Voor schrijvers, door schrijvers

Kort verhaal

Aantal gepubliceerde inzendingen: 700

M'n eerste liefje (IV)

Af en toe kwam ik van heel ver weg terug boven drijven in m'n kletsnat bezweet bed en keek dan recht in haar bezorgde gezicht. Zij verfriste m'n voorhoofd keer op keer met een koud washandje, dat ze klaarblijkelijk opgevist had uit de rommel die uit m'n kast puilde. Dan schonk ze me een moedgevende blik voor ik weer wegdook in ‘deep space’, ver achter het zwarte gat waar de loop der dingen ronddoolt in een labyrint van droombeelden. 

 

… Het pleintje ligt er wat verlaten op z'n zondags bij. Een lauw avondzonnetje zet het bladerdek van de platanen in een hel oranje gloed. Scherpe schaduwen schuiven langgerekt de nacht in. 

Met een dreunende houten kop zijg ik neer op één van de natgeregende groene stadsbanken. Vloekend voel ik de kilte omhoog kruipen door m'n broek. Een verdwaalde kat komt even flirten langs m'n benen, maar houdt het al vlug voor bekeken wanneer een rotte boer zich uit m'n lege lijf een weg naar buiten wringt. M'n hart dreunt ergens ver beneden m'n voeten. 

Vertwijfeld hou ik m'n dansend hoofd vast en loens van achter m'n vingers naar het oude vrouwtje dat schuifelend langs de slapende huizen dichterbij komt. Ze komt me vaag bekend voor, als vanuit een sepia foto. Soms kom ik haar tegen als het verdriet in m'n kop verzopen is. In haar knokige linkerhand houdt ze stijf van de reuma een papieren bruine zak geklemd. Zonder één keer op te kijken zoekt ze zich voetje voor voetje blindelings een weg naar het pleintje. Voorzichtig verzet ze haar stok van de stoeprand naar de straat, wiebelt nog even onzeker van haar linker op haar rechterbeen en buigt zich tergend langzaam voorover tot haar gewicht volledig boven haar stok balanceert. Dan komt het grote moment. Het pleintje houdt de adem in. Heel even nog staat ze stil, versteend met haar blik naar de diepte in de goot. En daar gaat ze... In een tijdloze traag zwevende beweging overspant ze de oeverloze ruimte van de stoeprand naar de straat. Feilloos, zonder ook maar één keer te aarzelen, belandt haar slof op het zwarte asfalt. In de lamentabele toestand waarin ik me bevind, voel ik gaandeweg een diep eerbiedig respekt voor haar opkomen. In een zotte bevlieging wil ik overeind springen om haar een helpende hand toe te steken. Te laat denk ik eraan m'n benen over dit manoeuvre in te lichten. Tegen de tijd dat ik me weer met een kapotte broek op de natte bank gehesen heb, is het vrouwtje in het midden van het pleintje aangekomen. 

We kijken elkaar aan. Ik, het vrouwtje, de bomen, het pleintje. De weidse wereld vredig en harmonieus in een notedop. Zelfs de franjes van m'n lijf vallen beetje bij beetje terug op hun plaats. Er zweeft een soort diepe verstandhouding tussen haar kraaloogjes en m'n prutogen. Het lijkt zelfs alsof ze me heimelijk een verre jeugdherinnering toevertrouwt. Uit haar jaszak bungelt een paternoster met dikke kralen, versierd met een gouden kruisje. 

De papieren zak ritselt tussen haar kromme vingers. Plots schieten kriskras lachrimpeltjes als vuurwerk door haar gezicht. Vanuit haar tandeloze mond klinkt iets wat ooit een klaterende lach was. Met een korte ruk scheurt ze de zak aan stukken en duizenden gouden maiskegeltjes stuiteren alle kanten op. Op slag is het pleintje veranderd in een pointillistische golvende bonte kakafonie van fladderende vlerkende wroetende en naar alle kanten pikkende duiven met ergens daar middenin het kakelend lachende vrouwtje, haar stok hoog priemend naar een punt in de brandende avondhemel. En dan, als op bevel, wordt met mokerslagen de ene klokkedreun na de andere in m'n hersens gesplitst: de dag des heren zindert weg in schelle koperen kleuren. 

 

Met verbijstering merk ik dat iemand m 'n schoenen heeft ondergekotst. Het bloed zuigt weg uit m 'n slapen alsof iemand ergens het stopje heeft uitgetrokken. Slap als een doek klef ik tegen de bank aan. Het pleintje verstomt en is ontzield tot een steriel artefact. Vanuit de kille waas die om me heen omhoog sluipt, doemt het gezicht van de oude vrouw kristalhelder voor me op. Ze heeft een pertinent ammoniakgeurtje. Haar haar valt vanuit een slordig opgestoken knoet in vaalgrjze plukken over haar perkamenten schedelvelletje. Haar gebarsten lippen vormen klankloze woorden. Ze kijkt me intens aan, haar ogen als stekelige voelsprieten, diep in me de kartonnen scheurtjes betastend van m’n visitekaartje...

In een korte hevige flits tuimel ik achter haar gebroken ogen in de afgrond van een hels verdriet. 

Een versteende kinderschreeuw wil zich losscheuren uit m'n borstkast. Als in een stomme film zie ik het spookbeeld van het jongetje met z'n bolle wangetjes, de duiven op het pleintje achterna benend met zijn kleine graaihandjes. Ik worstel om overeind te komen, wanhopig met nog slechts één doel voor ogen: de nestwarmte en de vergetelheid van m'n bed bereiken. 

Laverend tussen de platanen, ploeter ik me een weg naar de straatkant. Knipperend tegen het verblindend lage zonlicht, vlucht ik naar de duistere overkant. Het vrouwtje tuurt me treurig na. Compleet verdwaasd struikel ik hals over kop een donker portiekje binnen en val languit op de harde koude arduinen vloer. Voor m'n ogen, verzonken in de blauwe steen, en dansend in de wiebelende schaduw van het zwakke kaarslicht, ontwaar ik de sierlijke letters: 

Hier rust Saartje, opgenomen in de liefde van de Heer

 

De kilte van de zerk trekt een spinrag van fijne slaapdraden doorheen m'n huid. Wegdrijvend in een zoete kommerloze diepte hoor ik nog het geschuifel van haar naderende sloffen en dringt vaag de echo tot me door van de galmende slag waarmee de zware deur achter haar traag in het slot valt. Het vrouwtje sleft langs me heen en steekt een kaarsstompje aan, onder de koesterende blik van het Onze Lieve Vrouwtje van de Rozenkrans. 

Het zachte licht vult de kapel met een beloftevolle stilte. Het licht verheldert langzaam tot een warme schittering. Vanuit de ijle verte klinkt lokkend een klaterend kinderstemmetje. Omgeven door een vage gloed reikt Saartje me de hand en licht als een veertje tuimelen we lachend samen naar de peilloze overkant. 

Vanop het geboende krakende kerkstoeltje kijkt het vrouwtje ons stil schreiend na. Haar hese stem zweeft wat onwezenlijk tussen de gewelven: "Vergeet me niet hé? ... Ik wacht op jullie hoor..." Een dikke traan, als een schrijn vol hunkerend verlangen, bungelt onzeker tussen de groeven van haar wangen. Wat verloren kijkt ze doelloos rond in het haar vertrouwde kapelletje. Tastend naar haar paternoster, verstilt haar blik op het versteende grafschrift. Dan droogt ze haar tranen met de resten van de papieren zak. "Zorg jij nu maar goed voor m'n kleine meid, lieve jongen."

(Wordt vervolgd)

 
 
 
 
 
 
Dit artikel delen?
Auteur: ©Hans Van Battel
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.
Hits: 234
Publicatie op .

Geef een waardering voor: "M'n eerste liefje (IV)"

Geschreven door Hans Van Battel . Geplaatst in Kort verhaal.
Klik op de naam of afbeelding van de auteur voor meer informatie.

Jouw feedback hier?

Dat is mogelijk met een waardering en/of jouw commentaar te geven.
Ook kun je reageren op commentaar van anderen.
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen. Door een waardering te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!