Voor schrijvers, door schrijvers

Kort verhaal

Een kort verhaal kenmerkt zich doordat de handelingen, gedachten en gesprekken van de personages zijn georganiseerd in een plot van komische, tragische, romantische, satirische of nog andere aard.  Een kort verhaal is altijd een compleet en zelfstandig leesbaar verhaal. Dus geen vervolg! In deze schrijfactiviteit is ook ruimte voor reisverhalen en flitsverhalen.
 "Het meest beknopte en sprekend voorbeeld van een flitsverhaal is het verhaal dat Ernest Hemingway schreef.
" Te koop: babyschoenen. Nooit gedragen."
Aantal gepubliceerde inzendingen: 558
Klik op de profielnaam of -afbeelding van de schrijver voor meer informatie en een overzicht van zijn/haar schrijfactiviteiten.

M'n eerste liefje (I)

| Hans Van Battel

M'n eerste liefje


Het was een miezerig weertje. M'n eerste dag op de unief zat erop en ik had net boodschappen gedaan in het boekenwinkeltje 'de Maretak', gespecialiseerd in werken van filosofische, bijbelse en occulte strekking. De winkelier, een beer van een vent, had eerst handenwrijvend m'n boekenlijst bestudeerd, om daarna, rondsnorrend als een vlijtige dikke tor, het ene boek na het andere aan m'n allengs groeiende stapel toe te voegen. Vol enthousiasme had ik er maar ineens de volledige reeks ‘Wichtige Wijsgeren’ bij gekocht. 
Met m'n spiksplinternieuwe uitpuilende aktentas in de ene hand, een zware plastic zak in de andere en een lege portemonnee in m'n broekzak, zag ik me genoodzaakt te voet naar m'n studentenkamer te wandelen.

Het gewicht van al die wijsheid voelde prettig licht aan. Nu pas besefte ik welk een verstikkende invloed de jarenlange goed bedoelde katholieke zorgen hadden, waarmee m'n moeder me elke dag van m'n jeugdjaren had omringd. 
M'n eerste stappen in deze studentenstad waren een verademing. Ik wist zeker dat de jaren die gingen volgen een openbaring voor me zouden worden. Hier zou ik komaf maken met de blind te volgen regeltjes die elke brave katholiek volgde van de wieg tot het graf. De zondagse kerkgang, het bidden voor en na het eten en vóór elk 'belangrijk werk', de catechismus met zijn tien geboden en duizend valkuilen van doodzonden, taboes en dagelijkse dwalingen... Dat alles ging ik aan kant zetten en moest plaats maken voor de bevrijdende weg van de waarheid!

Al mijmerend botste ik haast tegen een parkeermeter aan: de motregen had op m'n brilleglazen een waas van piepkleine druppeltjes afgezet, waardoor ik nog slechts met moeite het voetpad kon onderscheiden. Bovendien stonden m'n armspieren op het punt te capituleren tegen het overweldigend literaire gewicht. Grootmoedig vatte ik dit echter op als een triomf van de geest over het zwakke vlees. Een poging om m'n bril schoon te vegen met m'n mouw moest ik halverwege staken: ik was niet bij machte m'n uitgerekte arm ook maar één centimeter omhoog te hijsen en de gedachte om m'n wijsgerige schatten zomaar op de natte straat te deponeren, vervulde me met afschuw.

Pierend door m'n aangeslagen bril, meende ik rechts van me, langs de huizenkant, een open deur te ontwaren van één of ander ondefinieerbaar openbaar gebouw. Een beetje op de tast volgde ik een vaag figuur die juist naar binnen stapte en struikelde haast over enkele treden die de ingang markeerden. 
De figuur vóór me draaide zich naar me toe en hielp me krachtdadig de trap op, me aan m'n bovenarm ondersteunend. Ik geneerde me behoorlijk. Dit strookte nu niet direct met de visioenen die ik daarnet nog voor ogen had. 

Boven aangekomen zette ik m'n boeken op de grond (wat een verlossing!) en droogde m'n bril af, onderwijl wat bijziend rondturend in het halfduister. Toen ik hem weer op m'n neus parkeerde, keek ik recht in het hartelijk gezicht van een beeldschoon meisje dat me een meewarende blik schonk. 
"Zal het een beetje lukken verder?", vroeg ze lief en reikte me moeiteloos met één hand zowel de zware aktentas als de plastic zak aan. 
Ik knikte een beetje wezenloos en ontdekte tot m'n ontsteltenis dat ik terecht was gekomen in een kerk. Een kérk! De weg naar de waarheid bleek vol angels, schietijzers en wolfsgeweren te zitten. 
Ik nam m'n boeken van haar over, maar de pijn in m'n armen verplichtte me ze dadelijk weer neer te zetten. Zij tilde ze weer resoluut van de vloer.
"Ik zal ze wel even voor je dragen, dan kunnen we daar wat gaan zitten."
Nog voor ik haar kon tegenspreken keerde zij zich om en ging me voor naar een rijtje kerkstoelen.

Ik had altijd een hekel gehad aan die rieten stoeltjes: de zitting is te laag, de leuning te recht en te hard maar gelukkig hoog genoeg om je op je ellebogen omhoog te duwen zodat je je knieën kon sparen tijdens de consecratie. Maar de bevalIigheid waarmee ze haar stoeltje als het ware aankleedde met haar gracieus figuur, maakte van het foltertuig een overheerlijke fauteuil.

Daar zaten we dan samen stil naar het kerkelijk meubilair te kijken. Het altaar trok natuurlijk het eerst de aandacht. 
Verdikkeme! Ik wist wat me ging overkomen; de architecten van zulke ouderwetse kerken hadden het heel leep uitgedacht: de blik van het goedgelovige zieltje wordt stelselmatig omhoog gekrikt, langs het tabernakel en de monstrans, via de streng vermanend kijkende pilaarheiligen, verder omhoogwaarts langs de gekleurde glasramen en het hangende kruis (de plek daaronder had ik altijd gemeden sinds ik de film "The Omen" had gezien) om dan uiteindelijk 'als van nature' te belanden bij het gewelfde plafond. Hier wordt van de argeloze toeschouwer verwacht om, met het hoofd in de nek, zich te vergapen aan het ingewikkelde kruisbogenpatroon. Aangezien je je mond in die positie nauwelijks dicht krijgt, geeft dit (uiteraard in de gegeven context) een zeer devote indruk. 

Ik merkte dat we gelijk waren aangekomen: m'n hoofd zo min mogelijk bewegend, begluurde ik haar stiekem vanuit m'n ooghoeken en kreeg haast een kramp in m'n nek toen onze blikken elkaar betrapten. We glimlachten mekaar wat oenig toe en vervolgens ging het 'en retour' van het plafond naar de grond. 
Er kroop een kille stilte uit de gebarsten tegels, die de kerk in een doodse leegheid hulde. De groteske omvang van het kerkschip maakte een archeologische karikatuur van de enkele stil prevelende kwezeltjes. Ik kende dat soort wereldvreemde fossielen: een bibliothecaresse van de plaatselijke parochieboekerij, waar je nu nog dezelfde boeken terugvindt die je daar als kind had verslonden (er komen echter geen kinderen meer), een koorzanger van de ouderlingenbond (die dringend een tweede zanger zochten), een op rust gestelde leraar, die zijn hele leven, in uiterst celibataire toewijding, zich ten volle had overgegeven aan de christelijke opvoeding van zijn pupillen (sinds z'n pensioen heeft geen van hen nog ooit iets van zich laten horen) en nog een paar andere, aan elkaar verwante verloren zielen, die ergens daarbuiten in de grote wereld het spoor zijn bijster geraakt. 

Gewoonlijk zette deze sfeer een naargeestige domper op m'n humeur, maar met háár naast me, werd de overweldigende kerkruimte omgetoverd in een oeverloze zee vol van beloften en onbevroede mogelijkheden. Een beetje bedeesd als ik was, en nog helemaal bleu, durfde ik haar niet zo gauw meer aan te kijken. 
De stille eerbiedigheid, waarmee je wordt geacht om vredig op je stoel genageld te blijven zitten, kwam m'n verlegenheid uitstekend van pas. Het simpele feit dat we daar vroom en devoot gezamenlijk zaten te niksen, gaf me het gevoel dat ik elke seconde vooruitgang boekte. 

Haar jurk ritselde toen zij haar handtasje op haar schoot opende. Ik kon het niet laten er een steelse blik in te werpen. Haar fijne lange vingers rommelden wat tussen allerlei opmaakspulletjes, ik zag halvelings een foto van iemand die ik vaag meende te herkennen en tot m'n verbazing haalde zij er een paternoster uit. Het was zulk een antiek geval met dikke zwarte kralen en een gouden bewerkt kruisje aan het eind. Ha! Dit gaf me een mooi voorwendsel om een gesprekje met haar aan te knopen. 

"Dat is een mooi ding zeg," fluisterde ik haar toe, "is dat een erfstuk of zo?"
Ze lachte wat timide. 
"Zoiets ja, het is nog van m'n oma geweest", waarbij ze vluchtig een kruisteken maakte. Toen, met de eerste dikke kraal tussen haar vingers, begon ze prevelend aan het rozenkransje. 

Het drong tot me door dat ik hier de enige was die vroom en devoot zat te niksen. Hier moest dringend wat aan gedaan worden! Dus, met m'n vingers gekruist, viel ik haar bij in elke onzevader en weesgegroet. Ik dankte m'n lieve moeder dat ik deze proef, zonder één keer te haperen, met glans kon doorstaan. Het timbre van haar zangerige stem trachtte ik te laten resoneren met m'n ietwat geforceerde basklanken.
Ons gelijkstemmig gebed bracht me in een haast dronken overmoedige toestand en alweer voelde ik me een heel stuk dichter bij haar. 
Na wat me een zoete eeuwigheid leek, borg ze de rozenkrans terug op in haar handtas. Ze keek me stralend aan. 
"Kom je hier dikwijls?" vroeg ze me.
"Eh, neen...," zei ik wat spijtig, maar opgetogen voegde ik er vlug aan toe: "Ik ben hier net in de buurt komen wonen, dan kan ik hier misschien 's zondags naar de mis komen! En jij? Kom jij hier vaak?"
Nogal ja, af en toe kom ik hier te biechten, zoals nu.
De afgesloten houten biechtstoel naast ons was me tot dan toe nog niet opgevallen. Ik keek haar verwonderd aan: wat had een Goddelijk beeldschoon wicht als zij te biechten?

Het was de eerste keer dat ik haar onbevangen aankeek. Het was of de hemel neerdaalde en ons in een koepel zette van zuiver kristal. Heel haar wezen gloeide op me in als een duvelkacheltje. Zij was het heerlijkste schepsel op aard en de gedachte dat zij een zonde zou begaan hebben, maakte haar nog begeerlijker. Het was waarlijk een wonder Gods, dat wij hier, haast voor het altaar, waren bijeen gebracht. Begeleid door een jubelend halleluja, braken er duizenden vlinders los in m'n buik. Ik keek haar stomverliefd aan. 

Als om de spanning te breken, boog zij zich voorover om de reclame op m’n plastic zak te bestuderen. Haar ogen kregen een opgetogen glans. Ik meende zelfs een lichte blos op haar perzikwangetjes te bespeuren. Ze was duidelijk onder de indruk. 'Heregod’, dacht ik, 'we hebben zelfs dezelfde literaire smaak!' 

Vooraan opzij van het altaar, ging krakend de deur van de sacristie open. Als een anachronisme binnen deze eeuwenoude kerk, kwam een jong paterke fluks de zijbeuk ingestapt en, een tikkeltje te gehaast leek het me, stevende hij recht op de biechtstoel af. 
Ze boog zich schrijlings naar me toe. 

"Koop je daar dikwijls je boeken?" vroeg ze me half fluisterend. Haar ritselende jurk, haar zoete parfum, haar kittelende adem in m'n overspannen oren... Half gesmoord trachtte ik achteloos een leugentje eruit te flappen. 
"Ja hoor,... 't is te zeggen... nogal," en m'n stem sloeg, tot m'n paniekerige verbijstering, een toonladder over toen ik vervolgde: "waarom?"

Sinds m'n bakvisjaren had ik zulk een piepgeluidje niet meer geproduceerd. Ik begon ergens diep van binnen te zweten. 
Maar blijkbaar had ze er, tot m'n grote opluchting, niks van gemerkt. Integendeel: ze schonk me een stralend mijmerende glimlach, haar ogen draaiden een beetje de hoogte in, het puntje van haar tong flitste even vlinderig tussen haar halfopen lippen en met een warme hese stem zei ze: "Een fantastische kerel hé?"
M'n zintuigen niet meer vertrouwend, vreesde ik iets gemist te hebben. 
"Eh... wie bedoel je?"
''Welja,'' zei ze, haar hoofd een beetje afgewend, "Hans... , die van de Maretak hé!" en op haar perzikwangen begonnen welig tomaten te tieren. Toen stond ze op en heupwiegend volgde zij het jong paterke de biechtstoel in. 

Het wou eerst niet tot me doordringen. Kleine beestjes waren koortsachtig bezig in m'n hersens een noodbarricade op te gooien. Langzaamaan vormde het beeld van de winkelier zich voor m'n ogen. De foto in haar tasje! M'n brein begon het alsmaar kleiner wordende mannetje ijverig te boetseren: hij kreeg een bocheltje, een horrelvoet, begon te stinken naar knoflook en keek scheel. Het was het soort gedrocht dat stante pede van de aardbodem getrapt moest worden. Ik duwde met m'n vuisten haast gaten in m’n jaszakken en voelde me vernederd, verguisd, in de grond getrapt, door het slijk gehaaId... Ik zou hem al z'n rotboeken één voor één naar z'n kop slingeren en hem vervolgens levend begraven in dat occult snertwinkeltje van hem! 

Zo zat ik daar een tijdje wat allenig uit te zieden. Heimelijk keek ik naar de biechtstoel. Met hevig gemengde gevoelens keek ik naar haar geknielde benen die vanonder het gordijntje piepten. 'k Vond het verdacht lang duren voor zij het terugschoof. Met een haast sacrale blik in haar ogen, wandelde zij me straal negerend voorbij en ging naar buiten. 
Dit was meer dan ik incasseren kon. Ik merkte dat m'n gezicht nat was van tranen. Slap hing ik daar als een vod gedrapeerd over het kerkstoeltje. 

Het middendeurtje van de biechtstoel ging open. Met een gelukzalige mystieke uitdrukking op z'n gladgeschoren gezicht kwam het paterke naar buiten. Hij keek me even vriendelijk aan en met een uitnodigend gebaar naar het gordijntje vroeg hij me: “Wil je misschien nog biechten?"
Ik keek hem verbouwereerd aan. Hoe durfde hij! De kip werd uitgenodigd in het hol van de vos! Met een driedubbel geknoopte prop in m'n keel trachtte ik nog een zweem van eigenwaarde in m'n schorre stem te leggen, maar tot m'n woedende ergernis hoorde ik mezelf zeggen: "Ik heb niks gedaan!", waarop ik een opwellende snik smoorde in m'n zakdoek. 
De pater keek me vol begrip aan. Uit z'n heldere ogen straalde een moedgevende blik.
"Dan is nu misschien de tijd gekomen om daar juist wél iets aan te doen, nietwaar?"

Hij draaide zich om, liep langs de zijbeuk terug naar het krakend deurtje en liet me platgeslagen alleen achter met de rest van de verloren zielen. 


(Wordt vervolgd)
 
 
 
 
 
 
 
Dit artikel delen?

Graag je mening (waardering en/of commentaar) over deze inzending.
Schrijvers stellen je waardering en/of commentaar bij een artikel erg op prijs!

Je waardering voor een artikel

Hits: 274

3.55

(De gemiddelde waardering is 3.5 door 4 stem(-men)

Login of registreer (gratis) om een reactie te plaatsen

Misschien wil je de volgende inzending ook wel lezen...

Overlever

Geschreven door Robert Beernink. Geplaatst in Cursiefje.
‘Brandende kaarsen, geflambeerde kersen, noem maar op. Ik weet dat je Lottes verjaardag niet wilt missen maar … De regering doet het ook, Koos. Wij vinden allemaal dat er m...
Actuele Top 3 van deze rubriek

Even iets anders in deze onzekere tijd.

23, mrt, 2020 Harry Boerkamp

De verjaardag

13, mei, 2020 Jeroen Follens

 Een leugentje om bestwil.

15, mei, 2020 Jan Boxem
 
Periodiek verwijderen we 'oudere' inzendingen o.b.v. geen of lage waarderingen door bezoekers. Door een waardering (1-5 sterren) te geven bepaal jij dus mede de continuïteit in publicatie van een inzending!