Voor schrijvers, door schrijvers
Poëzie

Kort verhaal

Aantal gepubliceerde inzendingen: 700

Paul

Ik was m'n sleutels kwijt. Ik heb geen idee waar ik ze gelaten kan hebben, maar ik weet wel dat ik nu niet naar Paul toe kan. En waar is m'n telefoon? Misschien kan ik z'n vader opbellen. Er is altijd een kans dat hij eerder thuis komt of het kantoor kan verlaten om mij in het huis te laten. Ik moet bij Paul zijn en Paul verwacht me. Hopelijk wacht hij op mij.

Tranen lopen over mijn gezicht. Die verdomde sleutels!

Paul's vader maakt zich zorgen over me. Ik zou niet zoveel tijd moeten spenderen met zijn zoon. Hij verteld me dat ik een leven moet hebben naast Paul. Maar er is geen leven naast Paul. Ik moet zijn vader bellen. "Paul snapt het wel als je niet kunt komen." Maar wat als hij zonder mij weg gaat? Zonder dat ik bij hem ben? Ik zou niet weten waar ik hem zou kunnen vinden. Ik ben m'n sleutels ook al verloren. Wat als ik Paul ook verlies?

"Hij weet niet dat ik niet kan komen omdat ik het hem niet vertellen kan." De man aan de andere kant zucht. Ik huil weer. Deze keer kan hij het horen. Ik ben bang. Bang voor een leven zonder Paul. Ik schud m'n hoofd om deze gedachten te laten verdwijnen. "Je zou eens een pauze moeten nemen," dat is het laatste wat ik wil horen als het op Paul aankomt. "Een pauze?" Ik snik het uit. Hoe kan ik een pauze nemen als Paul dat niet kan? Ooit? "Ik heb hem beloofd er dag in dag uit voor hem te zijn. Regen of zonneschijn. Het maakt hem aan het lachen als ik hem dat vertel. Hij verteld me dat hij eenzaam is als er niemand is om mee te praten of naar te luisteren. Ik heb deze verantwoording op me genomen. Ik moet er zijn."

En weer zucht z'n vader. "Dit heeft niets meer te maken met verantwoording." Hij heeft gelijk en ik wil het niet horen. Maar hij heeft gelijk. "Kunt u me in het huis laten?" Ik wil er niet meer dieper op in gaan. Ik ben al een wrak. Ik voel me als een kwal wachtend om dood te gaan op het droge zand. De oceaan is zo dichtbij maar ik heb geen armen of benen om er te komen. Dus droog ik op. En sterf. "Ik kan er in een half uur zijn." Zonder verder iets hang ik op.

Eindelijk is zijn vader er. Ik probeer geen geluid te maken bij het huis, wil Paul niet ongerust maken. Zijn vader kijkt me vreemd aan. "Ik snap jou niet." "U bent niet de enige, meneer. Al wat ik weet is dat ik bij uw zoon wil zijn." Hij opent de deur en loopt weer naar de auto. "U gaat niet mee?" Ik vraag het uit beleefdheid en hoop dat hij nee zegt. Hij schudt zijn hoofd en laat me alleen bij het huis.

"Hey vreemdeling!" Ik hoor de lach in z'n stem. Godzijdank, hij is er nog.

"Daar ben je. Je bent laat!" "Ik ben m'n sleutels verloren." "Jij verliest altijd alles." Ik wil niet huilen maar het heeft geen nut te vechten tegen de tranen. Paul slaat één van z'n magere armen om me heen. "Shhh, ik weet het." "Ik haat je," fluister ik. "Ik weet het," en hij kust me op m'n hoofd "Ik haat jou ook. Ik wou dat ík m'n sleutels kon verliezen." Ik lig met m'n hoofd op z'n borstkas. Ik wil hem nooit laten gaan.

Ik wil wat drinken.

"Wil je koffie?" Paul schudt zijn hoofd. "Nee, mijn haar wordt rood als ik er teveel van drink." Hij lacht als hij over zijn kale hoofd wrijft. Ik lach naar hem. Goeie God, wat is hij mooi. Hij lijkt op een sneeuwengel met z'n witte huid. "Je zult een prachtige engel zijn." "Denk niet dat de hemel me wil. Ik ben te koppig om er welkom te zijn. Ik maak alleen maar problemen." Ik snuif een keer en dank God dat Hij Paul naar me stuurde.

"Hoe komt het dat je je sleutels bent verloren?" Ik trek m'n schouders op. "Weetniet. Ik ben al m'n sleutels verloren. De enige sleutel die ik nog in mijn tas had was de sleutel van m'n fiets. Gelukkig hoefde ik niet helemaal hier naar toe te lopen." Paul haalt een bos sleutels onder z'n kussen vandaan. "Zoek je deze?" Hij glimlacht van oor tot oor nu. "Krijg nou wat..." "Je had ze hier laten liggen. Ik geloof dat dit je huissleutels zijn? En de sleutels van je ouders' huis en van dit huis?" Ik buig m'n hoofd van schaamte. Daar ga ik met m'n verantwoording.

Ik ga kopieën laten maken van al m'n sleutels. En van Paul's huis maak ik er wat meer en leg er één bij m'n ouders thuis, één in de schuur waar m'n fiets normaalgesproken staat. Eén in mijn broekzak. Dit overkomt me nooit weer.

~~~~~~~~~~~~~~~~~

Op zoek naar een baan stuitte ik op een advertentie van één of ander buddy systeem. Het was voor mensen met terminale ziektes. Kanker en Aids voornamelijk. Patiënten die geen kans hadden om beter te worden. Met families die niet er niet altijd konden zijn voor hen om welke reden dan ook.

"Soms kan de familie het gewoon niet meer aan. Soms verteld de patient hen om te gaan en hun eigen leven te leiden. En soms hebben ze helemaal geen familie, tenminste geen die naar hen omkijkt." Ik vond dat erg triest. Wanneer je ziek bent zou je het fijn vinden om mensen als familie en vrienden om je heen te hebben. Vooral mensen die je je hele leven al kent. Dus met die achterliggende gedachte besloot ik lid te worden van deze organisatie en iemands 'familielid' te worden.

Toen ze me introduceerden bij de familie Mandrick wist ik niet waar ik moest beginnen. Ik had dit nog nooit gedaan maar wilde niet te dom en klungelig overkomen. Clarice en Robert leken me liefhebbende ouders. Maar beiden met full time banen en een tweede hypotheek, dus stonden ze met hun ruggen tegen de muur als het op het verzorgen van hun zoon aankwam. Een paar keer per dag kwam een verpleegster langs, maar hij had iemand nodig voor gewoon contact.

Net 2 jaar geleden ontdekte een dokter per ongeluk Paul's kanker. In eerste instantie leek het mee te vallen, maar de kanker groeide als een razende. Het vond z'n weg in Paul's lichaam in een korte tijd.

Paul was normaalgesproken erg sportief en maakte vaak grappen. Hij was een bekend iemand op iedere school waar hij kwam. Bekend om z'n persoonlijkheid. De leraren konden z'n gedrag niet altijd waarderen, maar hij had een goed hart en stond altijd klaar om te helpen als het nodig was.

Zijn moeder huilde toen z'n vader me dit gedeelte van zijn zoon's leven vertelde. Ik kon niet geloven wat ik hoorde toen ik Paul in zijn bed zag liggen. Het was 2 jaar sinds de prognose van de dokter. In die 2 jaar was de levendige jongen veranderd in een bleek, mager mens met een kaal hoofd. Als iemand me verteld had dat hij van een andere planeet kwam, zou ik het geloven.

Er waren nog 2 kinderen in het gezin, een zoon en een dochter. Zij waren een stuk jonger dan Paul, dus was het geen optie dat zij met Paul praatten of naar hem luisterden of naar hem om zouden kijken.

In het begin konden we totaal niet met elkaar opschieten. Hij vond het stom om een vreemde om zich heen te hebben en dat liet hij me weten ook. Niet één keer noemde hij me bij m'n naam. Hij zou het nooit nalaten me Vreemdeling te noemen. Maar er was niets wat hij er tegen kon doen. Hij kon niet uit z'n bed komen en dat vertelde ik hem dan ook als hij weer gemeen was op welke manier dan ook.

Ik had dit op me genomen, de organisatie had me dit gegeven en rekende op me en ook z'n ouders. Ik wilde ze niet in de steek laten, maar er waren momenten dat ik dacht het niet langer aan te kunnen. Wat een verantwoordelijkheid om te hebben. De jongen kon zo koppig en eigenwijs zijn. Ik zou niet weten wat ik zou doen als hij niet zo ziek was geweest. "Ik wil je slaan," z'n ogen gloeiden als vuur. "Anders ik jou wel," alsof ik dat ooit zou doen.

De dag van de doorbraak was toen ik een bord tegen de keukendeur opgooide. We hadden weer eens één van onze stomme woordenwisselingen. Iets in de trent van welke kleur gras heeft. Ik zei groen en hij zei blauw. En hij was er van overtuigd gelijk te hebben. Het ging maar door. Tot ik een bord pakte van het aanrecht en dat tegen de deur opgooide. Paul begon te lachen en bleef lachen. Hij kon gewoonweg niet stoppen. En dat maakte mij ook aan het lachen. Paul greep naar z'n buik met beide handen. Ik kon niet meer rechtop staan van het lachen.

We wisten echt niet wat er nu zo grappig was aan de situatie. Het bord was kapot en er zat een deuk in de houten keukendeur, maar we konden niet stoppen met lachen tot we beiden huilden. Hij stak z'n armen naar me uit. Ik sloeg mijn armen om hem heen en we huilden samen niet wetende wat dit teweeg had gebracht.

Vanaf dat moment was niets meer het zelfde. We deden van alles wat vrienden doen wanneer ze samen zijn. Maar toen veranderde er iets. Ik werd verliefd op hem. En hij werd een verslaving.

Tot de dag dat ik m'n sleutels verloor had ik het zelf niet in de gaten. Ik spendeerde simpelweg meer tijd met Paul. Wilde hem iedere dag zien. Zei zelfs tegen de verpleegster dat ik hem zou wassen. Eerst zei ze dat het haar werk was, maar ik overtuigde haar dat ik het haar al zo vaak had zien doen, het was geen probleem. En intussen kon zij andere dingen doen. "Nou, als Paul het niet erg vindt." Paul en ik waren intiem wat dat betrof, hij hoefde er geen 2 keer over na te denken, knikte en maakte dat mijn hart een sprongetje maakte van blijdschap.

En zo waste ik hem iedere dag. En raakte zijn prachtige magere, witte lichaam aan. We grapten soms. "Zal ik je haar wassen?" "Blijf van m'n haar af!" was zijn gewoonlijke reactie. Of ik vertelde hem dat hij te dik was. "Ik zal jou eens op dieet zetten, meneertje!"

Ik was zo gelukkig bij hem. Zijn ouders wisten dat ik gevoelens had voor hem. Op een dag vertelde z'n vader me dat het hem opviel hoe ik naar zijn zoon keek en de manier waarop ik z'n arm aanraakte of zijn hoofd. "Het zijn die kleine dingen. Ik mag dan een oude man zijn maar zelfs ik zie het." Ik ontkende het altijd. Maar toen verloor ik mijn sleutels en werd hysterisch. Dát was het moment dat het tot me doordrong.

~~~~~~~~~~~~

Het regende verschrikkelijk op de dag van de begrafenis. Ik zag mensen die ik niet kende. En daar was Paul. Hij zag er fantastisch uit. Het pak wat hij droeg was iets te groot, maar hij zag er erg knap uit. Zijn familie was er, en mijn familie. En er waren een heleboel bloemen. Meest witte. Dat zag er erg mooi uit. Ik droeg iets fatsoenlijks. Ik let er normaalgesproken niet zo op wat ik draag, maar m'n moeder had dit uitgezocht voor me. Ze zei dat het me goed zou staan en toen ik aangekleed was huilde ze.

Er was niets aan de hand een paar dagen hiervoor. Ik stapte op m'n fiets om naar Paul te gaan toen een vrachtwagenchauffeur me te laat zag. Ik kon niet snel genoeg wegkomen en hij kon niet snel genoeg wegdraaien. Het gebeurde voor Paul's huis. Het eerste wat ik zag toen op straat lag waren Paul's ogen. Mijn ogen corrigeerden zich wat en ik zag dat het niet Paul was, maar z'n vader. "Jullie ogen zijn het zelfde," fluisterde ik. Ik had het zo koud. Ik rilde. Paul's vader legde z'n jas over me heen. Zijn hand lag onder m'n hoofd zodat het niet op het beton lag.

Ik hoorde de sirenes dichterbij komen. "Kunt u Paul vertellen dat ik van hem hou?" "Vertel het hem zelf maar als je zover opgeknapt bent dat je hem kunt bezoeken." Ik keek vragend naar hem. Zag hij dan niet dat ik stervende was? "Ik ga het niet redden." Weer een fluister, "Het is beter zo." "Ik zal 't hem zeggen." Het viel me op dat de lucht helemaal blauw was. Er was geen wolkje te zien. De geluiden van het verkeer en de mensen rondom ons vervaagden. "Ik heb het niet koud meer." Ik vraag me of iemand het hoorde.
Dit artikel delen?
Auteur: ©Monique Moelard
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
Hits: 185
Publicatie op .
 
  Meer van deze schrijver:

Geef een waardering voor: "Paul"

Geschreven door Monique Moelard . Geplaatst in Kort verhaal.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!