwisselend naar hen en de dode vrouw toe, als zocht hij enig verband.
'He, jullie daar!'
'Kijk voor je. Niet op ingaan. Wij hebben de leeftijd om niet goed te kunnen horen.’
Ze zwenken hun straat in.
'Lucrèce heeft een bokaaltje Provençaalse rillette meegegeven, Lucien. Gratis, omdat het maar tot vandaag houdbaar was. Heel lekker, zei ze. Mij lijkt het toch niet appetijtelijk. Al die brokjes vlees. Het ziet er niet uit.’
Dit artikel delen?

Publicatie op .
Hits: 51

geef een waardering voor: "Rillette"

Geschreven door Roel Slabbinck . Geplaatst in Kort verhaal.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
24.10.20
Feedback:
Ik heb genoten van je verhaal Roel!
Grammatica & Spelling:
Goed
  • Lezenswaardig:
    100%
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
24.10.20
Feedback:
Ja, Roel, je kan het!
Grammatica & Spelling:
Goed
Show more
0 van de 0 lezers vond deze review nuttig
  • Roel Slabbinck 24.10.20
    Dank je, Lieven. Ik doe mijn best en beleef er veel genoegen aan.

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Emoticons: ;o = wink:d = bigsmile, :-$ = blush, (^) = cake, (h5) = clapping, 8) = cool, ;( = crying, (x) = handshake, :? = thinking, (hartje) = heart
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!

Snelmenu: Klik, voor belangrijke pagina's, aan de rechterkant op de blauwe button !