Voor schrijvers, door schrijvers
Poëzie

Kort verhaal

Aantal gepubliceerde inzendingen: 699

M'n eerste liefje (XVI) (*)

José nam het gebouw even op en knikte toen langzaam. 
"Ja, hier zal het wel zijn", zei ze aarzelend. 
Haar hand zocht beverig steun aan m'n jas. Ze bleef roerloos staan en keek nagelbijtend naar de ingang.
"Ze mogen me hier niet houden, hoor je me?! Nóg niet!" 
Ik omarmde haar en drukte haar zachtjes tegen me aan. Haar broos figuurtje ademde een stille wanhoop uit. Ze keek me lam geslagen aan.
"Ik wil haar alleen maar even zien... Er is niemand anders meer, zie je... m'n man, m'n vrienden en vriendinnen..."

Voorzichtig opende ze de papieren zak en keek erin alsof ze voor een diepe kloof stond. Het was haar oude fotoalbum. Haar blik trok weer onrustig naar de ingangspoort.
"Kom!", zei ze beslist, "dit had ik al veel eerder moeten doen."

We stapten samen naar het oude gebouw. De architect had zich blijkbaar laten inspireren door een middeleeuwse banketbakker. Het was net een grote ronde bakstenen taart, versierd met allerlei speelgoedtorentjes, kanteeltjes, erkertjes en waterspuwertjes in allerlei vormen. Achter de minuscule schietgaatjes, aan weerszijden van de halfronde inrijpoort, zaten zeer zeker demente cupidootjes suikerpijltjes op ons af te schieten.

De ontwerper van dit meesterlijk bouwwerk had een waarlijk passend kader geschapen waarin kindsheid en seniliteit ten volle tot bloei konden komen. 'Zij die het nog niet zijn, zullen het hier worden'. Een opschrift in die strekking ontbrak hier nog. Een gezonde bejaarde geest had hier nog toekomst.

Was dit het antwoord aan het einde van de weg? Was dit het laatste wat je van het leven te zien kreeg nadat de heer de Boer je prozaïsch van de bus had getrapt? Wist de stad dan echt niks beters te bedenken dan een grotesk uit z'n kluiten gegroeid roomgebakje om je laatste levensdagen in te slijten?

Binnen stappend bereidde ik me voor op het ergste. Ik zag het spookbeeld al voor me van feodale vliegende nonnen, druk in de weer met urineflessen, dwangbuizen en enorme kookpotten, met in het midden van de reuzachtige ronde zaal kwijlende en door mekaar kronkelende zwakzinnigen, zorgvuldig opgesloten achter stevige tralies.

Ik haalde opgelucht adem: binnenin was van de ronde bakvorm niks meer te bekennen. Alles was netjes opgedeeld in functionele ruimtes. Gans het interieur was helder en fris gerenoveerd, tot de vliegende nonnen toe: een aardige verpleegster kwam ons vriendelijk tegemoet. 'Wiske C.', las ik deze keer op haar naamplaatje. In plaats van een bedpan, bood ze José uitnodigend een steunende arm aan.
"Kan ik iets voor je doen?"
José bekeek haar met bezwerende achterdocht. Ze omklemde m'n hand met de kracht van een bankschroef en verstopte zich half achter m'n rug.
"Neen!", beet ze haar kortaf toe en bleef haar aanstaren als een exorcist. 

Wiske was echter niet uit het veld te slaan. Ze gaf José een warme glimlach en keek me informerend aan:
"Kom je iemand opzoeken?" 
"Eh... ik denk het wel ja.",
en keek op mijn beurt José vragend aan. 

José boog haar hoofd naar de papieren zak. Haar stramme lijf verloor alle kranig opgebouwde stugheid. De naam van een lang vervlogen geest kwam zwakjes fluisterend over haar dunne lippen.
"Martha...", ze leek wat te duizelen. "Ik denk... ik moet efkens gaan zitten."
Ze keek zoekend in het rond.
''Waar is hier 't privé?" 
Ze duwde de papieren zak in m'n handen en stommelde met Bram aan de hand naar een grote melkglazen witte deur waar in gouden sierlijke krullettertjes 'Kapel' op stond.

Wiske wou haar achterna, maar ik hield haar tegen.
"Laat maar, ze moet gewoon even bekomen."
De deur viel zachtjes achter hen dicht. Wiske keerde zich naar me toe.
"Kom je misschien even rondkijken voor haar, voor later?", vroeg ze me zacht. 
Ik keek haar wat gepikeerd aan.
“Wel neen, hoe kom je daarbij?" 
Ze vatte m'n weigering verkeerd op.
"Je kan haar altijd komen opzoeken hoor! Onze deur staat altijd open!" 
Ik bekeek de voordeur. Er zat geen klink langs de binnenkant en ze zat potdicht.
Wiske haastte zich om enige uitleg te verschaffen.
"Ik bedoel dat je hier niet gebonden bent aan bezoekuren... Maar euh... het spreekt vanzelf dat we de veiligheid van onze gasten optimaal willen waarborgen hé."

Tja, tenslotte was dit natuurlijk wél 'het gesticht', alhoewel dit verdacht veel naar vrijheidsberoving rook. Ik kon me moeilijk een voorstelling maken van het soort toestanden die dit konden verantwoorden. Maar ja, het was dan ook de eerste keer dat ik een 'gesticht' van binnenuit bekeek. Trouwens, wat is een 'gesticht' eigenlijk? In elk geval had de heer de Boer op zeer plastische wijze hier geen twijfel over laten bestaan. Maar ik had zo m'n twijfels over de soliditeit van het brein van de heer de Boer, ofschoon dit feit op zich hem misschien wel tot een expert maakte dienaangaande. Kan een gek oordelen over 'dé Gekte'? Mmm, nee, toch niet in het geval van de heer de Boer. Het uitzinnige gedrag waarmee hij zichzelf als een waanzinnige distantiëerde van alle 'gekte' maakte hem zelf tot een karikatuur van datgene wat hij verafschuwde.
Of is dit in de grond misschien wel de ware beweegreden en de drijfveer van hulpverleners in de psychiatrische sector? Afschuw en agressie gesublimeerd in bezorgdheid en hulpvaardigheid?
Zit het Beest in de Schone? Ik keek naar Wiske's zachte naieve gelaatstrekken. Zij hield wat ongerust de kapeldeur in de gaten.
Jawadde! Hoe kon ik dit jonge lieve schepseltje tot een object maken van zulke verknipte hersenspinsels! Of kwam hiermee Freud al om de hoek kijken?

Zucht... Ik was alweer aanbeland in die doolhof waarin op elke tweesprong een oude wijze man zit die me in z'n alwetendheid steeds de 'ware' weg wijst, met de boodschap vooral niet naar die ándere oplichters te luisteren. Een beetje zoals een Brusselaar die ergens in de Vlaanders z'n wegenkaart is kwijtgespeeld en van lieverlee dus maar de weg vraagt naar de Oude Dijkmolenbrug (of iets in die strekking) en tot z'n grote ergernis, na een sightseeing van de Houten Dijkmolenbrug, de Oude Molendijkbrug en nog een stuk ofwat varianten op "Akkerdjue, 't léégt op 't puuntsje van m'n tongenéé", er tenslotte de brui aan geeft om dan tot de ontdekking te komen dat 'de hoofdstad van Europa' nergens staat bewegwijzerd. Op zulk moment heb je de keus tussen drie dingen: een hol graven in de grond en je er katatonisch in verschansen, óf als een gek beginnen rondscheuren op de Vlaamse kinderkopkes tot in een slippende bocht het eerstvolgend Mariakapelleke er een genadig eind aan maakt (waarschijnlijk op de Oude Dijkmolenbrug), óf uitstappen en je, al filosofisch mijmerend over de weg, de waarheid en het leven, tot het inzicht komt dat je nu eenmaal niet die levensweg bewandelt die je zelf kiest, noch degene die andere wijsneuzen voor je uitgestippeld hebben. Wat dan weer de aloude vraag doet opkomen of er al zoiets bestaat als ‘vrije keuze’. 

Reeds als kind had ik het daar moeilijk mee gehad telkens als m'n moeder de snoepjespot op tafel zette. Het heerlijke gevoel waarmee ik in m'n verbeelding elk snoepje apart over m'n tong liet glijden om er op die manier het lekkerste uit te kiezen, werd me elke keer reeds na enkele ogenblikken ontnomen. Met het deksel van de bollepot dreigend in de hand, bezweerde m'n moeder me: 't is kiezen of delen! Los van het feit dat de context van deze uitspraak me telkens ontging, ontnam ze me daarmee elke denkbare keuze: als je moet kiezen tussen 'kiezen' en iets anders, moet je sowieso kiezen en heb je defacto géén keus. Net voor het deksel definitief de pot op ging, grabbelde ik er dan maar vlug het bovenste snoepje uit. Alzo leerde ik letterlijk met mondjesmaat wat kiezen in de meeste gevallen eigenlijk inhoudt: als je geen eieren kiest voor je geld, krijg je het deksel op je neus.

Ik keek op en zag recht in Brammetje's groene ogen. Hij stond in de halfopen kapeldeur en staarde me haast beschuldigend aan. Achter hem was een vreemd spektakel aan de gang. Allerlei bizarre figuren kwamen ergens vanuit een zijdeur de kapel binnen geschuifeld of gestrompeld. De één keek dwaas grinnikend in het rond, een ander schreed statig verder met haast gesloten ogen en het bovenlijf steil achterover hellend. Elk van hen leek ooit bevroren in één bepaalde aangrijpende emotie om er sindsdien blind in te blijven ronddwalen tussen de verhakkelde puzzelstukjes van hun eigen ik.

In een langgerekte monstrueuze optocht vulden ze in een haast sinistere stilte de prachtige barokke kapel.

Ik schrok van Wiske's uitnodigende stem.
"Als je wil...eh...", ze zocht even naar de juiste woorden, "op zondag heten wij iedereen van harte welkom op onze mis... euh, nee, ik bedoel op onze gezamelijke eucharistieviering…"
Met haar vinger nadenkend tegen haar mompelende lippen, zag ze eruit als een kind dat moeite heeft met het repeteren van de zopas geleerde nieuwjaarsbrief. Er schoot haar iets te binnen.
“Wacht, ik zal even de onthaalbrochure voor je halen." 

Bram keek me ongeduldig aan. Hij stapte op me af, trok me bij de hand naar binnen en stevende recht op José af die op de laatste bank gebiologeerd zat te starogen naar het hallucinante tafereel. 

 

De laatste delen zijn te vinden op https://hansvb.simplesite.com

 
 
 
 
 
 
Dit artikel delen?
Auteur: ©Hans Van Battel
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
Hits: 329
Publicatie op .

Geef een waardering voor: "M'n eerste liefje (XVI) (*)"

Geschreven door Hans Van Battel . Geplaatst in Kort verhaal.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!