Voor schrijvers, door schrijvers
Poëzie

Kort verhaal

Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! In deze schrijfactiviteit is ook ruimte voor reisverhalen en flitsverhalen.
 "Het meest beknopte en sprekend voorbeeld van een flitsverhaal is het verhaal dat Ernest Hemingway schreef.
" Te koop: babyschoenen. Nooit gedragen."
Aantal gepubliceerde inzendingen: 804

M'n eerste liefje (X)

Uit het lood geslagen kreeg ik de hoogdringende behoefte om via contemplatie en relativerende wereldbeschouwingen tot een meditatief en transcendent inzicht te komen aangaande ons kenvermogen voor a priori tot zekerheid aangenomen postulaten, die slechts kunnen leiden tot niet-categorische en als dusdanig hypothetische imperatieven, om aldus een universeel principe te formuleren dat... euh... 

Mmm, als aankomend filosoof had ik dan misschien al wel de terminologie te pakken, maar de inhoud ontging me precies nog. Nu ja, ik was het simpelweg beu om met een boterbloempje de pampa's ingestuurd te worden. 

Ik stond op en zocht in de kartonnen doos m'n kleren bijeen. Me aankledend, keek ik nieuwsgierig haar kamer rond. 

Saartje had een haast japanse soberheid weten te koppelen aan een ouderwetse gezelligheid. In een hoek van de kamer stond een laag ovalen tafeltje met sierlijk gekrulde poten. Het was bekleed met een driehoekig wit zijden sjaaltje waarvan de punten tot bijna op de vloer afhingen. Er middenop stond een ouwbollige kleurrijke blikken koekjesdoos met daarin een flakkerend theelichtje. De weerschijn op de goudkleurige binnenkant zette het rijstpapier tegen de muur in een zachte glans en belichtte zwakjes een oude foto van haar oma die, met de kleine Tom op haar armen, me glunderend van trots aankeek. Ik bekeek de foto van dichtbij. Natuurlijk! Het was dezelfde dame als op de foto in het tulpenhuis en leek sprekend op het kapelvrouwtje uit m’n droom. Ik kreeg het bevreemdend idee dat ze mij verwachtte... 

Op de tegenoverliggende muur, boven het bed, waren grote zwart omrande tekens gekalligrafeerd in felle harde graffiti-kleuren. Het leek wel één of andere Japanse vloek, die het kamertje in een ijzeren greep dominerend naar zich toe trok. 

De koekjestrommel en de vloek: een verloren herinnering die met een bezwering weer tot leven gewekt moest worden. Alhoewel geen van beiden ook maar enige vat op de andere scheen te hebben, hoorden ze op één of andere manier wonderwel bij elkaar. 

Op de ‘twilight-zone’ er tussenin stond het bed, met ernaast een houten piëdestalletje waar bovenop een uitbundig grote bos bloemen prijkte in een witte sierlijke vaas. Geen tulpen deze keer, maar een feestelijk bont getinte mengeling van allerlei veldbloemen, getooid met gele solidasterpluimen en appelblad. 

Ondertussen klonk beneden voortdurend de schellebel. Het gestommel en het geroezemoes in het café groeide gaandeweg uit tot een gezellige lawaaierige boel. De jukebox was ook van de partij en speelde krakend liedjes uit de jaren zestig. Af en toe kreeg ie onder grote hilariteit een dreun om een haperend singeltje terug op het juiste spoor te zetten. 

In de versleten spiegel aan de deur kamde ik vlug nog even met m'n vingers een scheiding in m'n haar. M'n stoppelbaard betastend bedacht ik spijtig dat m’n scheergerief nog op m'n kot lag. Maar met m'n gestreken hemd en broek kon ik er wel mee door. 

Ik was halverwege de trap toen ik door de glazen toegangsdeur een blik wierp in het café. 
Middenin waren de tafeltjes opzij geschoven en daar danste Saartje de Lambada, sierlijk en vol vurige trots, een feest om te zien. De muziek was haar volmaakt in het lijf gekropen. Een warme zuid-Amerikaanse uitbundige blijdschap gleed in perfecte harmonie met een uitdagende Spaanse trots. Wervelend, als in een dansende bolbliksem, zette zij met elke flitsende oogopslag het staminée in vuur en vlam. Één brok dynamiet, opgeladen met een waaier van niet te temperen gevoelens, straalde uit elke vezel van haar slanke lijf. Sprakeloos van ontroering zag ik hoe zij dit achtergebleven staminée omtoverde tot een kloppend hart, een thuishaven voor iedere welgekomen gast. Ik zwol van geluk: dit was mijn lief en daar ging ik met heel het café op klinken! Zo fier als een gieter keek ik rond in het café naar het publiek dat opgezweept het meeslepende ritme van de Lambada in kadans zette. Met schril gefluit, billegeklets en stampend op de vloer, bonkten zij er lustig op los zodat het café op z'n grondvesten scheen te daveren. Een beetje bangelijk staarde ik nog even naar... eh... hoe noem je dat soort schorem nu ook weer? Héél even bleef ik nog staan, draaide abrupt weerom naar Saartje's kamer en bekeek mezelf terug in de spiegel, deze keer nerveus op m'n lippen bijtend. 

‘Spiegeltje spiegeltje aan de wand, hoe maak ik me het lelijkst van het land???’ 

Gelukkig had ik me nog niet geschoren, dat scheelt al heel wat... maar m'n haar zat niet goed. Even kijken... ja, gevonden! Het rekkertje rond de veldbloemen! Hoe maak je nu ook alweer een paardestaart? Het elastiekje knapte natuurlijk, moest ik er eerst nog een knoop in leggen... Met veel ongeduld kreeg ik dan uiteindelijk toch een lok haar door het nu veel te nauwe rekkertje gefriemeld. Ik bekeek het staartje sceptisch. Het arme dingetje priemde fier de lucht in en scheen aan anorexia te lijden. Nu ja, niks aan te doen. Ik zou in ieder geval niet méér opvallen dan Heidi in de zwitserse bergen. Nu m'n hemd nog... uitschieten dat ding! Ik zocht het oudste en meest verkreukelde hemd uit, ging er voor alle zekerheid nog even op zitten, en trok daarbovenop een T-shirt aan met korte mouwen. Nu nog even die werkbroek aantrekken en het hemd er los over laten hangen. Zó! Klaar was Kees! Of misschien beter gezegd: kabouter Spillebeen. Ik moest toch nodig eens wat doen aan m'n borstomvang, of van die vierkante kaken krijgen of zo. 

Weifelend hield ik de deurkruk vast. In deze gauw in elkaar geknutselde potsierlijke outfit voelde ik me ronduit belachelijk, maar ik sterkte me aan het beeld van die freaks die ik daarnet beneden had gezien: een allegaartje van clochards, niksnutten, leeglopers... kortom van die parasitaire luizen die leven op kosten van hardwerkende mensen. Niet dat ik ooit zo'n luis had gekend, maar dankzij m'n vader wist ik precies waar ik het over had: als hij in één van z'n verbitterde buien oververmoeid van het werk thuis kwam, stak hij z'n mening over dat uitschot van de maatschappij niet onder stoelen of banken. Niet dat m'n váder ooit zo iemand had gekend. Eh, nee, dat nu ook weer niet.

Bij ons thuis ging het er altijd zeer netjes aan toe. Dankzij m'n lieve ouders kon ik nu gaan studeren. Ik had zelfs helemaal naar eigen goeddunken mogen kiezen. Eerst had ik gedacht aan geschiedenis, 'maar in geschiedenis zit weinig toekomst', had m'n vader gezegd. ‘Geneeskunde misschien?’, had ik aarzelend geopperd. Maar gelukkig wist m'n vader hier ook een afdoend antwoord op: ‘Op elke hoek van de straat zat er al zo eentje op klanten te wachten, of wou je soms in Afrika een praktijk beginnen', en 'wat te denken van die nummero klaus', wist hij te vertellen... 

Nadat we gezamelijk elke studierichting uit de oriëntatiebrochure gewikt en gewogen hadden en stuk voor stuk door m'n vader te licht bevonden, kreeg ik een fantastische inval.
“Misschien kan je een goed woordje doen voor mij bij jou in de fabriek? Dan kan ik onmiddellijk aan de slag!” 
Hij keek me even met lede ogen aan, wendde z'n blik van me af naar de kale keukenvloer en schoof de brochure naar me toe. 
“Kies maar m'n jongen, kies maar. 't Is allemaal zo lang als dat 't breed is...”, zuchtte hij filosoferend, zette z'n pet op en ging de deur uit. 
Het werd dus filosofie, alhoewel ik daar nu al niet meer zo zeker van was: het werd me ondertussen duidelijk dat deze filosoferende beschouwingen me in het ‘echte leven’ geen stap vooruit hielpen. 

Uiteindelijk dreef de honger me de trap af. Het was meer dan een dag geleden dat ik nog iets achter m'n kiezen had geslagen en de reuk van erwtensoep met gebakken spek drong door tot in het kamertje. 

Beneden aangekomen kreeg ik de glazen toegangsdeur tot het café niet open: aan de andere kant, tegen de deurlijst, stond een figuur aangeleund die ze bij mijn weten slechts kunnen maken in tekenfilms, geschikt voor breedbeeldtelevisie. Zoals ie daar achter de deur stond, kon je er letterlijk niet naast kijken. Daarenboven was hij wel een kop groter dan ik en op m'n aarzelend getik tegen het vensterglas kwam geen enkele reactie. Eerst stilletjes aandringend, maar allengs harder en harder, duwde ik tenslotte met al m'n macht tegen de deur. Het was net of ze op slot zat: er was geen beweging in te krijgen. Er stond geen stoel in het trapgangetje of iets anders waar ik op kon klauteren... Dan maar springen, in de hoop een glimp op te vangen van Saartje. Al vlug moest ik constateren dat die gespierde borstomvang en dito kaken er pas zouden komen als ik eindelijk eens wat aan m'n conditie zou werken. Hijgend, scheel van de honger en met steken in m'n zij van m'n vruchteloos gehuppel, hing ik daar tegen de deurpost aangeleund, wanhopig starend naar die onverzettelijke klomp vlees aan de andere kant van het venster. Het leek wel een misplaatste lachspiegel. 

Wacht es even! Misschien zat die deur inderdaad wel op slot. Zou kunnen... eens even kijken, misschien zat de sleutel wel langs de andere kant in het sleutelgat. 

Na enkele momenten, met één oog dicht door dat donkere tunneltje te turen, kreeg ik ineens vrij zicht in het café.
Vanuit m'n gebukte houding keek ik op en zag recht in twee veel te kleine oogjes die zowat schuil gingen achter vetlobben die naar beneden toe eerst overgingen in een driedubbele kin en dan in twee uitpuilende hangborsten. Hoe het heuvellandschap dááronder verder ging, had ik, althans met wat meer licht, daarnet misschien kunnen ontdekken door het sleutelgat. Aan de vermenigvuldiging van haar voorhoofdswallen merkte ik dat zij fronsend aan hetzelfde scheen te denken. 

Zij rukte de deur met zulk geweld open dat de klink, waar ik me aan vasthield, het begaf. Met haar vette vingerworstjes klauwde ze m'n paardestaartje vast en hees me haast van de grond, zodat ik trippelend op de tippen van m'n tenen, het triomferend vrouwmens mee moest volgen naar het midden van het staminée waar ze mij tentoonstelde als een geslachte kip. Er steeg een honend gelach op toen ik het haast uitgilde van pijn in m'n uitgerekte nek.

Abrupt viel er een doodse stilte, macaber geaccentueerd door een krakend singeltje van The Doors, ‘The Alabama Song’, dat ergens bleef steken op de tonen van ‘I teIl You we must die’.
Het oermens kreeg het klaarblijkelijk plots op haar heupen, of wat daarvoor moest doorgaan, en keilde me onder een tafeltje, waar ik doodsbang zo ver mogelijk onder weg kroop en schichtig in het rond keek, halvelings verwachtend dat alle blikken gretig op mij gericht zouden zijn. 

Wat ik in de plaats daarvan zag, tartte elke verbeelding: Saartje stond met wijd uitgestrekte benen, laag tegen de grond, haar handen als klauwen voor zich uit, het gezicht vervormd tot een kil wreed masker, haar ogen als twee stukken ijs dodelijk accuraat gericht op het corpulent creatuur dat zenuwachtig van links naar rechts blikte en langzaam achteruit waggelde. Saartje volgde haar als een sluipende kat, klaar om haar prooi in één sprong af te maken. Het vrouwmens begon zielig te trillen als een gelatinnepudding en kreeg waarempel tranen in de ogen. 

Plots stond José daar, tussen hen in, en hield Saartje's hoofd zacht tegen haar zwarte schort, sussend haar naam aanhalend, als had ze het tegen een klein kindje dat bang was in het donker.
De dodelijke kracht in haar uiterst gespannen lijf begon heel langzaam weg te ebben, tot ze tenslotte met nog slechts een diepe verachting in haar blik rechtop stond. Traag en kalm stapte zij op het trillende schepsel af, die hoog boven haar uittorende. In één vloeiende beweging greep Saartje naar de rechterpols van haar slachtoffer en wrong haar vingers open. 

Perplex zag ik wat zij in haar hand geklemd had: m'n paardestaartje! Pas toen drong de stekende pijn op m'n hoofd tot me door: ze had me zowat gescalpeerd! Er lekte een warm straaltje bloed langs m'n oor de vloer op. Saartje hield met één hand de rechterduim van de groteske vrouw in een ijzeren klem en dwong haar op de knieën. Ze bracht haar gezicht tot vlak boven het hare. Haar stem klonk hees fluisterend. 
'Wel, komt er nog wat van?"

Ik begon beverig te zweten. Dit had verdomme lang genoeg geduurd! Dat ze er in 's hemelsnaam mee stopte! De spanning in het café was te snijden toen het meelijwekkend mens haar ene vrije arm naar haar eigen hoofd bracht en er zelf, gillend en in één korte ruk, een pluk haar uit trok waar m'n magerzuchtig paardestaartje jaloers op kon zijn. Het bloed vloeide in golven over haar kermend gezicht. Het leek wel of ze gedraineerd werd. 

Plots gaf iemand een klap tegen de haperende jukebox en brak daarmee de hypnotische hoogspanning waarmee de kroeglopers gebiologeerd naar het tafereel staarden. Een oorverdovend gejoel, gevloek en getier steeg op. 
"Gooi dat olifantenbeest d'eruit, Snaar!"
"Maak ze af, Snaar, steek die varkenskop haar vissenogen uit!"

Dit – was – te – veel.

Bloedend als een rund klauterde ik wankelend terug op m’n benen en ramde mezelf blindelings een weg naar buiten, snakkend naar frisse lucht. De jukebox vond het allemaal geweldig en dramde lustig verder: ‘Show me the way to the next wihsky bar...‘ jengelde het ding nog in m'n oren toen ik happend naar adem de straat over vluchtte, de nacht in, weg van dat gedegenereerd hol. Met m'n ogen half dichtgeplakt door een mengeling van bloed, snot en tranen viel ik algauw ergens blind en snikkend neer op een deurdrempel. 

Nauwelijks een dag geleden dacht ik alles meegemaakt te hebben wat je als normaal mens ook maar mogelijkerwijze kón meemaken. Maar dit?
De tranen wilden niet komen. Stilletjes kapselde ik me in en keek blind voor me uit. Ik sloot alles buiten. Niks kon me nog raken. Ik nestelde me in een vormeloze cocon, dood van binnen en van buiten.

Ik merkte nauwelijks dat er iemand naast me was komen zitten. Het was Bram. Hij kroop dicht tegen me aan, stak z'n duim in z'n mond en sliep al, nog voor z'n hoofd m'n schoot raakte. Het bloed lekte nog steeds uit m'n hoofdwond en maakte kleine vuurrode spettertjes op z'n bolle wangen.
Het is verbijsterend wat een uitwerking zulk klein hoopje kind op je gemoedstoestand kan geven, met geen gedicht of cliché te beschrijven. Ik omarmde het joch en begon stilletjes te wenen, leunend tegen de deur... die door ons gezamenlijk gewicht langzaam open zwaaide. Ik tuimelde achterover het huis in met Brammetje snurkend op m'n buik. De straatverlichting scheen zwakjes op het tulpenbehang… Saartje’s huis... 

 
 (Wordt vervolgd)
 
 
 
 
Dit artikel delen?
Auteur van dit artikel:
© Hans Van Battel
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
Hits: 302
Publicatie op .

Geef een waardering voor: "M'n eerste liefje (X)"

Geschreven door Hans Van Battel . Geplaatst in Kort verhaal.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
Grammatica & Spelling:
Passend in deze rubriek:

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!